Er waait een ongezonde, kwalijke wind over Israël. Avraham Hecht, de rabbijn uit Brooklyn (New York) die, voor de moord op Yitzhak Rabin, openlijk verklaarde dat de travaillistische premier de dood verdiende omdat hij stukjes van Eretz Israël aan niet-joden gaf, maakt zich op om naar Israël te komen. Minister van Binnenlandse Zaken Eli Suissa (van de orthodox sefaradische Shas-partij) heeft het inreisverbod voor Hecht opgeheven, dat van zijn voorganger stamde. "Rabbijn Hecht heeft gezegd zijn woorden te betre...

Er waait een ongezonde, kwalijke wind over Israël. Avraham Hecht, de rabbijn uit Brooklyn (New York) die, voor de moord op Yitzhak Rabin, openlijk verklaarde dat de travaillistische premier de dood verdiende omdat hij stukjes van Eretz Israël aan niet-joden gaf, maakt zich op om naar Israël te komen. Minister van Binnenlandse Zaken Eli Suissa (van de orthodox sefaradische Shas-partij) heeft het inreisverbod voor Hecht opgeheven, dat van zijn voorganger stamde. "Rabbijn Hecht heeft gezegd zijn woorden te betreuren, we moeten hem maar vergeven", zei Suissa. "Als ik hem tegenkom, geef ik hem een hand." Juristen zeggen dat het legaal onmogelijk is Hecht de toegang tot Israël te ontzeggen. Tenzij de shin beth (de interne veiligheidsdienst) vindt dat zijn aanwezigheid tot oproer zou kunnen leiden, wat naar verluidt niet het geval is. Een schandaal? Niet echt, rekening gehouden met het heersende politieke klimaat. Een klimaat dat is ontstaan met de wilde ophitsing tegen Rabin voor de moord, dat die moord uiteindelijk heeft mogelijk gemaakt en dat, na een tijdje beschaamde stilte na de moord, sterker dan ooit is teruggekomen met de rechts-nationalistische en religieuze verkiezingsoverwinning. In die context, moet men niet vergeten, hebben honderd vijftig Israëlische rabbijnen de goddelijke wet gebruikt om de Israëlische soldaten tot ongehoorzaamheid op te roepen, als de regering hun ooit zou bevelen een stukje Eretz Israël te ontruimen, zich terug te trekken uit de joodse kolonies en militaire kampen in Cisjordanië, het bijbelse Judea en Samaria. De oproep van die rabbijnen verscheen herhaalde malen in de Israëlische kranten, als advertentie over een hele pagina, zonder dat ook maar één van hen vervolgd werd voor opruiing of aansporing tot muiterij in het leger. Blijkbaar had de goddelijke wet voorrang op de Israëlische wetgeving. In een dergelijk klimaat kan het ook niet verbazen dat een religieus parlementslid zich tot het opperste gerechtshof van Israël wendt, met de vraag de "Israël-Literatuurprijs", die toegekend was aan de Hebreeuwse schrijver Amos Oz, te annuleren. Dit met het motief dat Amos Oz in een artikel dat bijna tien jaar geleden verscheen, het gewaagd had de ideologie van de joodse kolonisten aan te vallen. Tot grote verwarring van veel van zijn lezers en bewonderaars heeft Amos Oz gemeend zich te moeten verontschuldigen, met de uitleg dat zijn uitval slechts een handvol extremisten onder de settlers viseerde. Men kan dus vergeving krijgen voor aansporing tot moord op Rabin, de premier van het vredesproces, maar onvergeeflijk is het kritiek te leveren op de joodse kolonisatie in bezet gebied, een praktijk die niet alleen door de Israëlische linkerzijde maar door de hele wereld, van de Verenigde Staten tot in Japan via Europa, "een ernstig obstakel voor de vrede" genoemd wordt. Een kwalijke wind, zeker.Victor Cygielman