Uiteindelijk had een betere formulering in het eindverslag van de Commissie-Dutroux veel politieke opschudding kunnen vermijden.

In het verroeste gebouw van het hof van justitie van de Europese Gemeenschappen op de Kirchberg, ten noordoosten van Luxemburg-stad, stonden vorige week de kartonnen dozen al klaar om de spullen van de Belgische rechter Melchior Wathelet in te pakken. Niet omwille van de stemming op woensdag 7 mei in het Belgisch parlement, naar aanleiding waarvan de regering het mandaat van gewezen justitieminister Wathelet (PSC) als rechter bij het Europees hof misschien op de helling zou moeten zetten. Neen. Le juge Wathelet moet zijn spullen pakken omdat hij, net zoals de andere leden van het hof en hun gevolg, verhuist naar lager gelegen kantoren. Het oude gebouw wordt immers asbestvrij gemaakt.

En hier wordt niet verwacht tot de vertegenwoordigers van de vijftien lidstaten van de Unie, weldra in ministerraad bijeen, het mandaat van de Belgische rechter Wathelet niet zouden verlengen met zes jaar. De Belgische regering heeft dit trouwens reeds midden februari voorgesteld : twee maanden dus voor de eindconclusies van de Commissie-Dutroux. Nochtans zijn de werkzaamheden van de Belgische parlementaire onderzoekscommissie ook hier niet ongemerkt voorbijgegaan. Deels omdat magistraten altijd met argusogen toezien als een rechterlijke macht door een parlement of een regering gekapiteld wordt. Deels omdat le juge Wathelet sinds september vorig jaar zijn collega’s en zeker voorzitter Gil Carlos Rodriguez Iglesias op de hoogte houdt van hetgeen hem, naar aanleiding van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de seriemisdadiger Marc Dutroux bij ministeriëel besluit van 6 april 1992 , als toenmalig minister van Justitie mogelijk kan verweten worden.

De meeste collega’s van Wathelet zijn echter door hun huidige, maar vooral door hun vroegere functies vertrouwd met de imponderabilia van de politiek. Want uiteindelijk worden de vijftien rechters en negen advocaten-generaal door de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie in onderlinge overeenstemming voor zes jaar politiek benoemd en mogelijk nog één keer herbenoemd. Zo is Melchior Wathelet in september 1995 als minister van Defensie in Brussel opgestapt om zijn vroegere professor Europees recht aan de universiteit van Luik en politiek beschermeling René Joliet, bij diens overlijden als rechter in het hof te vervangen.

EEN INCOHERENTIE

Gelijkaardige stappen hebben er wel meer gezet. De Italiaanse rechter Antonio La Pergola is eveneens minister geweest. De Ierse rechter John Murray was zelfs minister van Justitie en Wathelets collega toen deze weigerde Patrick Ryan aan de regering- Thatcher in Londen uit te leveren en naar de Ierse Republiek liet terugkeren. De Portugese rechter José-Carlos Moitinho en de Franse advocaat-generaal Philippe Léger waren destijds kabinetschef van hun respectieve ministers van Justitie. De Franse rechter Jean-Pierre Puissochet stond voordien aan het hoofd van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De Zweedse rechter Hans Ragnelman was ’s lands ombudsman.

Het werk van de magistraten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is vooral groepswerk. Niet alleen onderling, maar vooral met hun respectieve medewerkers. Zo heeft Wathelet drie referendarissen. De ene heeft overigens wijlen professor Joliet aan de Luikse universiteit opgevolgd. De andere werkte vroeger bij het befaamde Brusselse advocatenkantoor De Bandt-Van Hecke-Lagae. Beiden kregen onlangs nog versterking van een Franse juriste. Ook dit hof krijgt immers almaar meer dossiers te verwerken.

In 1996 heeft het in 294 zaken getrancheerd, waarvan 31 arresten en ordonnantiën de Belgische staat of Belgische onderdanen aanbelangen. In hetzelfde jaar werden 49 zaken met een Belgische inslag ingeleid. Rechter Wathelet heeft zich al enkele keren moeten onthouden omdat hij destijds als minister betrokken was bij bepaalde regeringsbeslissingen die nu voor het hof aangevochten worden. Maar dit is hier de normale gang van zaken. Precies omwille van dit soort elementair formalisme waarmee een rechtszaak dient behandeld te worden, zijn ook op de Kirchberg vragen gerezen over de manier waarop de Commisie-Dutroux en het Belgisch parlement Wathelet aanpakten.

Premier Jean-Luc Dehaene (CVP) mag dan nog vorige week woensdag de rooms-rode regeringsmeerderheid doen aanvaarden hebben dat ?het intrekken van de voordracht van Wathelet als rechter in het hof van justitie van de Europese Gemeenschappen manifest buiten verhouding zou staan tot de in het verslag vermelde verantwoordelijkheid?, zoals hij dit al dagen tevoren duidelijk stelde. Dit neemt niet weg dat de stemming van 7 mei, waardoor de regering Melchior Wathelet nu officiëel kan ontzien, zowel in de onderzoekscommissie als in het parlement een wrange nasmaak laat. Hadden de parlementairen en de commissieleden hun eigen rapport aandachtiger geanalyseerd dan was alles wellicht anders verlopen.

Sinds commissievoorzitter Marc Verwilghen op 29 november 1996, onmiddellijk na Wathelets getuigenis in de onderzoekscommissie, voor de camera’s verklaarde dat de toenmalige minister ?niet persoonlijk maar politiek verantwoordelijk? was, zijn voorzitter en commissie herhaaldelijk met zichzelf in tegenspraak gekomen. De passage omtrent Wathelets verantwoordelijkheid op pagina 150 van het commissieverslag zegt dan ook veel meer dan er te lezen staat. Die paragraaf luidt als volgt : ?Bijgevolg onderstreept de commissie dat, zelfs indien het erop lijkt dat de dossiers met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van M. Martin en M. Dutroux op de gebruikelijke wijze werden voorbereid, in elk geval moet vastgesteld worden dat de opvolging ervan totaal te wensen overlaat. De commissie is dan ook van oordeel dat de verantwoordelijkheid van de toenmalige minister van Justitie, de heer Wathelet, in aanmerking te nemen valt.?

DE RECHTE LIJN

In het hoofdstuk over de individuele tekortkomingen wordt Wathelet dus niet verantwoordelijk geacht voor de voorwaardelijke invrijheidstelling van dit seksueel geperverteerd koppel dat reeds in 1985 recidiveerde. Martin, Dutroux en hun (intussen overleden) handlanger namen dat jaar vijf opeenvolgende ontvoeringen van meisjes van elf tot achtien voor hun rekening, die zij nadien uitkleedden, mishandelden, herhaaldelijk verkrachten en (toen nog) vrijuit lieten gaan. Hoe dan ook, justitieminister Wathelet stond de voorwaardelijke invrijheidstelling van Martin en Dutroux, respectievelijk begin augustus 1991 en begin april 1992, eigenmachtig toe. Maar daarvoor acht de parlementaire onderzoekscommissie hem niet verantwoordelijk. Het eindverslag acht Wathelet wel individueel verantwoordelijk voor de ontoereikende psychosociale begeleiding van Martin en Dutroux. En dit, hoewel de onderzoekscommissie het daar tijdens haar werkzaamheden nauwelijks over had en de commissie de betrokken neuropsychiater en sociaal assistenten zelfs niet hoorde en Wathelet daarover amper ondervroeg.

Aanvankelijk wou de onderzoekscommissie hem immers niet daarop pakken maar hem individueel en politiek verantwoordelijk stellen voor de wijze waarop hij de voorwaardelijke invrijheidstelling van Dutroux bij ministerizel besluit van 6 april 1992 toestond. Het spoor van deze redenering is terug te vinden op pagina 143 van het commissieverslag.

Na het onderzoek van de Gentse professor Brice De Ruyver, een van de externe deskundigen van de onderzoekscommissie, wordt in het commissieverslag het volgende opgemerkt :

– Het advies van de bestuurscommissie was meer dan een stereotiep, negatief advies. Het advies ging uit van de overweging dat Dutroux de feiten steeds was blijven ontkennen. Bovendien tilde men aan het gedrag en de houding van Dutroux gedurende zijn detentie, wat ook gestaafd werd door de rapporten die daarover waren opgesteld. Het advies werd genomen met 6 stemmen tegen 1.

– Er werd niet ingegaan op de extreem negatieve persoonlijkheidsschets door de directeur van de gevangenis van Bergen en op de negatieve argumenten die procureur-generaal Demanet had ontwikkeld. Dit vormt een negatie van de ministeriële omzendbrief van 14 mei 1981 die het criterium van de negatieve selectie vooropstelt : Een voorstel tot invrijheidstelling is afhankelijk van de afwezigheid van individuele noch sociale kenmerken die ernstig voorbehoud eisen of belangrijke tegenaanwijzingen vormen voor de maatschappelijke werderinpassing van de veroordeelde.

Aldus het commissieverslag. Zij het met een citaat uit de circulaire van 30 december 1981. In die van 14 mei 1981 vermeldt toenmalig justitieminister Philippe Moureaux (PS) slechts dat de gedetineerden, bij hun voorwaardelijke invrijheidstelling, ?voldoende vooruitzichten (moeten) hebben op maatschappelijke wederinpassing.? Zijn circulaire van 20 mei 1981 is al iets explecieter. Moureaux vestigt er de aandacht op dat er, bij de beoordeling van de invrijheidsstellingscriteria, ?voor alle veroordeelden slechts een negatieve selectie kan gehanteerd worden, d.w.z. dat er bij het bereiken van de tijdsvoorwaarden tegen de invrijheidstelling geen tegenaanwijzingen aanwezig zijn. Die tegenaanwijzingen zijn te zoeken op het vlak van de diverse facetten van de wederinpassing (…) en betreffen meer bepaald de aard van de persoonlijkheid van de betrokkene, zijn bewustwording van zijn verantwoordelijkheden (…).?

DE BOCHT

Hoewel professor De Ruyver deze nochtans glasheldere teksten eind maart 1997 niet aanvoerde, was het meerdere commissieleden duidelijk dat Wathelet gezien de toon van de rapporten over Dutroux dus wel degelijk individueel verantwoordelijk zou kunnen gesteld worden voor de voorwaardelijke invrijheidstelling. Verslaggever Renaat Landuyt (SP), die het dossier van Dutroux’ voorwaardelijke invrijheidstelling eerder door zijn advocatenbril had bekeken, oordeelde daarentegen dat Wathelet een logische beslissing genomen had en plaatste hem dus niet bij de individueel verantwoordelijken.

Met het advies van de andere expert, professor Françoise Tulckens (UC Louvain), kon de commissie dan weer alle kanten uit. Ze schreef een prachtig betoog over de politieke verantwoordelijkheid, met verwijzingen naar de parlementaire afhandeling van het Heizeldrama, maar vroeg zich af wie politiek verantwoordelijk kan gesteld worden als de geviseerde minister er niet meer is. Ze pleitte bovendien voor een strikt onderscheid tussen burgerlijke, strafrechtelijke en politieke verantwoordelijkheden. Kortom, zowel Wathelet als zijn opvolger Stefaan De Clerck (CVP) konden ongemoeid blijven.

Op donderdag 10 april, toen voorzitter Verwilghen en de verslaggevers Landuyt en Nathalie de T’Serclaes (CVP) de individueel verantwoordelijken op een rij zetten, stond Wathelet nog altijd in die rij : omwille van de bezwaren die De Ruyver over de voorwaardelijke invrijheidstelling van Dutroux had geformuleerd. Verslaggever Landuyt bleef echter bij zijn standpunt en werd geleidelijk bijgetreden door andere commissieleden. En toch bleef de individuele verantwoordelijkheid van Wathelet en de desbetreffende passage op maandag 14 april, bij de eindredactie van het commissieverslag in de late namiddag, nog steeds ter discussie staan.

Uiteindelijk werden de bezwaren van professor De Ruyver terzijde geschoven, maar werd Wathelets individuele verantwoordelijkheid verlegd : van Dutroux’ voorwaardelijke invrijheidstelling naar de psychosociale ?opvolging ervan/ leur suivi?. Daaromtrent waren de bezwaren echter minder goed onderbouwd en in de commissie nauwelijks besproken. Verwilghen, die Wathelet al onmiddellijk na diens getuigenis ?niet persoonlijk maar politiek? verantwoordelijk had genoemd, kreeg zo toch enigszins zijn zin. Landuyt ook. De T’Serclaes hield zich gedeisd. Terwijl Tony Van Parys (CVP) duidelijk twee vliegen in één klap trof. Met de nu geamputeerde én dubbelzinnige formulering kon niet alleen Wathelet maar ook zijn opvolger, justitieminister De Clerck, getackeld worden. Want De Clerck zou sinds 23 juni 1995 op zijn beurt verantwoordelijk zijn voor de zogeheten suivi van Martin en Dutroux.

Al meldde de sociaal assistente in haar rapport de guidance sociale aan het Bestuur der Strafinrichtingen van Justitie dat Dutroux zich strikt aan de voorwaarden van zijn invrijheidstelling hield, zijn vroegere slachtoffers regelmatig vergoedde en maandelijks bij de Brusselse neuropsychiater Dumont op bezoek ging. Zoals ook haar voorgangers deden, liet de sociaal assistente na haar gesprekken met Dutroux op 20 juli en 30 november 1995 wel opmerken dat het nog steeds even moeilijk was ?de se faire une opinion de celui-ci?. De werkoverlast maakte een gedetailleerder verslag echter onmogelijk. Gelukkig voor haar misschien want intussen waren Dutroux en Martin opnieuw aan de slag.

Frank De Moor

In het Europees hof in Luxemburg werd niet verwacht dat de Belgische regering het mandaat van rechter Wathelet (midden in beeld) voortijdig zou opschorten.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content