Aan de rechterkant van de interviewtafel: Bob Maesen, 31 jaar, routinier-kajakker met al twee Olympische Spelen onder de gordel. Een grote, forse Limburger, voorzien van een behoedzame en gedecideerde manier van praten. Links Kevin De Bont, een paar maanden geleden 21 geworden. Klein maar erg gespierd. Een vlot babbelende Mechelaar die nog maar net bij de profs komt kijken. De tegenstellingen kunnen haast niet groter zijn. En toch mag dit odd couple samen naar de Spelen.
...

Aan de rechterkant van de interviewtafel: Bob Maesen, 31 jaar, routinier-kajakker met al twee Olympische Spelen onder de gordel. Een grote, forse Limburger, voorzien van een behoedzame en gedecideerde manier van praten. Links Kevin De Bont, een paar maanden geleden 21 geworden. Klein maar erg gespierd. Een vlot babbelende Mechelaar die nog maar net bij de profs komt kijken. De tegenstellingen kunnen haast niet groter zijn. En toch mag dit odd couple samen naar de Spelen. Op het Europees Kampioenschap dat deze week in Milaan plaatsvindt, starten ze zonder ambities. De landen die zich nog niet voor de Spelen hebben geplaatst, mogen daar de grote sier maken. Maesen en De Bont reserveren hun vormpiek voor 18 tot 23 augustus, wanneer in het Shunyi Olympic Canoeing Park eeuwige roem op het spel staat. BOB MAESEN: Na de breuk met mijn vorige kajakpartner, probeerde ik me in de K1 (een eenmanskajak) te plaatsen voor Peking, maar dat zou sowieso een heel moeilijke opgave worden. Dus is de bondscoach op zoek gegaan naar alternatieven. Van Kevin, toen een tweedejaarsprof, wisten we dat hij almaar sterker aan het worden was, dus hebben we eens getest hoe goed de combinatie van ons beiden kon werken. Het was maar een test hoor, voor hetzelfde geld werd het niks. Maar de eerste keer dat we 1000 meter à bloc voeren, klokten we meteen af op 3 minuten 12 seconden. Ter vergelijking: er is in 2007 in geen enkele Wereldbekerwedstrijd sneller gevaren dan 3 minuten 11. Ik wist meteen: hier zit iets in. KEVIN DE BONT: Toen Bob mij vroeg om eens samen te testen, dat was... alsof de hemel openging. De Spelen van 2012 waren tot daarvoor mijn doel. En dan komt dat voorstel: als je nu goed test met Bob, kun je er misschien al in 2008 bij zijn. Ik was blij, maar ook heel zenuwachtig. Bob is een topper in de kajak, hè. Die had zich ook in de K1 kunnen plaatsen voor Peking, en hij zette dat plots allemaal opzij om met mij te kunnen varen. MAESEN: Het was een berekende beslissing, Kevin, wees gerust ( lacht). Misschien had ik in de K1 de Spelen gehaald, ja, maar wat dan nog? De top vier van de wereld steekt er in die discipline echt wel bovenuit. Ik vaar solo op de 1000 meter ongeveer 3 seconden trager dan de wereldkampioen. Dat gat is te groot om voor Peking nog te overbruggen. Als ik mag kiezen tussen dat of een K2 (tweemanskajak) met een basistijd van 3 minuten 12, dan weet ik het wel. Het is objectief gezien de optie met de meeste kansen. DE BONT: O ja, verschrikkelijk ( lacht). Daar moest het gebeuren. De keren dat ik daarvoor meedeed aan een WK, was het altijd met de instelling: we zullen wel zien waar we eindigen. Als het goed is, is het goed, maar is het slecht, dan komt er volgend jaar wel weer een nieuwe kans. Nu hing er een ticket van af. Bob zijn ticket! MAESEN: 't Is nog goed afgelopen, maar in de halve finale hebben we het toch heel warm gekregen. We mochten nipt, met de beste derde tijd, door naar de finale. DE BONT: Die race heb ik mezelf veel te zenuwachtig gemaakt. MAESEN: Tja, dat kan ik wel begrijpen. Het was pas ons eerste toernooi samen. Je kunt een goeie tijd klokken bij een trainingstest, maar een wedstrijdsituatie is toch nog wat anders. We moesten ook nog wat zoeken naar onszelf: in de reeksen hadden we met een veel te hoge slagfrequentie gevaren. Dat moest trager, maar in de halve finale was het duidelijk te traag. Uit dat soort fouten leer je. DE BONT: Ik wijt het zelf toch vooral aan de stress. In de reeksen was ik totaal niet zenuwachtig, je hebt daar altijd wel een paar kleine kajaklanden die bij wijze van spreken al blij zijn als ze recht blijven op het water. Maar in de halve finale was het menens, en ik heb daar die dag gewoon niet goed op gereageerd. DE BONT: Heel de wedstrijd eerste, maar toch niet gewonnen! Herken je het, Bob? MAESEN: ( lacht zuur) Ja, dat is voor mij niet de eerste keer. Ik heb al drie WK's meegemaakt waarin ik op 950 meter nog eerste hing en ze mij nog voorbijschieten. Nu viel het nog mee: ze hadden ons al op 800 meter ( lacht niet). Op de Spelen mag ons dat niet overkomen. Als we het begin van de wedstrijd economischer aanpakken, kunnen we op het einde misschien iets meer. Op het WK hadden we gelukkig nog net voldoende over om ons te kwalificeren. DE BONT: Bob niet, die moet volgen ( Maesen barst in lachen uit). Nee, het probleem ligt bij mij. Te snel starten kun je niet: in de eerste 150 meter moet je altijd zo veel mogelijk vaart maken. Mijn fout is dat ik daarna niet dim, zoals het eigenlijk zou moeten. En niemand is sterk genoeg om te blijven sprinten. Wanneer de anderen aan hun eindspurt beginnen, is mijn kaars dikwijls uit. Als junior heb ik dat tactische varen nooit nodig gehad. Mijn tactiek was altijd: gáán vanaf de eerste meter, ze komen er toch niet meer over. Maar bij de profs werkt het zo niet. MAESEN: Héél goed. Hij is erg explosief en bezit bijna de perfecte verhouding tussen kracht en gewicht. Als hij genoeg begeleiding krijgt en blijft bijleren zoals hij nu doet, kan hij ver komen. Kevin moet zichzelf wel nog beter leren kennen, zodat hij zijn eigen race kan opbouwen, in plaats van zich te laten sturen door de omstandigheden en de tegenstand. Maar dat komt wel, zodra hij meer ervaring heeft. Het is niet makkelijk voor een 21-jarige om te brengen wat nu van hem verwacht wordt. Maar van dat soort uitdagingen kun je als sportman alleen maar sterker worden. DE BONT: Da's een moeilijke ( lacht). Bob werkt nu al zo professioneel, ik kan nergens op komen waarvan ik zeg: dat moet nu eens dringend veel verbeteren. En ik zou nochtans graag willen, hè ( schiet in de lach). MAESEN: Explosiviteit is mijn zwak punt. En ik wil ook nog iets meer overhouden aan het einde van de race. MAESEN: Dat klopt. Kevin kan zijn peddeltempo bijna zo hoog leggen als hij zelf wil. Dat kan ik niet. Ik moet hem bijbenen als hij weer een van zijn explosieve buien krijgt. En hij moet maar naar mij kijken om te weten wanneer hij even dimmen moet. MAESEN: Ik ben veel groter en forser dan Kevin. We schelen in totaal zo'n twintig kilo. Dat maakt ons een unicum bij de professionele kajakduo's. Meer dan tien, twaalf kilo verschil is eigenlijk ongezien. MAESEN: We moeten de boot ervoor aanpassen en wat meer experimenteren ook. Een wedstrijdkajak moet normaal minstens 18 kilo wegen. Onze boot is maar 16,5 kilo zwaar, zodat we 1,5 kilo extra gewicht bij Kevin kunnen steken. DE BONT: Voor de Spelen krijgen we een mooie, nieuwe boot uit carbon. Ontworpen door Bob trouwens. MAESEN: En we houden hem zwart, met hier en daar een paar strepen geel en rood. De verf die we zo uitsparen, is extra gewicht die we bij Kevin kunnen leggen. Doordat Kevin zo licht is, kunnen we ook in een iets smallere boot varen. Met twee gasten van mijn formaat pas je alleen in een extra large kajak. Dat is toch ook weer een klein voordeel. DE BONT: Maar dat ik niet zo groot ben als Bob, betekent natuurlijk ook dat mijn armen veel kleiner zijn. Ik heb dus een kleinere hefboom voor mijn peddels. En er is het krachtsverschil. Ik roei een piekwattage van 630. Hoeveel is dat bij jou, Bob? MAESEN: 680. Maar ik moet wel 20 kilo meer vervoeren dan jij. Je bent klein, maar in verhouding erg sterk. En door jou is de boot lichter, waardoor we hoger in het water liggen. Nog een nadeel is wel dat ik niet meer vooraan kan zitten. De boot zou zo geen vaart maken. MAESEN: We waren al een paar jaar samen aan het varen, toen de resultaten plots bergaf begonnen te gaan. Hoe dat kwam, kan ik zelf ook niet helemaal verklaren. De boot liep gewoon niet meer, en we staken er nochtans allebei veel energie in. De ontgoochelingen en de frustraties stapelden zich op, en dan hebben we samen beslist: het kan zo niet verder. We zijn elk teruggekeerd naar de eenmanskajak, tot ik vorig jaar met Kevin weer in de K2 begon. MAESEN: Wouter heeft uiteindelijk de knoop doorgehakt en in het begin ben ik daar nogal boos over geweest, ja. Niet door de beslissing op zich, want die kon ik best begrijpen, maar door de manier waarop hij het gecommuniceerd heeft. We hadden vier jaar samen geleefd en samen gewerkt, dan hadden we dat laatste gesprek ook nog wel samen kunnen houden, vond ik. Maar goed, dat is allemaal voorbij. Wouter en ik hebben het al lang weer bijgelegd. DE BONT: Nee, maar hij begreep het wel. Samen waren wij gewoon nog niet klaar voor 2008. Als je dan de kans krijgt om toch naar de Spelen te gaan, maar je moet ervoor van partner veranderen, dan doe je dat gewoon. MAESEN: Kevin staat op dit moment gewoon op een veel hoger niveau dan Olivier, zeker op de 1000 meter. Dus is zijn keuze logisch. Als Olivier in dezelfde si-tuatie zat, had hij zeker hetzelfde gedaan. DE BONT: Sport kan heel hard zijn. En Olivier zou geen echte sportman zijn als hij zich niet een beetje gebeten voelde, we wilden zo graag samen naar de Spelen. Maar hij is ook mijn beste maat, en hij was oprecht blij voor mij dat ik nu deze kans krijg. Misschien dat we na Peking weer samen naar Londen 2012 zullen toewerken, we zullen dan zien welke combinatie de meeste kans op succes heeft. Maar het kan ook dat ik voor de K1 kies. MAESEN: Als een K2 echt goed draait, is het een genot om mee te varen. Maar je kunt er ook in wringen, trekken en sleuren en geen meter vooruitgaan. Het is een boot van extremen. DE BONT: Het voordeel aan K1 is: als het misgaat, heb je alleen jezelf teleurgesteld. Verknoei je het in een K2-race, dan zit je maat er ook mee. Ik weet nog dat ik na de halve finale op het WK dacht: verdorie, nu heb ik het niet alleen voor mezelf verprutst, maar ik heb ook Bobs kans op een olympisch ticket verspeeld. Je hebt altijd de pest in wanneer je slecht gevaren hebt, maar dat schuldgevoel dat ik toen tegenover Bob had: verschrikkelijk. Gelukkig is het nog goed gekomen, anders was ik er echt ziek van geweest. MAESEN: Het kan misschien gek klinken, maar zelf beschouw ik de meermanskajak puur als een individuele sport. De ene doet zijn job, de andere doet zijn job, en als dat goed gaat kom je samen snel vooruit. Uiteindelijk zie ik Kevin trouwens ook niet zo heel vaak, behalve in de weken voor een groot toernooi train ik bijna altijd alleen. Dat is ook omdat hij zo jong is en ik zo oud: we hebben elk een andere voorbereiding nodig om top te zijn. DE BONT: Een K2 is niet te vergelijken met een voetbalploeg. Je wint wel samen, maar je werkt alleen. MAESEN: Ik denk dat elke sporter uiteindelijk in de eerste plaats met zichzelf bezig is. DE BONT: Da's juist. Een echte ploegsport, bestaat dat wel? DE BONT: Geld is voor een kajakker geen doel op zich, nee. Wij sporten omdat we het graag doen. Ik weet niet hoe voetballers in elkaar steken, maar voor hen zal er altijd toch een moment komen dat sportieve ambities ondergeschikt worden aan geld. MAESEN: Veel geld is voor een sporter een handicap, volgens mij. Begrijp me niet verkeerd, ik zou ook graag goed verdienen met kajakken, maar in de eerste plaats wil ik plezier hebben in mijn sport, plezier hebben in wat ik dag in dag uit doe. Toen ik nog werkte als industrieel ingenieur verdiende ik meer dan nu. Ik heb dus een beetje rijkdom opgegeven, maar het is het allemaal waard geweest: ik mag naar de Spelen! Ik mag tegen de beste kajakkers ter wereld strijden voor een medaille, kan er iets mooiers bestaan dan dat? Wij zijn geluksvogels. We krijgen alles wat we nodig hebben om zo goed mogelijk te worden in een sport waar we allebei gek op zijn. Als atleet kun je niet meer wensen. Al de rest is toch maar overbodige luxe. DE BONT: Ze mogen mij miljoenen geven om te kajakken, graag zelfs, maar met mijn contractje bij het Bloso ben ik ook content. MAESEN: Meer heb je niet nodig. Weet je, het is een hard leven: alleen van elke dag zo zwaar mogelijk afzien, word je een betere kajakker. Maar ik vergeet niet dat er ook heel mooie kanten aan dit bestaan zijn. Ik zie de wereld, ik maak vrienden op alle continenten, en als het 's winters hier te koud wordt op het water mag ik, gesponsord, naar Californië of Australië. Dat kunnen er ook niet veel zeggen. Is er iets mooiers dan kajakken? MAESEN: Prima. De maanden voor de Spelen verschijnen er steevast rampverhalen in de pers over hoe zwaar de atleten het er gaan krijgen - voor Sydney of voor Athene was het niet anders, zoek maar op - maar ook nu gaat het volgens mij uiteindelijk allemaal best meevallen. Er zijn wel een paar factoren die je op voorhand moet incalculeren. De hitte bijvoorbeeld. Als de wind ongunstig staat, bák je in Peking: een gevoelstemperatuur van plus veertig. En als we pech hebben, waait alle smog van de stad richting kajakbaan. Toen ik er was, zagen we vanaf de tribunes amper de finish. Gelukkig voorspellen de allergietests dat Kevin en ik daar weinig last van zullen hebben, en van de warmte ook niet trouwens. MAESEN: Ja, het wordt nog grootser dan Athene. De opwarmzone alleen al is groot genoeg om een wedstrijd op te houden. En de racebaan zelf, daar word je helemaal stil van. DE BONT: Ze hebben geld genoeg, die Chinezen. Dit worden gigantische Spelen. MAESEN: Dat kan, ja. Onze tijden bieden perspectieven, het zal op de Spelen van details afhangen. DE BONT: Ik durf gerust te zeggen dat ik al een paar keren heb gedacht: hoe zou het zijn als ik in Peking een medaille pak? MAESEN: Dan is het veertig jaar feest ( lacht). Maar daar moeten we nu nog niet aan denken. We moeten ervoor zorgen dat we elke dag van nu tot de Spelen alles in onze kajak steken. Als we onszelf niks kunnen verwijten, moeten we sowieso tevreden zijn, waar we in Peking ook eindigen. DE BONT: Feesten we maar veertig jaar als we een medaille halen, Bob? Ga jij niet ouder worden dan dat ( lacht)? DOOR JEF VAN BAELEN