Een dezer dagen worden de klokken een uur vooruit gezet. Wanneer precies is een van de best bewaarde geheimen van het land. Wie televisie kijkt of kranten leest, krijgt de inlichting de dag voordien; wie wel wat beters te doen heeft, merkt het pas wanneer hij op zijn eerstvolgende afspraak een uur te laat verschijnt.
...

Een dezer dagen worden de klokken een uur vooruit gezet. Wanneer precies is een van de best bewaarde geheimen van het land. Wie televisie kijkt of kranten leest, krijgt de inlichting de dag voordien; wie wel wat beters te doen heeft, merkt het pas wanneer hij op zijn eerstvolgende afspraak een uur te laat verschijnt. Op de hoogte of niet, voor iedereen geldt dat de winter ten einde loopt en de periode van zomertijd dus ook. Zomertijd? Jawel, want dat is de gebruikelijke tijdsaanduiding gedurende de wintermaanden. Wat niet wil zeggen dat in de zomer de wintertijd gebruikt zou worden, want zo eenvoudig op zijn kop staat de wereld niet. Er zitten enkele complicaties in de officiële tijdsaanduiding, en die zijn een gevolg van de gulzigheid waarmee we van de tijd gebruik willen maken. Véél is niet genoeg als het méér kan zijn, en daarom moeten in de zomer de dagen nog langer duren dan ze al duren. Zo hebben we het gewild en zo werd het geregeld. Normaal gaat de zon in dit land bij het begin van de zomer rond 8 uur 's avonds onder. Dat levert een flink stuk meer daglicht op dan in de winter wanneer het hemellichaam al om halfvier in de namiddag onder de horizon verdwijnt. Maar dat is "normaal", hetgeen betekent bij een tijdregeling waarbij het twaalf uur is op de middag, het moment waarop de zon in het zuiden staat en het hoogste punt van zijn dagelijkse boog aan de hemel bereikt. Dat de winteravonden lang en donker zijn, nodigt alleen maar uit om vroeg te gaan slapen, maar tijdens de zomer wensen we zo lang mogelijk van het daglicht te genieten. Aan dat verlangen kan voldaan worden, beter nog dan de natuur al doet. Wanneer de zon om 8 uur ondergaat, maken we daar 9 uur van, niet door de stand van de zon te veranderen, maar door een beetje te wringen aan de wijzers van het uurwerk. Zo werd de zomertijd uitgevonden. Voortaan duren de zomeravonden dus tot 9 uur. Dat de zon 's ochtends dan ook een uur later opkomt, deert niemand; de langslapers merken het niet en de matineuzen valt het makkelijker de zon vóór te zijn. Het nadeel is alleen dat alle klokken nu twee keer per jaar ingesteld moeten worden: één keer een uur vooruit en één keer weer achteruit. Om dat ongemak uit de wereld te helpen, kwam men na verloop van jaren op de verlichte idee om de zomertijd het hele jaar door te blijven gebruiken: zo konden de wijzers met rust gelaten worden en bleef het toch mogelijk van lange zomeravonden te genieten. Deze doorlopende zomertijd werd in ons land in 1946 ingevoerd. Maar alles went, zeker een gelijkmatig lopende tijd, en weldra begon de bevolking het extra uur daglicht te missen waarvan zij destijds in de zomerperiode kon genieten. De vraag naar een "zomertijd" kwam weer op. Na de oliecrisis kon daarvoor een bijkomend argument worden aangevoerd: als het 's avonds langer licht blijft, is minder kunstlicht nodig en spaart men energie. In 1977 werd daarom besloten de klokken tijdens de zomermaanden een uur vooruit te zetten. Voortaan gaat de zon bij het begin van de zomer om 10 uur 's avonds onder. Zo is het nog steeds. Wat nu zomertijd heet, is in werkelijkheid een dubbele zomertijd, en de gebruikelijke wintertijd is een zomertijd. Dat betekent dat we tijdens de zomer in ons land een tijdsaanduiding gebruiken die past bij die van twee tijdzones verder naar het oosten. De klokken hier wijzen de tijd aan van de Oekraïne of Turkije. Er klinkt weinig protest tegen dit absurd gesjoemel met de tijd. Dat is begrijpelijk, want volksbedrog doet het altijd goed. Maar het is toch ook verwonderlijk, want de last die de halfjaarlijkse verplichte klokkendans meebrengt, weegt op iedereen. Opnieuw zitten we opgezadeld met de karwei om tweemaal per jaar alle uurwerken aan te passen. En nu gaat het niet meer alleen om de pendule op de schouw. Er zitten klokjes, digitaal en analoog, in de auto, de faxmachine, de wekkerradio, de microgolfoven, het koffiezetapparaat, de computer, de thermostaat, de videospeler, de gsm, en ander nuttig spul dat ik nu vergeet. Hoe men in al die hermetische apparatuur moet ingrijpen, is meestal een diep elektronisch geheim. En hoe men al die klokken en klokjes kan opsporen, moet ieder zelf maar uitmaken. Een kleine zelfinspectie leert dat ik hooguit een vijftal klokken verzet. De rest van de dozijnen die thuis rondslingeren wijst "doorlopende zomertijd" aan. Soms stoot ik op een klokje dat op dubbele zomertijd is blijven staan. Discreet nazicht in andere huishoudens brengt aan het licht dat de toestand daar meestal niet wezenlijk van die bij mij thuis verschilt. Zoveel is zeker: op elk ogenblik staan overal in onze gesynchroniseerde samenleving miljoenen klokken de tijd verkeerd aan te wijzen. Merkwaardig is dat de schaarse kritiek die op de praktijk van de zomertijd geleverd wordt, zelden op dit meest voelbare nadeel betrekking heeft. De discussies gaan over "ernstiger" consequenties, over de verstoring van het bioritme van mens en huisdier, de weerslag op het milieu, of het effect op de economie. Maar dat zijn academische discussies, scholastieke twistgesprekken, ver verwijderd van de ervaringen van het leven. Het feit dat specialisten na twintig jaar niet in staat zijn een effect van de zomertijd op de economie of op de gezondheid aan te tonen, betekent dat dit effect vanuit praktisch oogpunt onbestaande is. Maar om een zo evidente reden valt de discussie niet stil. Geleerden debatteren het liefst over vraagstukken die van groot gewicht zijn in hun theorieën maar waarvan in het leven niet veel te merken valt. In de ene eeuw breken ze zich het hoofd over het geslacht van de engelen, in een andere over de curve van het nationale brandstofverbruik. Ondertussen levert het leven zijn ervaringen op. Of zomertijd de economie verstoort of bevordert, de gezondheid schaadt of verbetert, is niet belangrijk; wat telt is dat het geknoei met de klokken een hinder en een last is. "Ik heb geen zin om al die klokken te verzetten", is het belangrijkste argument ertegen, gegrepen uit de realiteit van het leven. Maar de realiteit betekent niet veel in een maatschappij die de tijd regelt door haar tijdmeters te vervalsen.Gerard Bodifée