Zoals elk voordeel zijn nadeel heb, aldus een beroemde voetballer, zo botst elke vernieuwing ooit op scepsis, nostalgie of, jazeker, haar intrinsieke gebreken. Neem de o zo compacte, slijtvaste cd: al lang voor hij op zijn beurt door onooglijks bedreigd werd, werd hij al in hele subculturen verketterd door melomanen die zwoeren bij de vinylplaat.
...

Zoals elk voordeel zijn nadeel heb, aldus een beroemde voetballer, zo botst elke vernieuwing ooit op scepsis, nostalgie of, jazeker, haar intrinsieke gebreken. Neem de o zo compacte, slijtvaste cd: al lang voor hij op zijn beurt door onooglijks bedreigd werd, werd hij al in hele subculturen verketterd door melomanen die zwoeren bij de vinylplaat. Vrees niet: het zij verre van mij u deze week een grammofoonplaat te willen aanbevelen. Ik ben immers een non-believer: een plaat die niet kraakt zal in een dubbelblindproef door een modaal tot behoorlijk goed oor niet van de cd worden onderscheiden. Een mp3-tje legt het dan weer na seconden reeds af tegen elk van beide, maar dat is stof voor een ander, langer verhaal. Nee, wat me bij de oude platen brengt, is de nieuwe plaat die me de afgelopen weken het liefste was: een opname van Mozarts vijfde en Sjostakovitsj' eerste vioolconcerto, door de legendarische Russische violist David Oistrakh (tevens opdrachthouder van Sjostakovitsj' concerto) en de al even beroemde dirigent Evgeni Mravinski met de Philharmonie van Leningrad. Dat heette toen nog zo. Het betreft hier immers een live-uitvoering uit 1956, gemaakt door de Oostenrijkse radio. Naar aanleiding van het eerste bezoek van het gezelschap aan Wenen, mede mogelijk gemaakt door de relatieve dooi die de Russische politiek in de jaren na Stalins dood kenmerkte. Wat opvalt, is hoe geweldig goed men toen, in technologische pionierstijd, al kon opnemen. Het klinkt niet zo ruimtelijk, niet zo kraakhelder als nu - zeg maar: het klinkt zoals een grammofoonplaat. Maar men slaagde er toen zoveel beter in de vibraties van grote muzikanten, dat wat hen tot sonore en emotionele voorgangers maakte, te vangen. Wat je hoort, heeft niet de pretentie de momentane werkelijkheid van het concert exact weer te geven, maar precies dat lijkt belangrijker dingen mogelijk te maken. Dan heb ik het nog niet over het vioolspel van Oistrakh, allicht het beste ooit. Een ontnuchterende combinatie van zindering en afgemetenheid, van ervaring en kennis met een moeiteloos bewaarde, kinderlijke verwondering over het gespeelde prachtigs. Bovendien, ook niet onbelangrijk: een technische perfectie die zich in onze wereld niet zo mijlenver van de selbstdarstellung zou weten te houden. De uitgave van dat prachtigs danken we aan het Duitse Orfeo, een label dat wel eens speciaal gefeliciteerd mag worden om de schitterende oude opnamen die het voor ons ontsluit. Voor de liefhebbers vermelden we behalve deze Oistrakh-opname nog een recente uitgave die een kans op een plaats in uw kast verdient. Onlangs kwam een kleine box uit met opnamen die de geniale dirigent Sergiu Celibidache eind jaren vijftig maakte met het radio-orkest van Keulen. Alleen al de sopraanaria uit Brahms' Ein Deutsches Requiem (met Agnes Giebel) verdient minstens een luistersessie bij de betere platenboer. En Ravels Ma Mère l'Oye. En Stravinski's Vuurvogel. En en en. ORFEO C 736 081 B (OISTRAKH, MRAVINSKI)ORFEO C 725 085 R (CELIBIDACHE) Rudy Tambuyser