De gezinnen ontvangen hun kinderbijslag van werkgeversverenigingen. Dat is een vreemde maar historisch gegroeide praktijk, een soort van privatisering van de sociale zekerheid. De werkgeverskassen halen het te verdelen socialezekerheidsgeld op bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers. In zulke zaken is het Belgische sociaal model zeer evenwichtig: terwijl de bonden van de werkgevers een graantje administratiekosten meepikken uit het kinderbijslagstelsel, is de vakbonden hetzelfde gegund met de werkloosheidsverzekering. En de politiek gekleurde arbeidersbewegingen verzorgen via hun ziekenfondsen tegen betaling het uitkeringswerk van de ziekteverzekering. Iedereen is...

De gezinnen ontvangen hun kinderbijslag van werkgeversverenigingen. Dat is een vreemde maar historisch gegroeide praktijk, een soort van privatisering van de sociale zekerheid. De werkgeverskassen halen het te verdelen socialezekerheidsgeld op bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers. In zulke zaken is het Belgische sociaal model zeer evenwichtig: terwijl de bonden van de werkgevers een graantje administratiekosten meepikken uit het kinderbijslagstelsel, is de vakbonden hetzelfde gegund met de werkloosheidsverzekering. En de politiek gekleurde arbeidersbewegingen verzorgen via hun ziekenfondsen tegen betaling het uitkeringswerk van de ziekteverzekering. Iedereen is daarmee tevreden. Zelfs de VLD dringt ideologisch niet meer aan op commerciële privatisering - weliswaar nadat de privéverzekeringsmaatschappijen te verstaan hadden gegeven niet op dat vergiftigd geschenk te zitten wachten. Het kinderbijslagstelsel herverdeelt nu zowat vier miljard euro per jaar. Een bom geld, maar in het vooruitzicht van de verkiezingen dromen sommige politieke partijen nog van een verhóging van dat kindergeld. Dat klinkt 'sociaal', maar is het niet. In het stelsel zit immers een perfide mechanisme: gezinnen met een laag inkomen versassen geld naar gezinnen met een hoger inkomen. De onlangs overleden professor Herman Deleeck heeft zich daar zijn hele loopbaan zenuwachtig over gemaakt, tevergeefs. Die subsidiëring van, eenvoudig geformuleerd, rijk door arm is dubbel: welgestelde gezinnen hebben meer kinderen dan die met een minder royaal inkomen (even afgezien van de allochtone gemeenschap) en kinderen uit bemiddelde gezinnen studeren langer en hebben dus langer recht op kinderbijslag. De lobby's argumenteren dat de kinderbijslag de meerkosten in elk gezin moet dekken. Bovendien is kinderbijslag het recht van het kind en alle kinderen zijn gelijk. Dat laatste is alleen biologisch juist. Kinderen uit St.-Martens-Latem vertrekken met een voorsprong in het leven in vergelijking met hun leeftijdgenootjes van bijvoorbeeld Hoboken. Terwijl sommige gezinnen maandelijks op het kindergeld zitten te wachten, wordt het in andere gezinnen automatisch doorgestort naar de spaarrekening van de kinderen: geld voor de eerste auto, als de jongelui er al niet mee gaan speculeren op de beurs. Goedmenende sociale wetenschappers pleiten er al even lang als tevergeefs voor het fiscaal vrije kindergeld gewoon bij het gezinsinkomen te belasten. In dure gezinnen wordt het aldus afgetopt, en de overheid krijgt het geld om de gezinsbijslag te verhogen, voor de gezinnen die het echt nodig hebben. Uiteindelijk moet de kinderbijslag toch eens worden overgeheveld van de sociale zekerheid naar de algemene middelen, zoals dat in de meeste industrielanden het geval is. Het is te danken aan enkele sociale mijnwerkersbazen tijdens de Eerste Wereldoorlog dat enkel de werkgevers het kinderbijslagstelsel financieren. Nu kunnen kinderen moeilijk een arbeidsrisico genoemd worden. Redelijkerwijs hoort het kinderbijslagstelsel thuis in de publieke sfeer, te financieren met belastinggeld. De loonkosten zouden er wel bij varen. De evenzeer voor de hand liggende regionalisering van het stelsel is nog moeilijker te realiseren, wegens onderdeel van een nieuwe staatshervorming. Het zou een eerste splitsing zijn in de sociale zekerheid. En dus zetten de Franstalige politieke partijen de hakken in het zand. Guido Despiegelaere