Na een eeuw met twee wereldoorlogen, de Holocaust, de goelags van Stalin, en recenter de gruwel van Rwanda en Darfur, valt het idee dat we er moreel op vooruitgaan moeilijk te verdedigen. En toch.
...

Na een eeuw met twee wereldoorlogen, de Holocaust, de goelags van Stalin, en recenter de gruwel van Rwanda en Darfur, valt het idee dat we er moreel op vooruitgaan moeilijk te verdedigen. En toch. Het is 60 jaar geleden dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aanvaardde. Als antwoord op de misdaden die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gepleegd, poogde de Verklaring het principe ingang te doen vinden dat iedereen recht heeft op dezelfde basisrechten, ongeacht zijn ras, kleur, sekse, taal, religie of andere status. Mogelijk kunnen we morele vooruitgang meten door ons af te vragen hoe goed we racisme en seksisme hebben bestreden. Geen gemakkelijke taak, maar polls van WorldPublicOpinion.org werpen een indirect licht op die vraag. De enquêtes, waarbij bijna 15.000 respondenten werden ondervraagd, werden afgenomen in zestien landen, die samen 58 procent van de wereldbevolking vertegenwoordigen: Azerbeidzjan, China, Egypte, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, India, Indonesië, Iran, Mexico, Nigeria, de Palestijnse Gebieden, Rusland, Zuid-Korea, Turkije, Oekraïne en de Verenigde Staten. In elf van die landen geloven de meeste mensen dat - over hun hele leven beschouwd - mensen van verschillende rassen en etniciteit tegenwoordig meer op gelijke voet worden behandeld. Gemiddeld 59 procent deelt die mening; slechts 19 procent gewaagt van minder gelijkheid, en 20 procent zegt dat er niets veranderd is. Vooral mensen in de VS, Indonesië, China, Iran en het Verenigd Koninkrijk zien de gelijkheid toenemen. De Palestijnen zijn de enigen bij wie een meerderheid minder gelijkheid ervaart bij mensen uit een andere raciale of etnische groep. Een nog sterkere meerderheid van 71 procent vindt dat vrouwen vandaag meer gelijkwaardig worden behandeld. Opnieuw zijn de Palestijnen een grote uitzondering; ook een minderheid in Nigeria, Rusland, Oekraïne en Azerbeidzjan is pessimistisch. In India - hoewel amper 53 procent zegt dat vrouwen nu meer gelijk worden behandeld - vindt 14 procent dat vrouwen vandaag meer rechten hebben dan mannen. (Wellicht dachten ze alleen aan de meisjes die níét geaborteerd worden nadat bij prenatale tests is gebleken dat ze geen jongen zijn.) Over het algemeen vond 90 procent dat een gelijke behandeling van mensen van verschillende rassen, etniciteit of sekse belangrijk is. In geen enkel land durfde meer dan 13 procent te zeggen dat het geen belangrijke kwestie is. Oók in moslimlanden. 97 procent van de Egyptenaren vindt raciale en etnische gelijkheid belangrijk; bij 90 procent geldt dat ook voor vrouwen. In Iran is dat respectievelijk 82 en 78 procent. Vergeleken met een decennium voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is dat een belangrijke verandering. Vandaag - ondanks wat er gebeurd is in Rwanda en ex-Joegoslavië - is er geen enkel land meer dat openlijk racisme aanvaardt. Dat kan niet gezegd worden van vrouwenrechten. In Saudi-Arabië mogen vrouwen niet eens autorijden, laat staan stemmen. In veel landen is er bovendien een groot verschil tussen wat mensen in een enquête zeggen over vrouwenrechten, en de praktijk. Conclusie: de onderzoeken waarover ik het had wijzen niet op wijdverspreide gelijkheid, maar op wijdverspreide hypocrisie. Maar woorden hebben consequenties. Wat door de ene generatie wordt uitgesproken maar niet geloofd, wordt door de volgende misschien geloofd en uitgevoerd. door Peter Singer - PETER SINGER IS PROFESSOR BIO-ETHIEK AAN PRINCETON UNIVERSITY. - © PROJECT SYND