De nu 82-jarige Christian de Duve is professor emeritus aan de Université Catholique de Louvain en de Rockefeller University in New York. Hij verdeelt zijn tijd al jaren tussen België en de Verenigde Staten. Aan beide kanten van de oceaan is hij nog altijd nauw betrokken bij research - onder meer aan het door hem gestichte International Institute for Cellular Pathology in Brussel, waar fundamentele moleculair-biologische kennis wordt omgezet in praktische, geneeskundige toepassingen. Voor zijn ontdekking van twee organellen - onderdelen van de levende cel - kreeg hij, samen met Albert Claude en George Palade, in 1974 de Nobelprijs voor geneeskunde.
...

De nu 82-jarige Christian de Duve is professor emeritus aan de Université Catholique de Louvain en de Rockefeller University in New York. Hij verdeelt zijn tijd al jaren tussen België en de Verenigde Staten. Aan beide kanten van de oceaan is hij nog altijd nauw betrokken bij research - onder meer aan het door hem gestichte International Institute for Cellular Pathology in Brussel, waar fundamentele moleculair-biologische kennis wordt omgezet in praktische, geneeskundige toepassingen. Voor zijn ontdekking van twee organellen - onderdelen van de levende cel - kreeg hij, samen met Albert Claude en George Palade, in 1974 de Nobelprijs voor geneeskunde.Zijn onderzoek naar de oorsprong en de evolutie van het leven - en het overpeinzen van de filosofische aspecten ervan - houdt hem naar eigen zeggen 'jong van geest': 'Ik raakte op een indirecte manier geïnteresseerd in het onderwerp. Ongeveer twintig jaar geleden kreeg ik wat meer tijd en begon ik boeken te schrijven. Het eerste, A guided tour of the living cell, ging over celbiologie. In het tweede boek, Blueprint for a cell, besloot ik een hoofdstuk te wijden aan de oorsprong van het leven. Ik raakte steeds sterker geïnteresseerd in het onderwerp, tot ik uiteindelijk zelf een bijdrage leverde aan het onderzoek. Daarover gaat mijn laatste boek, Vital Dust: Life as a cosmic imperative.' 'Nu, wat de kwestie van het bestaan van buitenaards leven betreft: wetenschappers zijn het helemaal niet met elkaar eens over hoe groot de kans is dat er andere planeten bestaan zoals de aarde. Kosmologen, astronomen, planetologen: de meningen lopen sterk uiteen. Er zijn astronomen die zeggen: er moeten wellicht een miljoen aarde-achtige planeten bestaan - alleen al in de melkweg. Sommigen denken daar dan weer heel anders over.'Is het niet meer een filosofische dan een wetenschappelijke vraag?Christian de Duve: Nee, het is zeer zeker een wetenschappelijke vraag. En het antwoord is: we weten het niet. Anders zouden we de vraag niet stellen. Maar wetenschappers in diverse disciplines maken schattingen op basis van wat ze weten. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld: hoe zeldzaam is de vorming van een planeet zoals de aarde? In hun recente boek Rare Earth beweren Peter Ward en Donald Brownlee dat de omstandigheden op aarde misschien wel uniek zijn. Maar op dat punt ben ik geen expert. Mijn eigen vraag is van biologische aard: hoe waarschijnlijk was het ontstaan van leven, gegeven de fysische en chemische condities die vier miljard jaar geleden op aarde bestonden? Nu, ook daarover zijn wetenschappers het totaal met mekaar oneens. Sommigen, zoals wijlen Jacques Monod, zeggen: het was bijna een mirakel. Niet dat God erbij betrokken was, want Monod was geen gelover, maar hij zei: 'Het universum was niet zwanger van het leven.' Anderen zeggen: gegeven de omstandigheden die er waren, was het ontstaan van leven een noodzakelijk fenomeen. Ik behoor tot die tweede groep. Maar ik heb geen enkel bewijs. Omdat we tot dusver gewoon niet weten hoe het leven is ontstaan. De bouwstenen kennen we, want die vinden we overal.Welke kennis ontbreekt er nog om die vraag te kunnen beantwoorden?de Duve: Het is een chemisch probleem. We kennen de chemische mechanismen niet die spontaan tot het ontstaan van leven hebben kunnen leiden. Nu, volgens mij - en dat is mijn bijdrage tot dit debat - moeten we naar de biochemie kijken. Levende cellen doen namelijk altijd precies wat vier miljard jaar geleden is gebeurd: ze maken proteïnen, vetten - enzovoort - met heel eenvoudige, chemische bouwstenen. Waarom kijken we niet naar het mechanisme waarmee cellen deze substanties maken? Want dat is vermoedelijk ook de manier waarop het leven is ontstaan. Daar komt mijn theorie op neer: welke mechanismen ook betrokken waren bij de oorsprong van het leven, het waren chemische mechanismen. Scheikunde houdt zich bezig met deterministisch reproduceerbare fenomenen. Anders zouden er immers geen laboratoria of fabrieken zijn: je neemt substantie 'a' en substantie 'b', mengt die onder bepaalde omstandigheden, en je krijgt altijd substantie 'c'. Wat er gebeurt, hangt dus bijna exclusief af van de condities. Dus zeg ik: gegeven de condities op aarde vier miljard jaar geleden, was het leven een kosmische imperatief. Nu is de vraag natuurlijk: hoe zeldzaam of frequent zijn die condities? En dat weet ik niet. Dat is mijn job niet.De volgende vraag is: als het leven ontstaat, hoe groot is dan de kans dat complex - en intelligent - leven daaruit evolueert?de Duve: Ook hier lopen de schattingen heel sterk uiteen. Om opnieuw Monod te citeren: 'Het universum was niet zwanger van het leven, en evenmin was de biosfeer zwanger van de mens.' Volgens hem was de kans op de evolutie van intelligent leven onwaarschijnlijk klein. Ook op dat punt bent u het met hem oneens.de Duve: Ja. Het is geen eenvoudige vraag, maar ik zal proberen om het duidelijk te formuleren. Ik hanteer een strikt darwinistische verklaring van evolutie. Dat wil zeggen: er doen zich toevallige mutaties voor die niet gestuurd worden door voorkennis, en dan krijg je de natuurlijke selectie - die hangt af van de bekwaamheid van een organisme om te overleven en nageslacht te produceren onder de bestaande omstandigheden. Laten we een voorbeeld nemen: het wordt vermoed dat het ontstaan van de Great Rift Valley - die in Oost-Afrika van noord naar zuid loopt - zes miljoen jaar geleden een belangrijke stap was in de evolutie van de mens. Men neemt aan dat de primaten die verwant zijn aan de chimpansee, zich aan een andere omgeving moesten adapteren: ten westen van de vallei bevond zich het tropische woud. Maar aan de oostelijke kant verdween het woud en kwam de savanne. Men gaat ervan uit dat de primaten die geïsoleerd leefden aan die oostelijke kant, eigenschappen ontwikkelden die nuttig waren in die nieuwe omgeving. Ze ontwikkelden die eigenschappen natuurlijk niet omdat ze nuttig waren - die eigenschappen werden geselecteerd door de natuur. Op twee voeten lopen was bijvoorbeeld nuttig, omdat ze op die manier roofdieren op een grotere afstand konden zien. De handen kwamen vrij, waardoor ze werktuigen konden gaan maken. Het brein begon te veranderen, in zes miljoen jaar tijd is de omvang daarvan verdriedubbeld - dat is heel erg snel. Maar de vorming van die vallei was toch toeval? De Amerikaanse paleontoloog Stephen Jay Gould zegt altijd: als we het bandje konden terugspoelen, zou de evolutie totaal anders verlopen en zouden wij er niet zijn. Als die vallei zes miljoen jaar geleden niet was ontstaan, was er misschien geen sprake van de mens.de Duve: Dat is best mogelijk. Maar ik ben het niet eens met Gould - zijn houding bevalt mij ook niet, hij is te zeker van zichzelf. Ik zeg: mocht die vallei er niet geweest zijn, kunnen we dan toch niet aannemen dat er op een dag, ergens, situaties zouden zijn ontstaan waarin het nuttig zou zijn geweest om op twee voeten te lopen, de handen vrij te hebben, enzovoort? Ik denk: als de omstandigheden gunstig zijn, is de kans groot dat die ontwikkeling zich zal voordoen. Er bestaat toch geen inherente neiging naar meer complexiteit?de Duve: Nee, want dat zou betekenen dat er een soort kracht of ontwerp zou zijn dat organismen in de richting van complexiteit duwt. Maar laten we even teruggaan naar het neodarwinisme, de moleculair biologische evolutietheorie, want dit is een erg cruciaal punt. Evolutie werkt in twee stappen. Eén: je hebt een toevallige mutatie nodig - een genetische verandering, dus. Twee: je hebt omstandigheden nodig die een bepaalde genetische verandering bevoordelen. Nemen we opnieuw het voorbeeld van die primaten aan beide kanten van de vallei. Kennelijk waren er een paar genetische veranderingen die in het woud nergens toe leidden, maar wel voordelig waren in de savanne: op twee voeten lopen, bijvoorbeeld. Nu, heel wat mensen - inclusief grote wetenschappers en experts in de evolutietheorie - hebben een soort vooropgesteld idee: omdat mutaties toevallig zijn, denken ze dat ze ook zeldzaam moeten zijn. Ziet u, als je zegt dat iets toeval is, voel je dat het iets is dat gebeurt binnen een groot aantal mogelijkheden en dat het dus een zeldzame gebeurtenis is. En daar ben ik het niet mee eens. Mijn visie is dat mutaties geen zeldzame gebeurtenissen zijn. Het aantal mogelijkheden is natuurlijk niet oneindig groot, mutaties komen voor binnen bepaalde restricties - de grootte van het genoom, bijvoorbeeld: bij een bacterie is het aantal mogelijke mutaties kleiner dan bij de mens. Ook de structuur van het genoom speelt een rol. Maar als je de berekening maakt, kom je tot de slotsom dat mutaties niet zeldzaam zijn. Je moet eerst en vooral kijken naar het aantal individuen: er zijn zes miljard mensen, en vele triljoenen bacteriën. Je moet ook rekening houden met de factor tijd: evolutie werkt over vele miljoenen jaren. Als je zowel de restricties als de mogelijkheden in rekening brengt, kom je - of tenminste: kom ik - tot de conclusie dat de meeste mutaties geen zeldzame gebeurtenissen zijn. En dat de belangrijkste factor in evolutie de omgeving is, de natuurlijke selectie. Je hebt voortdurend een heel smörgasbord van mutaties - en de omgeving bepaalt wat eruit komt. En mutaties zijn het resultaat van willekeur, maar natuurlijke selectie niet.de Duve: Maar het toeval speelt wel een rol. Laat mij u een voorbeeld geven van evolutie in actie. U weet dat het centrale probleem met antibiotica vandaag is dat bacteriën en andere micro-organismen resistent zijn. Ander voorbeeld: muskieten zijn resistent geworden voor DDT. Dus in nauwelijks vijftig jaar tijd heeft er een enorme natuurlijke selectie plaatsgevonden. En die resistentie is natuurlijk geen reactie op DDT - dat zou heel merkwaardig zijn. Nee, die resistentie maakt deel uit van het smörgasbord, is dus de hele tijd aanwezig. En zolang je geen DDT in de omgeving stopt, hebben muskieten geen enkel voordeel bij die resistentie tegen DDT. Maar stop DDT in de omgeving en er zal misschien één muskiet op een miljard toevallig resistent zijn. Die zal andere resistente muskieten voortbrengen - en vijftig jaar later heb je resistente muskieten. Die adaptatie heeft in zeer korte tijd plaatsgevonden. Voor mij betekent dit dat de mutaties die daarvoor verantwoordelijk zijn, tamelijk banaal moeten zijn. Dat is mijn centrale punt. Er kunnen uitzonderingen zijn, maar mutaties zijn over het algemeen geen zeldzame gebeurtenissen. Dus de belangrijkste factor in evolutie is de omgeving. In uw boek 'Vital Dust: Life as a cosmic imperative' maakt u een onderscheid tussen horizontale en verticale evolutie.de Duve: Bij horizontale evolutie - sommigen noemen het micro-evolutie - heb je veranderingen zonder grote aanpassingen in lichaamsplan. Er bestaan miljoenen soorten insecten, maar het zijn allemaal insecten. Dat is biodiversiteit, als u wilt. Hier speelt het toeval een grote rol. Er zijn insecten die eruitzien als een blad. Het spreekt vanzelf dat zulke insecten in een andere omgeving nooit zouden worden bevoordeeld. Er zijn er ook die eruitzien als een tak. Dat is mimicry, nabootsing - allemaal een onderdeel van het smörgasbord. Er zijn vissen die gelijken op de bodem van de zee. Mimicry toont aan dat deze vorm van evolutie heel sterk wordt beïnvloed door toevallige veranderingen in de omgeving. Als er een andere planeet zou bestaan met complex leven, zou ik niet verwachten daar een insect aan te treffen dat op een tak lijkt. En intelligente dieren, zouden we die aantreffen?de Duve: Dan hebben we het over verticale evolutie, de richting van toenemende complexiteit. De voorbije vier miljard jaar is het leven op aarde constant in die richting geëvolueerd. En ik denk dat dit tot op zekere hoogte onvermijdelijk is. Omdat er onder al die mutaties, in dat smörgasbord, hoogstwaarschijnlijk van tijd tot tijd mutaties voorkomen die de complexiteit van het organisme doen toenemen. In de meeste gevallen gaat grotere complexiteit samen met een grotere bekwaamheid om te overleven en nageslacht te produceren. Daarom zou ik zeggen: ongeacht de omgeving is evolutie in de richting van toenemende complexiteit min of meer onvermijdelijk. Omdat de daarvoor noodzakelijke mutaties, zodra die toevallig tot stand zijn gekomen, een grote kans hebben om te worden geselecteerd. Neem het brein: ik zou verwachten dat een complexer brein, een brein met meer neuronen, meer netwerken, onder alle omstandigheden een voordeel is. Nogmaals: het hominisatieproces is heel erg snel gegaan, het brein is in korte tijd verdriedubbeld in omvang. Dat toont aan hoe snel evolutie in de richting van toenemende complexiteit kan gaan, zodra de gelegenheid zich voordoet.Hoe groot schat u de kans op buitenaardse intelligentie? Of is dat een onbeantwoordbare vraag, aangezien we maar één voorbeeld hebben en dus moeilijk aan statistiek kunnen doen?de Duve: Ik weet zeker dat ik voor mijn dood niet van een ander voorbeeld zal horen. We kunnen alleen maar schattingen doen. Mijn visie is: als planeten zoals de aarde veel voorkomen, dan zal ook het leven veel voorkomen. En als het leven veel voorkomt, dan zou ik verwachten dat intelligentie misschien niet veel voorkomt, maar toch zeker meer dan één keer is ontstaan. Gesteld dat buitenaardse intelligentie bestaat. Wat zouden dan de implicaties zijn voor onze soort?de Duve: Concreet: waarschijnlijk nul. Maar de filosofische implicaties zouden zeer belangrijk zijn. Als er elders in het heelal een intelligente diersoort bestaat, zouden theologen zich afvragen: kennen zij ook de erfzonde? Hebben ze ook een verlosser gekend? Gaan ze naar de hemel of de hel? Dus de theologen zouden een probleem hebben, ze houden dan ook niet van deze discussie. Ze gaan er, tot bewijs van het tegendeel, liever van uit dat we alleen zijn. Nu, vanuit een filosofisch perspectief zijn deze vragen belangrijk, maar op dit moment is de discussie alleen van puur academisch belang, omdat we nu eenmaal geen enkele directe informatie hebben. We zullen wellicht nooit weten of we alleen zijn, omdat we nooit voldoende informatie zullen kunnen krijgen over het hele universum om te kunnen zeggen: er is geen intelligentie op een andere plek. Je kunt namelijk niet bewijzen dat iets niet bestaat. De afwezigheid van bewijs is geen bewijs van de afwezigheid.de Duve: Precies. Dus een bewijs van hun aanwezigheid is het enige waarop we kunnen hopen. Als je zeer optimistisch bent, zou een bewijs van buitenaards leven zonder meer al geweldig zijn. En dat zouden we snel kunnen hebben - als we nog wat vooruitgang boeken op technologisch gebied. Misschien krijgen we over vijftig jaar, of nog vroeger, wel een bewijs. Er zou leven kunnen zijn in ons zonnestelsel. Op Mars zouden misschien bacteriën kunnen leven, kilometers onder de oppervlakte. Er zijn andere mogelijkheden: Europa, een maan van Jupiter, Titan, een maan van Saturnus... Dus: als we elders leven zouden vinden - en als we zouden kunnen bewijzen dat het onafhankelijk van het leven op aarde is ontstaan -, dan zou dat een enorme ontdekking zijn. De ontdekking van intelligent leven, dat is een ander verhaal. Volgens de neodarwinist Richard Dawkins zou ook het leven op andere planeten op darwinistische wijze evolueren.de Duve: Het mechanisme zou inderdaad hetzelfde moeten zijn. Daar ben ik het helemaal mee eens. Hoe weten we dat zo zeker?de Duve: Wel, weet u: niemand is ooit honderd procent zeker over wat dan ook. In de wetenschap, zeker in de biologie, proberen we de dingen te verklaren in termen van natuurlijke fenomenen, dus basically fysica en chemie. We proberen vitalisme en finalisme te vermijden. Niet dat we zeggen: dat is niet waar. Want dan zouden we ons schuldig maken aan dogmatisme. Een wetenschapper zegt nooit: 'Dat geloof ik niet.' Een wetenschapper zegt: 'Dit zijn de redenen waarom ik tot dusver geloof dat dit en dat zus en zo in mekaar zit.' Nu, in de biologie hebben we sinds Darwin fantastische vorderingen gemaakt op basis van de kracht van zijn werkhypothese. Vandaag begrijpen we de basismechanismen van het leven. De basismechanismen die wij gemeen hebben met bacteriën. De basischemie - DNA, RNA, de enzymen - die begrijpen we. Wanneer zal iemand in een laboratorium leven creëren?de Duve: Ik wil mij niet aan een voorspelling wagen. Het ontstaan van leven op aarde heeft vermoedelijk geen miljoenen jaren geduurd. Anderzijds: het zou onwaarschijnlijk zijn mocht je leven in zes maanden of een jaar kunnen creëren. We zullen steeds meer begrijpen, dat wel. Maar creëren? Ik denk niet dat het onmogelijk is, maar ik zou er mijn geld niet op inzetten. Is de vraag naar buitenaards leven altijd serieus genomen in wetenschappelijke kringen?de Duve: Nee, die belangstelling is eigenlijk vrij recent. De eerste keer dat ik een lezing over de oorsprong van het leven hoorde, was in 1956 op een internationale conferentie over biochemie in Brussel. Een van de deelnemers toen was Aleksander Oparin, een biochemicus uit de Sovjet-Unie. Hij was pionier in dit gebied die in 1924 al een boek over de oorsprong van het leven had geschreven. Ik hoorde zijn lezing en ik dacht: hoe belachelijk. Hoe kunnen mensen nu geïnteresseerd zijn in de oorsprong van het leven als we niet eens weten wat leven is? Waarom zou je je zorgen maken over de oorsprong van iets wat je niet eens begrijpt? Wat heeft u van mening doen veranderen?de Duve: Het feit dat we het leven begrijpen. Oparin wist niets over DNA, RNA... Hij wist heel vaag iets over proteïnen. Dus zijn theorie over de oorsprong van het leven was echt la pêche miraculeuse. Dat was een spelletje dat ik als kind placht te spelen: wij visten objecten met een metalen ringetje eraan vast uit een soort kartonnen doos, waar je niet in kon kijken. Stel je voor dat je je hengel uitgooit in de zee en terstond een walvis naar boven haalt, dat zou une pêche miraculeuse zijn. Dat deed Oparin in zekere zin ook. Vandaag weten we: het is een chemisch probleem. We kennen de moleculen die we zoeken. Oparin gooide zomaar ergens zijn haak uit. Als u één vraag mocht stellen aan buitenaardse, intelligente wezens: welke zou dat dan zijn?de Duve: Weet u: als ze geavanceerder zijn dan wij, zullen ze misschien niet eens in staat zijn om de vraag te beantwoorden, omdat ze ze niet begrijpen. Apen stellen waarschijnlijk voortdurend vragen, maar wij begrijpen hun taal niet echt. Dus die buitenaardse wezens zouden eerst onze taal moeten begrijpen om onze vraag te kunnen beantwoorden. Stel u voor dat ik zou vragen: gelooft u in de relativiteitstheorie van Einstein? Misschien snappen ze de vraag niet, omdat relativiteit voor hen een vanzelfsprekendheid is. Zoiets als zeggen: de aarde is rond. Een beschaving die meer geavanceerd is dan de onze: hoe zal die redeneren? Wat gaat er om in hun brein? Dat kunnen u en ik ons niet voorstellen. Net zoals Lucy, een van de eerste mensachtigen die drie miljoen jaar geleden rondliep in Oost-Afrika, zich zorgen maakte over voedsel en het vinden van een partner. Zij maakte zich zeker geen zorgen over de oorsprong en evolutie van het leven.Een buitenaardse beschaving zou geavanceerder zijn dan de onze, zegt u. Zal ook onze intelligentie almaar toenemen?de Duve: Dat is mijn overtuiging, ja. Ik zie niet in waarom een proces dat al miljoenen jaren aan de gang is, ineens zou stoppen. De Italiaanse fysicus Enrico Fermi was van mening: als ze bestaan, moesten ze allang hier zijn. Hij vroeg zich af: 'Waar is iedereen?' Die paradox staat bekend als de Grote Stilte. Wat is uw antwoord op die vraag?de Duve: Fermi was een groot fysicus. Ik begrijp alleen zijn vraag niet. Ik bedoel: er zijn zoveel mogelijke redenen waarom we nog niets van hen gehoord hebben. De afstand zou te groot kunnen zijn, misschien zijn ze niet geïnteresseerd, misschien bestaan ze helemaal niet... Ik hou nogal van het antwoord dat Leo Szilard op die vraag gaf. Szilard was ook een fysicus, van Hongaarse origine. Hij was een vriend van Fermi en werkte ook mee aan het Manhattan-project. Zijn antwoord op de vraag van Fermi was: 'Ze zíjn al gearriveerd, maar ze noemen zichzelf Hongaren.' Christian de Duve, 'Vital Dust: Life as a cosmic imperative', Basic Books, New York, 1995 ('Poussière de vie', Fayard, Paris, 1996)Joël De Ceulaer