Ze wordt er 's nachts wakker van en kan niet slapen. Moederziel alleen loopt ze door de straten van Bilbao. De obussen vliegen haar om de oren, ze rent en gooit zich plat op de buik, rent, ontwijkt inslaande projectielen, te midden van gedaver en geschreeuw. Men zegt haar dat ze van het station met de trein naar de haven moet, waar een boot klaarstaat. Op de Habana zitten enkele duizenden Baskische kinderen opeengepakt. Ze roepen om hun moeder, grootouders, ooms of tantes. Sommigen kotsen, allemaal staan ze doodsangsten uit. De Almirante Cervera, een vijandelijk oorlogsschip, komt vervaarlijk dicht in de buurt varen. Buiten de driemijlszone worden ze opgewacht door Britse schepen. Ze halen vrijer adem.
...

Ze wordt er 's nachts wakker van en kan niet slapen. Moederziel alleen loopt ze door de straten van Bilbao. De obussen vliegen haar om de oren, ze rent en gooit zich plat op de buik, rent, ontwijkt inslaande projectielen, te midden van gedaver en geschreeuw. Men zegt haar dat ze van het station met de trein naar de haven moet, waar een boot klaarstaat. Op de Habana zitten enkele duizenden Baskische kinderen opeengepakt. Ze roepen om hun moeder, grootouders, ooms of tantes. Sommigen kotsen, allemaal staan ze doodsangsten uit. De Almirante Cervera, een vijandelijk oorlogsschip, komt vervaarlijk dicht in de buurt varen. Buiten de driemijlszone worden ze opgewacht door Britse schepen. Ze halen vrijer adem. Esther Arocena Torrecilla (81) maakte carrière in de haute couture bij Claire Mannerie in Brussel. Ze leidde een vol leven, dacht niet meer aan het verleden. Maar sinds een paar maanden spoken de verschrikkelijke dagen van juni 1937 in Bilbao weer door haar hoofd. De geschiedenis van haar land en van Spanje, van zichzelf en haar familie, van haar eerste en tweede pleeggezin in België is een megapuzzel waarvan de kleine, vinnige Baskische een paar stukjes mist. Wie was haar vader? Verdwenen aan het front, in de eerste maanden van de burgeroorlog. Hij had een kleermakersbedrijfje dat soutanes voor pastoors maakte, hij las de krant El Liberal. 'We liepen met ons vuistje in de lucht', ze moet in UGT-kringen (de socialistische vakbond) grootgebracht zijn maar weet niet goed hoe het eigenlijk zat. Op 16 februari 1936 haalde het Volksfront een nipte overwinning in de parlementsverkiezingen van de tweede Spaanse republiek. 'Een dolle dag, iedereen op straat in Bilbao, zwaaiend met Frygische mutsen', herinnert Esther Arocena zich. De verliezers waren het rechtse Nationale Front en de kleine centrumpartijen. Hoewel de overwinnaars een alliantie van socialisten, communisten en linksliberale republikeinen vormden, moesten de laatsten op hun eentje een regering maken. 'This is never a recipe for strong government', noteert Hugh Thomas in The Spanish Civil War, de bijbel over dit onderwerp, dat in april in Nederlandse vertaling verschijnt. Voor de meerderheid van de socialisten onder Largo Caballero was het op termijn de bedoeling om de revolutie te maken, niet om de burgerlijke democratie te dienen. De parlementaire oppositie bestond uit het Nationale Front van monarchisten, conservatieve katholieken en landeigenaars, gesteund door het leger en de kerk. De anarchisten, verenigd in de machtige organisatie CNT, vormden een geduchte buitenparlementaire oppositie ter linkerzijde. Uiterst rechts stonden de nog kleine fascistische falangisten te stoken. Spanje ging kapot aan diepe scheuren. Antiklerikalen tegen klerikalen. Grote Landeigenaars en bourgeoisie tegen landloze boeren en de werkende klasse. Democraten tegen antidemocraten. En niet op de laatste plaats, autonomisten en separatisten tegen unitaristen. Aanslagen en stakingen volgden elkaar in snel tempo op. De Spaanse economie zat met de overwinning van het Volksfront niet alleen op rozen. Hugh Smith: 'De beurs ging achteruit, de productie viel terug, en, dit keer, tastte de crisis ook de landbouw aan. Landeigenaars en werkgevers gingen niet alleen over tot het verhogen van de lonen en het verminderen van de werkuren, maar zwichtten - vooral op het platteland - voor de eis op werk, niet alleen van degenen die tussen 1933 en 1936 ontslagen waren en van degenen die in de gevangenis hadden gezeten, maar ook van degenen die nooit een job hadden gehad. Niettemin bleef de werkloosheid stijgen - in 1936 bereikte ze een niveau van 800.000. Men kan zich makkelijk inbeelden dat veel van die mensen opgevrijd en gevoed werden door de ene of de andere van de paramilitaire organisaties. 'Inderdaad, de "kleine burgeroorlog", zoals de gebeurtenissen tussen februari en juli 1936 niet ten onrechte werden genoemd, droeg veel kenmerken van een raid van werkloze pistoleros uit de twee kampen van het politieke spectrum op de levens en de bezittingen van de bezoldigden.' In het leger waren enkele generaals op zoek naar medestanders voor een opstand tegen de republiek. Hoewel de regering de potentiële complotteurs in het vizier had, en ze zoveel mogelijk in geïsoleerde posities drong, kon ze niet beletten dat het plan voor samenzwering concrete vormen aannam. Het was wachten op een gunstige gelegenheid om tot de actie over te gaan. Op 12 juli 's avonds verliet luitenant Jose Castillo, een socialistische officier van de speciale interventietroepen, zijn woning in Madrid om te gaan werken. In volle straat werd hij door vier mannen met revolvers doodgeschoten. In de vroege ochtend van maandag 13 juli lichtte de 'guardia civil' de charismatische leider van de monarchisten in het parlement, Calvo Sotelo, uit zijn bed. In de auto op weg om te worden ondervraagd, kreeg hij een nekschot van de man die naast hem zat, Luis Cuenca, een jonge socialist uit Galicië. Op de golven van de publieke afschuw en ontreddering, sloegen de generaals Jose Sanjurjo, Emilio Mola, Manuel Goded, Francisco Franco, Gonzalo Queipo de Llano en anderen toe. De garnizoenen in Spaans Marokko waren de eerste die in de vroege ochtend van 18 juli 1936 in opstand kwamen, volgens afspraak weldra gevolgd door andere in Spanje zelf. Het volk vroeg om wapens, maar kreeg er geen. Conservatief Spanje, samengesteld langs de lijnen van het Nationaal Front dat de februariverkiezingen had verloren, stond aan de kant van de rebellie. In grote steden als Madrid en Barcelona bleef het gros van het leger trouw aan de republiek. De burgeroorlog was begonnen. Hij duurde bijna drie jaar, vernielde nagenoeg het hele land en eiste veel mensenlevens. Het precieze aantal is onbekend, de schattingen lopen tussen de 300.000 en 1 miljoen. De franquistische troepen kregen massale militaire steun van Hitler-Duitsland en van Mussolini's Italië, doorslaggevend voor hun overwinning. De republikeinse rangen werden versterkt door vrijwilligers van overal - de Internationale Brigades - en door Russische officieren, militaire adviseurs en wapens. Frankrijk, Groot-Brittannië en ook België voerden een politiek van non-interventie. De Spaanse Basken, verenigd in de drie provincies Bizkaia, Araba en Gipuzkoa, hadden zich het liefst van de hele ellende niets aangetrokken. Ze beschouwden zich als een eigen volk, met een eigen taal, eerbiedwaardige tradities en een specifieke geografie - groene weiden, vruchtbare akkers en beboste bergen. IJzer en staal, banken, haveninfrastructuur en visserij hadden hen meer welvaart gebracht dan de rest van Spanje. Net zoals Catalonië had Baskenland uitstekende troeven om een kleine, moderne staat te worden. Alleen, de autonomie die ze daarvoor nodig dachten te hebben, was hen tot dan toe geweigerd. De dominerende politieke machtsfactor was de PNV, de partij van de Baskische nationalisten, die zich katholiek en conservatief opstelde. Bij het begin van de burgeroorlog kozen ze niettemin voor een alliantie met het republikeinse kamp, en kregen uiteindelijk hun autonomie toegezegd. Jose Antonio Aguirre y Lecube werd onder de legendarische eik van Guernica ingezworen als de eerste president van een autonoom Euskadi. De deal over de onafhankelijkheid komt redelijk opportunistisch over, en wordt tot vandaag in kringen met nationalistische sympathieën ontkend. 'De PNV, de Baskische socialisten en de autoriteiten bleven uit loyauteit en uit vrees om in de chaos te belanden, trouw aan de republiek', zo bezweert ons de Raadgever (81), een anonieme bron met een directe familiale band in de toenmalige Baskische administratie. De Raadgever: 'De Spaanse burgeroorlog was een oorlog tussen Spanjaarden, waarmee wij als Basken niets te maken hadden. Hij was het product van een nefaste geschiedenis binnen de Spaans-nationalistische samenleving met al haar vormen van despotisme, absolutisme, antagonisme, fanatisme, klerikalisme en antiklerikalisme, rechts en links 'op zijn Spaans'. Het begon met de Reyes Catolicos en wij Basken werden in dat Spaans 'gedoe' definitief ingelijfd in 1839 en 1876'. Hoe dan ook, president Aguirre moest de realisatie van het eerste autonome Euskadi duur betalen. Niet alleen de demagogische monarchist Calvo Sotelo zag Spanje nog liever 'roja' (rood) dan 'rota' (kapot). Het fiere Bilbao werd in 1937 bij herhaling onnodig zwaar gebombardeerd - door Franco's troepen en door het Duitse Condor-legioen. Het kleine Guernica werd op 26 april van hetzelfde jaar puur om zijn symboolwaarde voor de Basken door de vliegtuigen van het Condor Legioen terug naar het stenen tijdperk gebombardeerd. En intussen riep Aguirre zich uit tot opperbevelhebber van het leger in Euskadi, 'alsof het om een onafhankelijk leger van een onafhankelijke staat ging' (Hugh Thomas). In dit hallucinante klimaat besloten de Basken tot een van de grootste kinderexodussen van de twintigste eeuw. Tussen maart en oktober 1937 verscheepten ze zo'n 32.000 kinderen naar Groot-Brittannië, Frankrijk, België en Rusland, ofwel een vijfde van de bevolking in de leeftijdscategorie tussen vijf en veertien jaar. De geschiedenis van de meer dan drieduizend kinderen die in België belandden, is gedocumenteerd in de licentiaatsthesis van Sarah Eloy aan de Universiteit Gent (2005) en in het standaardwerk van Jesus Alonso Caballes, 1937 Los ninos vascos evacuados a Francia y Belgica: historia y memoria de un exodo infantil (1998). Het transport naar België gebeurde over zee tot in Zuid-Frankrijk, vanwaar het per trein verder ging naar ons land. Voor de opvang hier stonden vooral de twee grote ideologische zuilen in. De Belgische Werkliedenpartij (BWP) onder impuls van de Socialistische Vooruitziende Vrouwen had met steun van het Rode Kruis het Nationaal Comité voor de Huisvesting der Spaanse Kinderen opgezet. En kardinaal Jozef Van Roey patroneerde het Baskisch Kinderwerk van de katholieke organisaties. Historica Hanne Hellemans, onderduikadressen van Joodse burgers in België tijdens WO II navorsend, achterhaalde dat het Mechelse clandestiene netwerk van René Ceuppens, secretaris van de kardinaal, nog grotendeels hetzelfde was als het netwerk dat voor de Basken was opgezet.. Beschikkend over pensionaten, kloosters en colleges hoefde het Baskisch Kinderwerk geen broers of zussen te scheiden. Het evacuatiecomité in Baskenland liet aan de ouders de vrije keuze. Maar in de verwarring van het moment belandden niet alle kinderen op de juiste boot. Sommigen voeren per vergissing richting Rusland, alleen de droombestemming van de meest linksgezinde Basken. Pas als volwassenen konden ze de communistische staat weer verlaten. Zelfs in België liep het pad van de opgevangen kinderen niet altijd over rozen. Veel arbeidersgezinnen die zich hadden aangeboden bij het Nationaal Comité, konden zich slechts één pleegkind permitteren, zodat broers of zussen niet samen konden blijven. Dat was onder meer het geval voor Angel Mugica Gonzalez (75). Hij droeg een nummer op zijn borst toen hij met een lading andere kinderen in het Gentse feestlokaal Vooruit aan de pleegouders toegewezen werd, en van zijn broertje Manuel gescheiden. Een tijd lang was hij volstrekt onhandelbaar omdat het hem niet eens vergund was om zijn broertje te bezoeken. Twee jaar duurde het eer hij erachter kwam waar Manuel verbleef: twee straten verder. En aldoor hoorde hij de stem van zijn vader, toen hij hem voor het laatst zag, op de kade in Bilbao: 'Jullie moeten altijd samenblijven.' Veel later pas vernam Angel dat zijn vader, kapitein in het republikeinse leger, in Franco's gevangenis zat. In 1949 werd hij vrijgelaten en stierf twee maanden later. Officiële doodsoorzaak: 'zonnesteek'. Angel vertelt niet zelf zijn verhaal, dat doen zijn zoon Manuel en zijn vrouw Jacqueline van Overbeek in zijn plaats. Angel is in de war geraakt, en op een dag begon hij zijn kostbare fotoarchief te versnipperen. 'Ik heb toch alles dubbel', had hij gezegd. Het visserssloepje dat hem in juni 1937 in de haven van Bilbao oppikte, wachtte op de grens van de Spaanse territoriale wateren een hoge golf af om hem in handen van de matrozen op een Brits schip te tillen. Daarbij viel het rieten mandje met zijn reservekleren in zee. Dat was niets vergeleken met wat hij al doorstaan had: een schot in de bil, een schram in het hoofd bij gevechten in zijn woonplaats San Sebastian, de barre voettocht naar het huis van zijn oom in Bilbao, waar ze hem op een dag van onder het puin moesten halen. Zijn Gentse pleegvader, een kapper, leidde hem op in het vak. Angel nam deel aan internationale wedstrijden. Hij leerde Gents en mocht niet naar de Spaanse les. Ook Esther Arocena kwam via het socialistische Nationaal Comité bij een pleeggezin terecht. De Nederlander Alex Eekman, groothandelaar in Engelse wol en overtuigd communist, had zes kinderen en nam er acht kleine Basken bij, in zijn villa in Schaarbeek. Ze converseerden met elkaar in het Spaans, want Eekman had zijn eigen kinderen die taal doen leren. 'Al bij al een zorgeloze tijd', herinnert Esther zich. Studeren, sporten, musiceren. Ze vormden het ensemble Grupo Iberia, dat optrad ten voordele van de republikeinse vluchtelingen. Toen ze een optreden in 1939 bij de nationale radio afsloten met de boodschap: 'Wij bedanken het Belgische volk... maar we willen niet naar het Spanje van Franco terugkeren!', werd hun microfoon afgesneden. Al onmiddellijk na de verovering van heel Noord-Spanje in oktober 1937 had Franco er alles aan gedaan om de 'gestolen' kinderen terug te krijgen. Het katholieke netwerk in België gaf toen namenlijsten vrij die in de plaatselijke kranten in Baskenland gepubliceerd werden. 185 kinderen werden toen door hun ouders opgevraagd en terugbezorgd. Na de burgeroorlog keerden 2900 Baskische kinderen naar hun land terug om er met opgestoken arm in de schoolbanken 'Arriba Espana, Una, Grande y Libre!' op te dreunen. De meesten van de tweehonderd blijvers vroegen en kregen de Belgische nationaliteit. Angel Mugica bleef, net zoals de Raadgever. Esther Arocena kreeg een nieuwe pleegmoeder, nadat Alex Eekman door de Duitse bezetter naar het concentratiekamp van Mauthausen en zijn vrouw ('Moeke') Jo Eekman naar dat van Ravensbrück was gestuurd. Alex keerde nooit terug. In 1987, bij de vijftigste verjaardag van de kinderexodus, verraste Manuel Mugica zijn vader met de oprichting van de vereniging Los ninos de la Guerra, die de Baskische migranten van toen met succes opnieuw samenbracht. Op de groepsfoto aan de Achtersikkel bij het Gentse conservatorium - dezelfde plaats als op de foto van 1937 - stonden ze met zo'n honderd man. Als ze nu hun jaarlijkse bijeenkomst houden, zijn ze nog hooguit met zestig. Maar Manuel houdt er het vuur in. De geschiedenis van zijn vader is ook zijn geschiedenis. En van de recente golf vluchtelingen uit Bosnië hoorde hij verhalen die hem vertrouwd in de oren klonken. In het archief van zijn vader vond hij Baskische liederen die door componist Dick van der Harst in een muzikaal project zullen worden ingepast. Onze getuigen zien er geen been in om zich als goede Belgen toch 'rasechte Basken' te blijven voelen. Al spreken ze dan geen woord Baskisch. In het Franco-tijdperk werd de Baskische taal natuurlijk onderdrukt, en de massale migratie van inwijkelingen uit andere delen van Spanje naar het welvarende Baskenland bevorderde het gebruik van het Baskisch al evenmin. Het lijkt vreemd genoeg de taal van de jeugd, nu de Baskische Autonome Gemeenschap de eigen taal als de officiële hanteert, naast het Spaans. Het nationalisme mag zijn engste raciale trekjes (huwelijken met niet-Basken waren onbehoorlijk) kwijtgespeeld hebben, de grote voetbalvereniging Athletic Club de Bilbao rekruteert nog altijd alleen uit eigen volk. 'En ze eindigen altijd bij de eerste vijf', zegt Esthers Brusselse echtgenoot. Hij rekent dit seizoen kennelijk niet mee.JAN BRAET