Dat Alain Grootaers vorige week op de keien is gezet, tekent de omslag in de mediahausse van het voorbije jaar. Toen kwamen nieuwe bladen op de markt als Ché, Menzo, Bonanza, de vernieuwde Teek, de gratis Metro, Grande, Evita, dat tevoren anders heette, de paranoiajournalistiek van MaoMagazine, of Lola, bedoeld voor de jonge carrièrevrouw.
...

Dat Alain Grootaers vorige week op de keien is gezet, tekent de omslag in de mediahausse van het voorbije jaar. Toen kwamen nieuwe bladen op de markt als Ché, Menzo, Bonanza, de vernieuwde Teek, de gratis Metro, Grande, Evita, dat tevoren anders heette, de paranoiajournalistiek van MaoMagazine, of Lola, bedoeld voor de jonge carrièrevrouw. Het is in de perswereld een bekend adagium: wie het gat in de markt zoekt, valt er zelf in. Want hebben wij wel de tijd om al die boekskes te lezen? Zeker als ook nog Vitaya en Jim-TV of internet beslag komen leggen op onze tijd en aandacht. Terwijl we van ons geloof competitief moeten blijven en presteren, zodat onthaasting iets is dat wij alleen maar kennen van horen zeggen. En omdat het met de nieuwe man nogal tegenvalt, moet Lola ook nog eens koken en strijken. Ondertussen verslapt de economie, stijgt de papierprijs en blijken wij, drukdrukdruk, niet de tijd te hebben om die nieuwe bladen in huis te halen, laat staan om ze te lezen. Want minstens de helft ervan scoort onder de verwachtingen en hapt naar adem. En daar ging Grootaers. Hij maakte zich een reputatie als wonderboy toen hij P-magazine uit de grond stampte, als opvolger van Panorama, dat werd opgedoekt omdat uitgever Mediaxis er geen brood meer in zag. Ja, heette het toen, niet moeilijk, als men het beleg op dat brood er zó dik op wilde zien liggen, als het management de opbrengsten van het blad opeiste voor zijn somptueuze salarissen, BMW's en andere perks op kosten van de zaak. Het succes van P-magazine en zusterblad Ché leek te bewijzen dat tijdschriften het inderdaad zonder al die andere dure overhead kunnen stellen. Het was eens iets anders. Niet de modale werknemer bleek een ondraaglijke kostenfactor, zoals het hedendaagse vrijemarktgeloof beweert, maar de managementskost maakte het verschil tussen winst en verlies. In die sfeer werden veel van die bladen gemaakt, toch bij Grootaers' Vrije Pers: met de intuïtie van jongens onder elkaar, lads die het blaadje maakten dat ze graag zelf hadden gelezen. Ze zijn gesteld op een wat vettige, maar uiteindelijk toch brave humor, en op babes, sigaren en drank, dat laatste om de creativiteit aan te scherpen. Met geregeld een feestje in een danstempel, met Joyce en Phaedra en Brigitta en Véronique, want het leven is mooi en boys will be boys. Tot De Vrije Pers uit zijn kleren groeide en geld ging zoeken bij lui die het om het even is of ze nu beleggen in vastgoed of in media. Als het maar opbrengt. Alweer bazen dus, en die ontslaan personeel als hun investering niet genoeg opbrengt. Toch is hier meer aan de hand dan alleen de tragische ironie van een vrije markt die aardige jongens hun dromen niet gunt. Het bedenken van een format voor een niche in de markt gaat immers nog altijd sneller dan het realiseren ervan, bladzijde na bladzijde, week na week. Tijd, talent en aandacht moeten van twee kanten komen, niet alleen van de kopers die dat allemaal moeten lezen, maar ook van de journalisten die dat allemaal moeten volschrijven. Marc Reynebeau