Drie jaar geleden zag het College van de Federale Ombudsmannen het licht. Een ronkende titel voor wat het was, maar de pas aangestelde ombudsmannen - de Nederlandstalige Herman Wuyts en de Franstalige Pierre-Yves Monette - hadden er wel vrede mee. Ze kregen onderdak in kantoren die ooit aan het parlement hadden toebehoord, en een telefoon, een fax en een medewerker. Nog voor Wuyts zich boog over de eerste klacht van een Belgische burger, ging hij zélf klagen in de cenakels van de Wetstraat. Uit de werkomstandigheden meende hij te mogen aflezen wat zijn diensten, volgens de politieke wereld, echt waard waren.
...

Drie jaar geleden zag het College van de Federale Ombudsmannen het licht. Een ronkende titel voor wat het was, maar de pas aangestelde ombudsmannen - de Nederlandstalige Herman Wuyts en de Franstalige Pierre-Yves Monette - hadden er wel vrede mee. Ze kregen onderdak in kantoren die ooit aan het parlement hadden toebehoord, en een telefoon, een fax en een medewerker. Nog voor Wuyts zich boog over de eerste klacht van een Belgische burger, ging hij zélf klagen in de cenakels van de Wetstraat. Uit de werkomstandigheden meende hij te mogen aflezen wat zijn diensten, volgens de politieke wereld, echt waard waren. Daar schrokken ze van zoveel pretentie. Amper aangesteld vroeg Wuyts al om een verhoging van zijn budget, een betere behuizing, dienstwagens en wat hij verder nog nodig achtte om fatsoenlijk te kunnen werken. Dat Wuyts meer begaan leek met het decorum van zijn functie leverde hem niet alleen buitenshuis, maar ook soms binnen zijn eigen diensten, de naam op van een onverbeterlijke lastpak. En van een big spender, want hij reisde zowat de hele wereld rond om te bestuderen hoe ombudsdiensten elders werden aangepakt. De Scandinavische landen bijvoorbeeld kennen op dat vlak een traditie. Zelf vatte Wuyts zijn houding eerder op als een principiële test voor zijn instituut, dat hij overigens van bij het begin op gelijke statutaire voet wilde zien als het Rekenhof. Om die reden verzette hij zich dan ook toen het parlement besliste dat hij zich voor officiële contacten en voor de overhandiging van zijn jaarverslagen tot de weinig prestigieuze commissie Verzoekschriften moest wenden. Idealiter beschouwen overheid en administratie de ombudsman als een constructief kritische en objectieve bondgenoot om hun eigen werking te verbeteren. Wat dus meer is dan een veredelde informatiedienst voor de bevolking of een klachtenbank. Om die reden protesteert Wuyts al geruime tijd tegen de volgens hem oneigenlijke manier waarop de naam 'ombudsman' wordt gebruikt, onder meer bij de administratie van pensioenen. Maar dat protest haalde tot nu toe niet veel uit. Drie jaar later zijn de verhoudingen tussen Wuyts en de overheid evenwel ontdooid. Politiek en administratie hebben hem beter leren kennen, en ook Wuyts zelf heeft lessen getrokken uit het verleden. "In het begin beschouwde de administratie ons als nog maar eens een controleur", zegt Wuyts. "En die attitude is pas veranderd nadat we hebben uitgelegd wat we precies doen. We komen pas tussen als het écht nodig is. En pas als we beide versies hebben gehoord, die van de burger én van de administratie." Ook de komst van Herman De Croo (VLD) als Kamervoorzitter betekende een verbetering voor het College van Federale Ombudsmannen, althans wat de rituele egards betreft. Het College krijgt voortaan immers dezelfde verwelkoming als het Rekenhof in de Kamer. En eergisteren kregen de ombudsmannen de gelegenheid hun derde jaarverslag aan de plenaire vergadering voor te stellen. Voor de afhandeling echter moeten ze het nog steeds doen met de commissie Verzoekschriften en met haar nieuwe voorzitter, Ecolo-kamerlid Vincent Decroly. Het nieuwe jaarverslag beginnen de ombudsmannen met zichzelf. In 1985 beval de Raad van Europa de lidstaten aan hun nationale ombudsdiensten meer middelen te verstrekken, in de eerste plaats met de bedoeling hun bevoegdheid uit te breiden tot problemen met betrekking tot de rechten van de mens. België is echter een van de landen die dit advies nog steeds niet heeft uitgevoerd. Misschien komt daar verandering in. Dit jaar hebben de Europese ombudsmannen een resolutie goedgekeurd waarin ze de lidstaten uitnodigen om werk te maken van die aanbeveling.MEER EMPATHIE GEVRAAGDDe burger zelf, zo blijkt, botst nog steeds op dezelfde muren bij overheid en administratie. Voor 717 dossiers die het College het afgelopen jaar behandelde en afsloot, op een totaal van 2417, oordeelden de ombudsmannen dat er in 183 gevallen sprake was van onbehoorlijk bestuur. 109 keer was dat omdat de overheid of administratie zich niet hield aan "de redelijke termijn" om een vraag te beantwoorden. Vaak gaat het ook om een gebrek aan informatie. Het is niet de administratie die de ombudsmannen daarvoor met de vinger wijzen, maar de overheid. Ambtenaren hebben een motiveringsplicht, maar ze hebben een tekort aan personeel en tijd om die plicht ook na te komen. Als ze volgens het boekje werken, lopen ze hopeloze vertragingen op, en dat stemt dan weer niet overeen met andere criteria van behoorlijk bestuur. De modelstaat is nog niet voor morgen. De klachten van de burgers betreffen overigens nog steeds dezelfde overheden. Financiën spant daarbij de kroon. De ombudsmannen bevelen in dat verband een specifieke vorming aan voor de ambtenaren die belastingen invorderen. "Het belang van onthaal, empathie, transparantie en communicatie" moet meer aandacht krijgen.F.R.