Ooit gold Dirk Demol als een modale renner, een helper die liever zweette en zwoegde voor anderen dan zelf zijn kans te gaan. 'Op training voelde ik de pedalen niet, maar in een wedstrijd kon ik de druk niet aan', weet Demol. Toch kende de loopbaan van de West-Vlaming één uitschieter: in 1988 won hij na een marathonvlucht en een slopende afvallingsrace de topklassieker Parijs-Roubaix. Het gaf hem geen nieuwe impuls. Integendeel: toen Demol zichzelf naar een hoger niveau wilde hijsen, tuimelde hij in een bodemloze put. Gewillig schikte hij zich weer in de rol van helper.
...

Ooit gold Dirk Demol als een modale renner, een helper die liever zweette en zwoegde voor anderen dan zelf zijn kans te gaan. 'Op training voelde ik de pedalen niet, maar in een wedstrijd kon ik de druk niet aan', weet Demol. Toch kende de loopbaan van de West-Vlaming één uitschieter: in 1988 won hij na een marathonvlucht en een slopende afvallingsrace de topklassieker Parijs-Roubaix. Het gaf hem geen nieuwe impuls. Integendeel: toen Demol zichzelf naar een hoger niveau wilde hijsen, tuimelde hij in een bodemloze put. Gewillig schikte hij zich weer in de rol van helper.Sinds anderhalf jaar is Dirk Demol (41) adjunct-ploegleider van US Postal, het team van Lance Armstrong. Hij assisteert zijn streekgenoot Johan Bruyneel die hem bij de Amerikaanse ploeg onderbracht. Schoorvoetend begon Dirk Demol aan dit avontuur. 'Ik moest echt een drempel overwinnen, ik vroeg me af wat ik aan die vedetten moest vertellen', bekent hij. Maar Demol maakte vlug kennis met de ongecompliceerdheid van de Amerikanen: 'De eerste keer dat ik met Lance Armstrong op zijn kamer sprak, wilde ik na een kort praatje opkrassen. Maar hij vroeg me om te blijven, hij begon over de alledaagse dingen van het leven te spreken. Het ijs was meteen gebroken.' Vanaf zaterdag zit Dirk Demol in de Ronde van Frankrijk aan het stuur van de tweede volgwagen van US Postal. Klaar voor een nieuwe triomftocht. Lance Armstrong week ook dit seizoen niet van een nauwgezette voorbereiding af. Planmatigheid is het sleutelwoord in het leven van de Texaan. Zo heeft hij een paar jaar geleden ook zijn kanker bestreden en zijn terugkeer in het peloton voorbereid.Dirk Demol: Ik heb nog met Lance Armstrong gekoerst, ik herinner me hem als een renner die heel zwartwit dacht en soms het slachtoffer was van zijn temperament. Als hij zich in een wedstrijd goed voelde, dan viel hij aan. Dat is nu nog een beetje zijn uitgangspunt: liever vijf jaar rijden tegen 100 procent dan tien jaar tegen 75 procent. In 1995 ben ik met koersen gestopt en raakte ik de binding met het profwielrennen kwijt. Ik heb vier jaar voor de Kortrijkse Groeningespurters gewerkt. De semi-professionele ploegen waren volop in opkomst, het leek me leuk om met jongeren aan de slag te gaan. Ik werd meteen geconfronteerd met het grote probleem in de Belgische wielersport: de entourage van de renner. Je moet de renners hier beschermen tegen hun familie en tegen hun supporters. Terwijl je eigenlijk als ploegleider het totale vertrouwen zou moeten krijgen om met hen te werken in de letterlijke betekenis van het woord. Dat betekent dat je geregeld naar het buitenland moet omdat je alleen daar je grenzen kan verleggen. Maar wat zie je vaak in dat soort gevallen? Ouders of familieleden nemen meteen verlof om er toch maar bij te kunnen zijn. Om te zien dat ze niet verbrand worden, zeggen ze. Terwijl degenen die bij die semi-professionele ploegen de verantwoordelijkheid dragen dat wel zelf kunnen bepalen. Wat je ook probeert, je kan dat niet veranderen: renners worden door hun omgeving overbeschermd. En dat is in het buitenland anders.Demol: Absoluut. Het is geen toeval dat er tegenwoordig zoveel renners uit Oost-Europa naar de top doorstoten. Ze zijn het gewend om maanden van huis te zijn. Dan kan je werken en een basis leggen. Zonder dat er bemoeienissen zijn van buitenaf. Als ik dat van Vjatslav Ekimov uit onze ploeg hoor, gasten van veertien, vijftien jaar die drie keer per dag trainden en dat in combinatie met de school, dat is onvoorstelbaar. Maar in wezen niet verkeerd. Om als renner te slagen, moet je in de eerste plaats sterk zijn. Wat niet wegneemt dat je tijdig moet kunnen ingrijpen. En dat je sommigen tegen zichzelf moet beschermen. Dat is nu het grote probleem met Frank Vandenbroucke. Hij is een klasbak die heel gemakkelijk een muur doorbreekt. Alleen, dat soort renners gaat heel gemakkelijk in overdrive, wat het risico op blessures verhoogt. Na een inactiviteit van een jaar had Vandenbroucke nooit met een zware wedstrijd als de Ronde van Baskenland mogen beginnen. Hij zou nu gewoon een vooropgestelde weg moeten volgen. En daar niet van afwijken. Daar zijn de Amerikanen zo sterk in. Ze maken een planning en houden zich daar minutieus aan. In goede tijden en in slechte tijden. Hoe ben je bij de US Postal-ploeg terechtgekomen?Demol: Ik kreeg in september 1999 een telefoontje van Johan Bruyneel, een goeie maand na de eerste Tourzege van Lance Armstrong. Ik heb met Bruyneel nog bij Lotto gereden, maar op dat moment had ik hem al twee jaar niet meer gehoord of gezien. Hij zei me dat hij niet meer wilde werken met Johnny Weltz, de tweede ploegleider van het team. En vroeg of het mij niet interesseerde om bij hem te komen. Het bleek dat Johan terloops eens aan Hendrik Redant had verteld dat hij naar een ploegleider zocht, maar er geen vond. Toen wees Redant hem op alle ex-renners die nu bij die semi-professionele ploegen aan het werk waren en liet hij mijn naam vallen. Ik hoefde over dat voorstel niet na te denken. Vooral ook omdat dit heel goed past bij mijn karakter. Ik ben niet iemand die op de voorgrond wil staan, ik mis de hardheid om als eerste man een ploeg te leiden. Zo was ik ook als renner. Ik heb in 1989 bij Lotto de kans gekregen om voor mezelf te rijden, maar dat werd een fiasco, ook al omdat ik op een ongelukkig moment sukkelde met een blessure. Maar vooral omdat ik niet stressbestendig ben. Op training vlóóg ik, maar in een wedstrijd ging het niet meer. Ik kraakte onder die verantwoordelijkheidsdruk. Dat was mijn probleem. Als sportdirecteur zou het wellicht net zo zijn. Ik ben liever een goeie tweede man dan een slechte eerste man. Al was ik er in het begin niet gerust op: ik sprak geen woord Engels en wist niet hoe ik een computer moest opstarten. Ik ben maar tot mijn veertiende naar school geweest, voor ik prof werd, heb ik acht jaar in een weverij gewerkt. Maar ik ben meteen de nodige cursussen gaan volgen. Hoe verliep de aanpassing?Demol: Heel goed. Ik ben in december 1999 voor de eerste keer naar een stage geweest, in Austin. Armstrong had de renners daar bij hem thuis uitgenodigd, hij vindt dat soort dingen heel belangrijk, om het familiaal gevoel te versterken. Na een uur voelde ik me op mijn gemak. Het feit dat ik ooit Parijs-Roubaix won, kwam me daarbij goed uit. In Amerika staat de Ronde van Frankrijk boven alles, maar is Parijs-Roubaix de eendagswedstrijd die het meest aanspreekt. Het is daarom dat we ook dit jaar met George Hincapie op deze wedstrijd hebben gemikt. Armstrong zou dat ruigere werk ook aankunnen, hij krijgt een kick van het rijden op kasseien. Maar Parijs-Roubaix past niet in zijn voorbereiding. Zolang Lance dat wil, zal de Tour in de ploeg centraal staan. Alles wordt met het oog daarop uitgebouwd. Dat is echt de sterkte van dit team: dat je bepaalde doelen kan uitkiezen en dat de hele voorbereiding daar dan op wordt afgestemd. De uitslagen zijn van ondergeschikt belang. De kracht van een Amerikaan is ook dat hij zich daarop helemaal kan instellen, hij is ervan overtuigd dat zijn weg de goeie is, hij panikeert nooit. Ik heb dat vorig jaar heel goed gemerkt met Tyler Hamilton en Kevin Livingstone, twee belangrijke helpers van Armstrong. Twee maanden voor de Tour konden ze het tempo van het peloton niet volgen. Dan denk je: moeten die straks op kop gaan rijden in de bergen? Maar Johan Bruyneel maakte zich nergens zorgen over, hij wist dat ze er zouden staan. En dat is dan ook gebleken. Net zoals ook Lance Armstrong perfect kan pieken.Demol: Inderdaad. Het grote verschil met Europese ploegen is ook dat de sponsor dat goed vindt. Voor de Ronde van Frankrijk begint, zie of hoor je die mensen nauwelijks. Ik denk dat Armstrong maar een wedstrijd of veertig gereden zal hebben als de Tour begint. Hij bouwt rustig op, gaat in de Amstel Gold Race altijd heel even diep voor hij dan een tijdje uit de competitie stapt. Zodat hij weet: waar sta ik, wat moet er nog bijgeschaafd worden? Om vervolgens na een korte rustperiode te herbeginnen. Met harde trainingskampen, met het verkennen van de belangrijkste ritten in de Tour, geen renner die dat met meer zorg doet dan Armstrong. Dat is toch iets wat Johan Bruyneel er bij hem heeft ingepompt: hoe belangrijk het is het parcours van die ritten af te leggen. Johan is iemand die naar buitenuit zijn inbreng heel sterk relativeert. Maar in wezen heeft hij de knop bij Armstrong omgedraaid, heeft alleen hij hem ervan overtuigd dat er in hem een renner schuilt die in de Tour kan rijden voor de overwinning. Hij deed dat op een heel kordate manier. Want dat is van essentieel belang in een Amerikaanse ploeg: je moet heel overtuigend overkomen, je mag geen spatje twijfel laten blijken. Alleen dan ben je geloofwaardig. Dat is Bruyneel echt op het lijf geschreven. Hij kan soms heel streng zijn. Vorig jaar verbood hij de renners om hun laptop naar de Tour mee te nemen. Voor Amerikanen is dat een kleine ramp, die zitten na een wedstrijd constant op internet, tot één uur 's ochtends. Armstrong is Johan nog komen vragen of hij die beslissing niet wilde herzien, vooral omdat Amerikanen eigenlijk alleen maar corresponderen via e-mail. Maar Johan was niet om te praten. Hij heeft dat soms ook in de wedstrijden. Armstrong heeft nog altijd iets impulsiefs, hij wil vaak te vroeg aanvallen. Dan stormt Johan naar voren. Hij loopt daarmee niet te koop, hij wil zichzelf niet in een etalage plaatsen. Maar hij stuurt de ploeg echt. En hij coacht Armstrong. Die heeft dat echt nodig. Wat is de grootste kwaliteit van Armstrong?Demol: Zijn mentaliteit en zijn fysiek. Als je hem aan de start van de Ronde van Frankrijk ziet, dat is echt indrukwekkend. De manier waarop hij zichzelf heeft opgeladen, die innerlijke kracht, die zelfverzekerdheid. Hij straalt echt iets uit. Armstrong is iemand die houdt van duidelijkheid. Toen hij vorig jaar in de etappe naar Morzine een paar minuten verloor op Jan Ullrich riep hij 's avonds meteen de hele ploeg samen. Hij zei dat er geen sprake kon zijn van een inzinking, dat hij gewoon vergeten had om te eten, maar dat niemand zich ongerust hoefde te maken. En dat hij drie dagen later zijn goeie conditie zou onderstrepen door de tijdrit te winnen. En dat gebeurde dan ook. Dat is typisch aan Armstrong. Hij houdt van communicatie. Het hoort trouwens bij de ploeg: na iedere etappe is er behoefte aan een evaluatie. De renners willen dat zo. Je merkt ook dat alle renners in alle wedstrijden met van die zendertjes in hun oor rijden, ze willen dat er overleg is. Terwijl de meeste andere ploegen die apparatuur alleen voor de grote koersen gebruiken. Een Amerikaan is ook heel leergierig, je merkt dat als je 's avonds aan tafel over bepaalde trainingsmethodes spreekt, over manieren om je op wedstrijden voor te bereiden. Er wordt dan altijd heel aandachtig geluisterd, ze nemen die informatie echt in zich op, ze kijken wat ze daarmee kunnen doen. Dat is een beetje contradictorisch: zeker zijn van je aanpak, maar toch weten dat je nog kan bijleren. Ook Armstrong heeft zijn ogen altijd goed de kost gegeven. Als ik dat vergelijk met de jonge renners hier, als je hen iets zegt, kijken ze met een blik van: wat komt die ons nu vertellen? Heb je zelf veel contact met Armstrong?Demol: Minder dan Johan Bruyneel. Ik zit uiteindelijk in de tweede wagen. Tijdens de Tour bestaat mijn taak er vooral in om de sfeer goed te houden. Tussen de renners, maar ook bij het personeel. Iedereen een goed gevoel geven, toch iets positiefs vinden als er iets niet goed is verlopen. Dat ligt me wel. Ik ben altijd heel rustig. Omdat ik vind dat dit moet. Als renner was ik vroeger heel erg gecharmeerd van de aanpak van José De Cauwer. Het is jammer dat hij nu even in opspraak kwam, maar De Cauwer is veruit de beste ploegleider met wie ik heb gewerkt. Gedreven en enthousiast, zonder in opgezwollen toestanden te vervallen. Rust is de basis van het succes. Klopt het dat Armstrong zijn mentale kracht ontleent aan de kanker die hij een paar jaar geleden heeft overwonnen?Demol: Armstrong is altijd een renner geweest die drijft op mentaliteit. Ik heb dat vaak genoeg mogen ervaren toen ik nog koerste. Armstrong was een vat vol spieren, uiteindelijk is hij een triatleet. Toen hij in 1994 in Oslo wereldkampioen werd, hebben wetenschappelijke tests aangetoond dat hij over uitzonderlijke krachten beschikt, dat hij bij die vijf procent Amerikaanse atleten werd gerekend waarvan de gaven als fenomenaal werden bestempeld. Maar na die ziekte heeft hij zijn spieren wel moeten heropbouwen. Op een heel andere manier, uitsluitend voor het wielrennen. Dat is voor hem heel goed geweest. Dat hij zijn kracht en zijn lichamelijke capaciteiten echt voor één sport kon aanwenden. Armstrong is wel mentaal heel erg veranderd. Hij zal nu nooit zeggen dat hij de Tour voor de derde opeenvolgende keer gaat winnen, maar diep in zijn binnenste is hij daar heilig van overtuigd. Terwijl hij nog heel erg twijfelde toen Johan Bruyneel hem twee jaar geleden vertelde dat hij een man is voor de Ronde van Frankrijk. De ploeg is dit jaar sterker dan ooit.Demol: We zijn Livingstone kwijtgeraakt, maar we kregen er goeie renners bij: de Spanjaarden Roberto Heras en Vigil José Luis Rubiera bijvoorbeeld. Maar ook bij Telekom staat er een sterk blok. Ik ga ervan uit dat de Tour weer een tweestrijd wordt tussen Armstrong en Ullrich. Na de recente gebeurtenissen in de Ronde van Italië kreunt de wielersport weer onder de dopingschandalen. En bestaat de vrees voor gerechtelijke invallen in de Tour.Demol: Ik ben een fervente voorstander van controles. Je moet wat dat betreft steeds weer in herhaling vervallen: geen sport die zichzelf zo probeert te zuiveren als de wielrennerij. Er zijn dit seizoen al tegen de 700 controles geweest en daar zijn zes positieve gevallen bij. Dat is niet eens één procent. Maar je kan natuurlijk niet alles indijken. Net zoals je ook hooliganisme en banditisme niet aan banden kan leggen. Het is een maatschappelijk fenomeen waartegen je de strijd moet aanbinden. Maar alle uitwassen uitroeien, dat is onmogelijk. Het is erg wat er in de Giro gebeurde. Maar het betekent niet dat de wielrennerij tot een gangsterwereld is gëevolueerd. Terwijl die indruk nu wel bestaat. Het parket van Parijs startte twee jaar geleden ook met een onderzoek tegen US Postal omdat de ploeg ervan verdacht werd inbreuk gepleegd te hebben op de anti-dopingwetgeving.Demol: Uiteindelijk bleken het niet meer dan geruchten en loze verdachtmakingen. Uit onderzoeken is er geen enkele onregelmatigheid aan het licht gekomen. Dat kan ook niet, want ik ervaar hoe deze ploeg werkt: op een medisch heel verantwoorde manier. Armstrong ontleent zijn overwinningen aan zijn lichamelijke mogelijkheden. Maar vooral aan zijn trainingsdrang, aan zijn fanatisme, aan zijn wilskracht die hem steeds weer over mentale barrières helpt. Jacques Sys