Ik heb Tom Lanoye altijd een toneelauteur gevonden. Of hijnu monologen, dialogen of wat dan ook bij elkaar loog, zijn optreden is altijd een voorstelling. Hij denkt als een auteur en spreekt als een acteur. Dat ligt aan zijn afkomst. De buurtwinkel van zijn ouders was zijn eerste theater. De winkeltoog van de slagerij is zijn altaar geworden, zijn kansel, zijn barricade.
...

Ik heb Tom Lanoye altijd een toneelauteur gevonden. Of hijnu monologen, dialogen of wat dan ook bij elkaar loog, zijn optreden is altijd een voorstelling. Hij denkt als een auteur en spreekt als een acteur. Dat ligt aan zijn afkomst. De buurtwinkel van zijn ouders was zijn eerste theater. De winkeltoog van de slagerij is zijn altaar geworden, zijn kansel, zijn barricade. Mijn lievelingsstuk is Mamma Medea uit 2001, een zeer vrije bewerking van Medea van de Griekse tragedieschrijver Euripides. Lanoye toont in zijn bewerking aan dat een familiedrama altijd eindigt met de kinderen als slachtoffers. Er gaat geen dag voorbij of je ziet een schokkend verhaal in het televisiejournaal, waarin 'onze collega ter plaatse' de buren interviewt (met onderschriften). Familiedrama's zijn kaskrakers. Euripides had één schuldige, de moeder, maar Lanoye maakte een andere keuze. Bij familiedrama's is echtelijke ontrouw vaak de aanleiding tot de misdaad. Hoe meer details daarover in de pers verschijnen, hoe sneller de misdaad verschuift van de bedrogene naar de bedrieger. Advocaten grijpen die mening vaak aan om van de misdadiger het grote slachtoffer te maken. Lanoye is niet in die val getrapt. Wraak is nooit terecht. Zowel de vader als de moeder is schuldig. Want wie het bloed van verwanten vergiet, of hij nu de aanleiding gaf tot de misdaad of ze zelf pleegde, draagt een smet die onuitwisbaar is. [uit het huis klinkt een schot; gevolgd door het huilen van één kind; lange stilte] Medea: [op met revolver die ze Jason voor de voeten werpt] Uw eerstgeborene is ook het eerst Gegaan. Aan u om later aan uw tweede Te melden waar hij zijn bestaan aan dankt: Uw sympathie voor een patiënte, die Gelijk zijn broer, het af heeft moeten leggen Tegen een blonde rijke jonge hoer. Jason: [grijpt de revolver] Denk je nu echt dat jij mij kent? Na al die jaren? Zielenpoot! Denk jij dat echt? Jij kent míj? Oh ja? Jij ként mij? [Af, het huis in] [een schot; het huilen stopt; opnieuw een schot; lange stilte; dan nog een schot, en nog één, en nog één, tot alleen het klikken hoorbaar is van een lege revolver] Van Komieken via Ten Oorlog en Mefisto for ever tot Atropa. De wraak van de vrede is Lanoye een jongleur op een strak gespannen koord. Elke claus is een evenwichtsoefening en de ene claus houdt de andere in evenwicht, waarna de derde een schop onder de kont van de vierde geeft zodat hij zang, dans, acrobatie, bekkengetrek en pantomime bliksemsnel moet combineren om niet van de koord te tuimelen, waarna alles weer opnieuw begint, maar als variatie op een thema. Het magische aan Lanoyes taal is niet alleen dat ze begrijpelijk is voor de toneelfanaat, maar ook voor de nobele volksmens. Al mengt hij twee varianten van het Nederlands. Het kurkdroge prozaïsche Hollands voor de man, tegen het barokke, poëtische Vlaams voor de vrouw. Elke claus kan worden geïnterpreteerd naar de belangenwereld van de lezer/kijker, zodat hij loskomt van het stuk. Mijn wereld is de literaire. Daarom trof mij als een dolksteek in het hart de laatste claus van Deel II in zijn nieuwste stuk, Atropa. De wraak van de vrede: Agamemnon, [op; geëmotioneerd, bedrukt] U allen, die in onze legers diende - / Droeg een parool van hoop uit. Een aloud parool / Dat eeuwig nieuw is en door onze voorouders / In deze vrome woorden al gekoesterd werd: 'Aan de geketenden: kom, treedt naar buiten. En / Aan wie in duisternis moet leven: weest bevrijd.' [af] Als Tom Lanoye, de Vlaamse Shakespeare, dezelfde weg blijft volgen, wordt hij een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur. Ik voel het, met mijn instinct en mijn verstand. Want hij volgt het spoor van Henrik Ibsen, Anton Tsjechov, Georg Büchner, August Strindberg en Harold Pinter.