Ergens diep binnen de grenzen van Fort Europa ligt een verlaten weiland. Links van het terrein ligt het Europa zoals we dat kennen: een Decathlon en een tuincentrum met een parkeerterrein ter grootte van een dubbel voetbalveld. Aan de overkant een woonwijk met fermettes, dubbele garages en jeeps met dikke banden. Op de achtergrond raast de E40, als een soort monotone achtergrondmuziek.
...

Ergens diep binnen de grenzen van Fort Europa ligt een verlaten weiland. Links van het terrein ligt het Europa zoals we dat kennen: een Decathlon en een tuincentrum met een parkeerterrein ter grootte van een dubbel voetbalveld. Aan de overkant een woonwijk met fermettes, dubbele garages en jeeps met dikke banden. Op de achtergrond raast de E40, als een soort monotone achtergrondmuziek. We bevinden ons in Grande-Synthe, net buiten Dunkerque, in Frans-Vlaanderen. Op het eerste gezicht een doordeweekse gemeente, maar schijn bedriegt. Een modderig wegje van nauwelijks tweehonderd meter is alles wat een onbekommerd stukje verkavelingsleven scheidt van een strook derde wereld. Grande-Synthe heeft immers al bijna tien jaar een vluchtelingenkamp, waar transitmigranten in mensonterende omstandigheden moeten leven. Ze komen van zowat overal ter wereld en hebben één einddoel: Groot-Brittannië, het eldorado van elke migrant. Het kamp zelf heeft veel weg van een schamele vakantiecamping waar het een week lang gestortregend heeft. Tijdens de zomer kun je het vanuit de aangrenzende woonwijk zelfs niet zien door de begroeiing, maar hartje winter zie je het kamp door de kale takken van honderden meters ver liggen. Her en der verspreid over het grasveld staat een drietal tenten. De kleurige schermen steken fel af tegen de grijze hemel. Aan de zijkant van het veld staan enkele piepkleine barakken, opgetrokken uit mdf-platen. Helemaal aan de rand staan een afvalcontainer en een elektrische generator. Er is ook een kraampje waar de bewoners kunnen koken en hun voedsel bedeeld krijgen. Het kraam is ronduit smerig en stinkt naar urine. Vluchtelingen in afgedragen kledij sjokken lusteloos rond. 'De situatie is kritiek, nu al meer dan tien jaar', zegt Cécile Bossy, coördinatrice van Dokters van de Wereld, een ngo die wereldwijd vluchtelingen van medische hulp probeert te voorzien. Sinds de opening van de Kanaaltunnel zijn transitmigranten een deel van het Noord-Franse landschap. 'In Dunkerque alleen al zijn het er honderd, verspreid over twee kampen. Over heel Nord-Pas-de-Calais zijn het er wel achthonderd.' Bossy troont me mee naar een van de slaapplaatsen. Een barak is nauwelijks tien vierkante meter groot, maar herbergt wel twaalf vluchtelingen. In sommige hutten loopt het aantal op tot vijftien. Het ruikt er muf. Vuile schoenen en afrafelende slaapzakken liggen her en der verspreid. In het midden van de ruimte staat een kist bananen. In de nok stapelen de vuile kleren zich op. 'Dit kamp voldoet niet eens aan de internationale standaarden', zegt Bossy. 'Als wij als VN-land in een conflictgebied een vluchtelingenkamp oprichten, moet dat aan bepaalde normen voldoen: minstens 3,5 m² beschikbare ruimte om te slapen, minstens één latrine per 20 bewoners, vlotte toegang tot stromend water. Dat is hier allemaal niet. Je kan bij wijze van spreken beter in een Libanees vluchtelingenkamp zitten dan hier.' Om de migranten van medische zorg te voorzien, parkeert Dokters van de Wereld twee keer in de week een ambulance op het terrein. Aan boord een dokter en verpleegster, en een stock met de meest courante geneesmiddelen. Dokter Fabrice Mestdagh beseft dat zijn inspanningen vaak een druppel op de hete plaat zijn. 'Aan de stress en het psychisch lijden dat het leven als vluchteling meebrengt, kunnen we weinig verhelpen. Buiten de ambulance staat een groepje vluchtelingen geduldig te wachten. Ze krijgen een wekelijks overlevingspakket: papieren zakdoekjes, minitubes tandpasta en douchegel. Een jonge Syriër wil graag met me praten. Hij is nauwelijks ouder dan twintig: een schriel kereltje met een pokdalig gezicht. Ondanks zijn dikke zwarte jas huivert hij van de kou. In haperend Engels vertelt hij dat hij uit Aleppo komt, een van de zwaarst getroffen steden in de Syrische burgeroorlog. Dat hij er rechten studeerde aan de universiteit, maar dat hij nu niet meer terug kan. Dat hij met zijn vrienden op de vlucht geslagen is toen de tanks hun wijk binnenreden. 'I no want fight with friends', stamelt hij. Schichtig kijkt hij om zich heen naar zijn vrienden, die ons gesprek argwanend gadeslaan. Nu en dan vertaalt hij enkele woorden, waarop de mannen bevestigend knikken. Hij heeft er maanden over gedaan om hier te raken, legt hij uit. Vanuit Aleppo stak hij te voet de grens over. Daarna liftte hij mee op vrachtwagens of boten, en spendeerde hij een fortuin aan mensensmokkelaars. 'Turkey to Greece: 2000 euro', telt hij op zijn handen, terwijl hij me apart neemt, uit angst dat iemand anders het zou horen. 'Greece to Italy: 5000 euro. Italy to Paris: 2000 euro.' Hij kent iemand die hem voor 1500 euro over de plas krijgt, maar daarvoor heeft hij geen geld meer. Verlegen staart hij naar de grond. 'Eigenlijk wil ik helemaal niet naar Groot-Brittannië, maar ik kan niet anders. Syrië was een goed land om in te leven tot de oorlog begon. Eens alles voorbij is, ga ik onmiddellijk terug. Zelfs als ik in Londen raak.' Betere leefomstandigheden liggen niet in het verschiet. Na lang aandringen hebben de lokale autoriteiten in 2012 enkele barakken gebouwd, om de vluchtelingen toch een minimaal onderdak te geven. 'De Franse staat gaat volstrekt repressief om met de migranten. Sarkozy heeft als minister van Binnenlandse Zaken de kampen nog laten afbreken, zonder ook maar iets in de plaats te stellen. Gevolg: de kampen stonden er binnen de kortste keren opnieuw, enkele tientallen meters verder.' Politici zijn terughoudend om de voorzieningen te verbeteren, omdat ze een aanzuigeffect vrezen. 'Onzin', vindt Bossy. 'Niemand zit hier voor zijn plezier.' Ook in Téteghem, enkele kilometers naar het oosten, bedeelt Dokters van de Wereld de eerste zorgen. Ook hier zijn het vooral Syriërs die het kamp bewonen. Ze hebben zich rond een kampvuur verzameld, waarop ze enkele kapotgestampte planken werpen. Een dertiger met een dikke zwarte trui werpt zich op als hun leider: hij is zowat de enige die behoorlijk Engels spreekt. 'België?' De jongeman kijkt me nors aan. 'Leuk land. Jullie gaan goed om met illegalen. Enkele maanden geleden heeft de politie me gearresteerd in Brussel. Ze namen onze vingerafdrukken en gooiden ons daarna terug op straat, om één uur 's nachts, in de gietende regen! Er zijn geen taxi's of treinen op dat uur: je kunt nergens heen. Laat me dan toch even binnenblijven en gooi me er 's morgens uit. België heeft geen enkel respect voor mensen als wij.' De man is een jaar of dertig. Ook hij wil zijn naam niet kwijt. Hij vertelt me dat hij in de fruithandel van zijn vader werkte, in een dorp net buiten Damascus. Ook hij is holderdebolder op de vlucht geslagen voor het moordende geweld. 'Ik weet niet of ik ooit nog terug kan.' Wanneer ik hem vraag naar zijn leefomstandigheden, kijkt hij me boos aan. 'Wat denk je zelf?' sist hij. Hij wijst naar de armzalige en overbevolkte barakken, de drassige grond, het schrale kampvuur. 'Dit is een gevangenis. Frankrijk wil ons niet, maar ik kan toch niet zomaar verdwijnen?' Hij hoopt dat hij niet lang meer in het kamp zal blijven. Bij zijn eerste vluchtpoging werd hij nog tegengehouden door de controle, maar hij is vastberaden. 'We're not so different, you and I. Stel je voor dat jouw vader in Syrië was geboren. Of in Koerdistan, of in Afrika. Wie weet zat jij ook hier, en kwam ik jou interviewen.'DOOR JEROEN ZUALLAERT'Stel je voor dat jouw vader in Syrië was geboren. Wie weet zat jij ook hier, en kwam ik jou interviewen.'