De Troubadours van Dubrovnik. Kent u die kerels nog? Eurovisiesongfestival 1968 in de Royal Albert Hall in Londen. Voor het eerst in kleur! Winnares was de Spaanse Massiel, met een nummer waarvan vooral de tekst tot de verbeelding sprak: La la la.
...

De Troubadours van Dubrovnik. Kent u die kerels nog? Eurovisiesongfestival 1968 in de Royal Albert Hall in Londen. Voor het eerst in kleur! Winnares was de Spaanse Massiel, met een nummer waarvan vooral de tekst tot de verbeelding sprak: La la la. Er bestaat een vereniging, uiteraard in Engeland, die alle mogelijke statistieken van het Eurovisiesongfestival bijhoudt. En die heeft nagerekend dat op het festival nooit een lied is gezongen waarin het woord 'la' zo vaak voorkwam als in La la la van Massiel. Honderdachtendertig keer. We kunnen niet beweren dat de tekstschrijver, Ramon Arusa, zich bijzonder moe heeft gemaakt. En dan waren er mensen die spraken over Louis Neefs en Phil Van Cauwenbergh met hun wowo. ('Wowo ik heb zorgen (tris), en dat verveelt me zo, wowo, wowo.') Het sterkste van al was dat Massiel eigenlijk niet geselecteerd was voor Londen. De Spaanse preselectie was namelijk gewonnen door Juan Manuel Serrat, een pipo die alleen in het Catalaans wou zingen en weigerde om zijn nummer te vertalen in het Spaans, wat toen nog door het reglement geëist werd. En dus werd Massiel in zijn plaats gestuurd en keek hij niet weinig op zijn Catalaanse neus toen ze nog won ook. Zal hen leren, die volksnationalisten. Willy Kuijpers zou ook zoiets durven uithalen. Nu we toch bezig zijn over mei '68: Cliff Richard was tot zijn grote woede pas tweede met Congratulations. En Isabelle Aubret, met pijpenkrullen, was derde met La Source. De Troubadours, de Dubrovacki Tribaduri, eindigden zevende. Want hoewel hun vrolijke deuntje nadien een wereldhit werd en ongetwijfeld nog fris in uw geheugen heen en weer kwettert, was het op het festival zelf allesbehalve een voltreffer. Ze eindigden zelfs ex-aequo met België. Een harp voor wie nog weet wie in 1968 ons land vertegenwoordigde, en Andréke Vermeulen mag niet meedoen. Claude Lombard! Geef toe dat u dat niet meer wist. Een vrouwtje, om het met prins Filip te zeggen, want bij de naam Claude Lombard denken we automatisch aan een rondbuikige bariton met vette zwarte haren die tegen zijn schedeldak plakken. En dat was Claude allerminst. Haar liedje heette: Quand tu reviendras. Met een vraagteken. In feite moest dat zijn: 'Quand reviendras-tu?', maar dat rijmde niet op 'un oiseau me dira' en 'mon amour t'attendra'. Karel Gott, die vorige maand bijna tot president van Tsjechië werd verkozen, eindigde op datzelfde Songfestival van 1968 pas dertiende voor Oostenrijk. Met het nummer Tausend Fenster, wat in het Nederlands 'Duizend Vensters' betekent. Voor Finland, als we u vervelen moet u het zeggen, bracht Kristina Hautala toen Kun kello käy, maar dat is nadien geen grote hit geworden. En o ja, Ronnie Tober was voor Holland laatste. Wij hebben nog plezier als wij eraan terugdenken. Eén punt. Wat nu volgt, is in Knack nooit gepubliceerd, ook niet in de reportages van Frans Vuga, onze chef-ex-Joegoslavië en tevens ex-chef-Joegoslavië: een passage in het Servo-Kroatisch. Let op. Jedan dan, samo jedan dan Onaj pravi presudan èudan dan.Jedan dan, samo jedan danPa da bude sav ûivot radostan.Dat zongen ze, de Troubadours. En wat wil dat nu zeggen? Behalve hier en daar een paar geïmmigreerde voetballers, die toevallig dan nog Knack zouden lezen, zullen niet velen van u op deze vraag kunnen antwoorden. Servo-Kroa- tisch woordenboekje gepakt (bureau Vuga, tweede la rechts) en volgende vertaling ineengeknutseld met, en dat mag een huzarenstukje heten, inachtname van het rijm. Voor de melodie moet u de 'één' wat rekken. Eén dag, enkel maar één dag Die echte beslissende prachtige dag. Eén dag, enkel maar één dag Dat het leven ge-lukkig wezen mag.'Dan' in het Servo-Kroatisch betekent 'dag', maar dat had u wellicht al begrepen. Rik Van Cauwelaert, onze directeur-hoofdredacteur, schenkt persoonlijk een miljard (!) aan de eerste lezer die de namen van de twee Troubadours van Dubrovnik naar hem doorbelt. Een tip: kijk aandachtig naar de 'streamer' en de foto-onderschriften bij dit artikel. Jammer dat de match van komende zaterdag niet in Dubrovnik gespeeld wordt, maar in Zagreb. Anders had bovenstaande inleiding enige zin gehad. Nu slaat ze nergens op, behalve dat het zaterdag ook enkel maar één dag is, waarop het leven ge-lukkig wezen mag. De vraag is alleen: voor wie? Er wordt om halfzeven afgetrapt in het Maksimirstadion. 'De hel van Zagreb', zullen de kranten weer schrijven, maar dat is flauwekul. Dat cliché wordt ook telkens uit de kast gehaald als een Belgische ploeg naar het Ali Sami Yenstadion van Istanbul moet, de thuishaven van Galatasaray waar soms ook de Turkse nationale ploeg aantreedt. 'De hel van Ali Sami Yen', luidt het dan in grote koppen. Terwijl er maar één ploeg altijd weer last heeft om in Ali Sami Yen te winnen: de thuisploeg. Zelfs indien het in Zagreb inderdaad een hel zou zijn, wat dan nog? Is de hel niet waar Duivels 'chez eux' zijn? Aha. En hebben wij misschien geen wereldploeg? Zeker wel. Anders hebt u de kranten niet goed gelezen na de oefenmatch in Algerije half februari (1-3). Na het WK in Japan heette het nog dat de opvolging van de generatie Wilmots-Verheyen niet voorhanden was. En na de nederlaag in de eerste EK-kwalificatiematch tegen het uitgekookte Bulgarije eiste François Colin in De Standaard zelfs dat ondergetekende zijn perskaart zou inleveren. En dat was nog vóór wij over de Troubadours van Dubrovnik schreven. Wij hadden namelijk tegen alle zwartkijkers in volgehouden dat het Belgische voetbal er zo slecht niet voor stond als alom werd beweerd, en volgens de Çois hoorde zoveel naïviteit niet thuis in een ernstig vak als de sportjournalistiek. Nu de kop in zijn eigen krant na Algerije-België van midden februari: 'België heeft goud in handen.' Dat artikel was wel niet van hem, en eigenlijk ging het om een citaat van Luc Nilis, maar dat maakt weinig verschil. Onze optimistische voorspelling was niet gebaseerd op veel kennis van voetbalzaken, maar wel op een lijst met uitslagen van de nationale jongerenploegen. En uitslagen zijn, zoals wij u inmiddels voldoende hebben ingepeperd, de nachtmerrie van elke sportjournalist. Ze spreken namelijk steevast alle theorieën en bevindingen tegen die hij vooraf met grote stelligheid op papier heeft gezet. En tenzij men zich daar geen snars van aantrekt, zoals uw dienaar, steekt dat. De neiging bestaat dan ook om te concluderen dat die uitslagen verkeerd zijn en de theorie juist. Vanuit dat gezichtspunt worden technisch directeur Michel Sablon en beloftencoach Jean-François De Sart door de kritische voetbaljournalisten net goed genoeg geacht om zo snel mogelijk te worden ontslagen. Doen alles verkeerd, die twee. En dit hoewel zwart op wit kan worden vastgesteld dat de prestaties van de jeugdploegen beter zijn dan ooit. Beter in elk geval dan ze waren onder de veelgeprezen ex-jeugdcoördinator Ariël Jacobs, huidig trainer van La Louvière. Het spijt ons voor Ariël, die een vakman is en een beschaafd mens, maar het is zo. Jean-François De Sart, de vroegere libero van Club Luik en Anderlecht, behaalt puike resultaten met al drie opeenvolgende lichtingen. Onvermijdelijk komen we nu terecht bij Thomas Buffel. Het immer terugkerende verwijt dat het onvermogen en het gebrek aan vakkennis van de beloftencoach moet aantonen. De Sart moest Buffel namelijk niet hebben in zijn selectie. Dat wekt verbazing en ongeloof, want de jonge West-Vlaming heeft zich inmiddels opgewerkt tot vaste waarde bij Feyenoord, wordt gegeerd door Bayern München, en wordt in de Belgische pers afgeschilderd als de wereldvoetballer die we zo lang hebben moeten missen. Het verwijt aan De Sart is op zichzelf terecht, daar valt niet naast te kijken. Maar als pro-Deoadvocaat willen wij toch opmerken dat Buffel een paar jaar geleden door Feyenoord was uitgeleend aan tweedeklasser Excelsior, waar hij zich wel onderscheidde, maar wie zich in de tweede klasse van Nederland niet kan onderscheiden, wordt beter pasteibakker. Ook Bart Van den Eede onderscheidde zich in de Nederlandse tweede klasse. Daarnaast heeft het niet opstellen van Buffel (De Sart vond dat hij onvoldoende meeverdedigde, en in die periode was dat ook zo) de Belgische beloftenploeg niet verhinderd om uitstekende resultaten neer te zetten. Met als kroon op het werk de kwalificatie voor de eindronde van het EK in Zwitserland, in de zomer van vorig jaar. Twee maanden later speelden de min-negentienjarigen de eindronde van hun EK in Noorwegen. Twee van de belangrijkste toernooien voor de jeugd, en het wegens zijn voorbeeldige jeugdwerking zo hooggeprezen Nederland ontbrak op beide. 'De taak van de beloftencoach is om goede spelers beter te maken, niet om wedstrijden te winnen', beslechtte Çois Colin de discussie. Dat er dus genoeg voetbaltalent in ons land ronddraaft, is uit de tabellen af te lezen. Het grote probleem van het Belgische voetbal is dat alle goede Belgische spelers in het buitenland acteren, of daar binnenkort heen zullen trekken. Timmy Simons en Wesley Sonck zijn voorlopig uitzonderingen, maar hoe lang kunnen zij weerstaan als een Europese topclub echt met groot geld komt aankloppen? En dus staat het clubvoetbal, met alle dramatische financiële problemen die het meezeult, er inderdaad niet te best voor. De manier waarop zowel Genk, Brugge als Anderlecht dit seizoen in de Europese bekerwedstrijden bij tijd en wijlen belachelijk werden gemaakt, was ontluisterend. Voor de nationale ploeg hoeft dat evenwel geen nadelige gevolgen te hebben. Toch was het pessimisme na het WK groot. Tijdens het WK trouwens ook, maar de uitslagen, altijd maar weer die uitslagen... Er was geen tussengeneratie voor de Rode Duivels, heette het plots. En onze jongeren werden vanzelfsprekend verkeerd begeleid. En volgens mannen die de nieuwe bondscoach Aimé An- thuenis al een kwaad hart toedroegen toen hij bij Anderlecht het ene succes na het andere behaalde, zou de Waaslander snel door de mand vallen met zijn conservatieve methodes en zijn defensieve tactiek. De nederlaag tegen de Bulgaren bevestigde, nee bewees, die stelling. Alle positivo's moesten hun perskaart inleveren. Colin, zelf bestuurslid van de Sportpersbond, heeft dat echt geschreven, wij verzinnen het niet. Gelukkig speelt Marc Degryse niet meer, want hij zou vandaag ofwel Marc Dezwarte ofwel Marc Dewitte heten. Een kleur tussenin bestaat niet meer, net als uit de politieke verslaggeving is de nuance ook uit de sportjournalistiek verdwenen. En zo heette het na Algerije-België ineens weer dat de Rode Duivels over een gouden generatie voor de komende zeven acht jaar beschikten. En over een offensieve driehoek Buffel-Sonck-Mpenza die de hele wereld ons mag benijden. Zullen we liever voorzichtig blijven? Als die driehoek inderdaad zo goed was, had België in Algerije niet gewonnen met 1-3, maar met 1-27. Het zootje dat Georges Leekens tussen de Algerijnse lijnen bijeen had gebracht, zou het nog moeilijk hebben tegen het elftal van Knack. De gouden driehoek kreeg binnen de zes minuten twee goals cadeau, één van de Algerijnse keeper en één van de Algerijnse libero, en voetbalde in de daaropvolgende 84 minuten vier open kansen bij elkaar, waarvan Emile Mpenza er eentje prachtig binnenprikte. Dat was niet slecht, maar toch ook niet van aard om een ervaren voetballiefhebber plots in euforie te brengen. Wachten we eerst de uitwedstrijden tegen Kroatië en Bulgarije af om conclusies te trekken. Emile Mpenza is per seizoen trouwens tien maanden gewond, met dat soort mannen ben je ook niet veel gebaat. En hij moet die Miss België's uit zijn hoofd en uit zijn Porsche zetten. Eerst Joke Van de Velde, nu weer Julie Taton die om hem heen fladdert. Dat is niet goed voor een voetballer. Voor een journalist ook niet, maar die lopen doorgaans minder gevaar. Laten we maar spreken van een zilveren driehoek, dat is al hoopvol genoeg. Met Simons, Van Buyten en Valgaeren voor het centrum van de verdediging, De Cock rechts en Van Damme of Van der Heyden links, staan we achteraan ook sterk genoeg, en aan fysiek sterke middenvelders genre Englebert, Thijs en Daerden hebben we geen gebrek. Voilà: de kwalificatie voor Portugal is in de zak. De Bulgaren laten nog wel ergens een punt liggen en zo niet, dan doen we het als altijd maar via de barragematch. En wie zal ons weghouden van de eindstrijd voor de wereldbeker 2006? Knack, als zo vaak, waarschuwt. Gedenken we de woorden van Frans Van Cauwelaert, grootoom van onze hoofdopsteller: 'Het domste wat een klein land kan doen, is zich als een grote mogendheid gedragen.' Opgelet dus voor de Kroaten. Zeker, na hun gouden periode op de wereldbeker '98 in Frankrijk zijn de mannen van de rood-witte blokjes inderdaad op de terugweg. Dat was al duidelijk in de voorronde van de wereldbeker 2002, maar toen durfde Robert Waseige het niet aan om op volle kracht tegen hen in te gaan. Niet op de Heizel, waar hij vier man achterin hield tegen de eenzame spits Davor Suker, en nog veel minder in Zagreb, in de hel, waar een ronduit zwakke Belgische ploeg blij mocht zijn dat ze met 1-0 weg kwam. Dat veroordeelde België tot een dubbele barragematch tegen de Tsjechen, maar u weet uiteraard dat we die hebben gewonnen. Intussen is er van die Kroatische ploeg nog minder overgebleven. Op de wereldbeker in Japan lag ze er na de eerste ronde uit, na verlies tegen zowel Mexico als Ecuador! En de 1-2 overwinning tegen Italië kwam er alleen omdat de Deense grensrechter Jens Larsen twee loepzuivere goals van de Italianen deed afkeuren: één van Christian Vieri voor onterecht buitenspel, en één van Marco Materazzi wegens een twijfelachtige trekfout van Filippo Inzaghi. In deze EK-voorronde haalde Kroatië onder Otto Baric één punt op zes. Speelde 0-0 gelijk tegen Estland en verloor met 2-0 in Bulgarije. En kwam in zijn jongste oefenwedstrijden niet verder dan 2-2 thuis tegen Macedonië en 0-0 thuis tegen Polen, wat toch minder goed is dan 1-1 in Polen zoals de Belgen. Maar dat zijn alleen maar resultaten, en zoals gezegd mogen we niet toelaten dat die de theorie beïnvloeden. En die theorie is dat Kroatië thuis nog altijd meer dan te duchten is. Het grootste gevaar dat de Rode Duivels, en meer bepaald de gouden driehoek, wacht is het hakmes. Kroatische verdedigers, vroeger vooral technisch excellerend, beginnen stilaan hun Italiaanse collega's van de overkant van de Adriatische Zee naar de kroon te steken. En wat dat inhoudt, is ooit schitterend onder woorden gebracht door Trevor Francis van Nottingham Forest: 'In Engeland zijn de meeste fouten een gevolg van slechte timing: je probeert te tackelen en je komt te laat. In Italië zijn ze een gevolg van het idee: Thou shalt not pass.' Koen MeulenaereDe Troubadours waren Luci Kapurso en Hamo Hajdarhodzic.