Tussen 1947 en 1964 schreef Simone de Beauvoir (1908-1986) 304 gepassioneerde liefdesbrieven aan de Amerikaanse schrijver Nelson Algren. Onder de titel "Een transatlantische liefde" zijn ze nu in het Nederlands vertaald. De Beauvoirs vriendin en adoptiedochter Sylvie Le Bon bezorgde de brieven en voorzag ze van commentaar.
...

Tussen 1947 en 1964 schreef Simone de Beauvoir (1908-1986) 304 gepassioneerde liefdesbrieven aan de Amerikaanse schrijver Nelson Algren. Onder de titel "Een transatlantische liefde" zijn ze nu in het Nederlands vertaald. De Beauvoirs vriendin en adoptiedochter Sylvie Le Bon bezorgde de brieven en voorzag ze van commentaar. "Voor mij is het als de dag van gisteren", mijmert Le Bon met nauwelijks verholen verdriet. "We ontmoetten elkaar dagelijks, praatten openlijk over alles en lachten veel. Elk jaar reisden we samen met Jean-Paul Sartre naar Rome. Het waren de meest vrolijke en intelligente mensen die ik ooit heb ontmoet. Nu ze er niet meer zijn, is het gemis grenzeloos." Sylvie Le Bon ontmoette Simone de Beauvoir in 1960. Ze was toen 20 jaar oud, De Beauvoir was 52. Le Bon: "Ik was studente filosofie en had 'Mémoires d'une jeune fille rangée' gelezen. Ik was sterk onder de indruk en schreef haar een brief. De Beauvoir nodigde mij uit voor een gesprek, ze hield ervan jonge mensen met interesse voor filosofie te ontmoeten." "Ik wilde geen conformistisch bestaan leiden zoals dat van mijn ouders. Simone de Beauvoir steunde mij daarin. In haar vond ik iemand die het allemaal had voorgedaan. Ook ik wou vrij leven, ver van alle gemeenplaatsen. Haar levensstijl was een enorme hulp voor mij, ook intellectueel. De manier waarop ze zich van haar familie heeft bevrijd in "Mémoires d'une jeune fille rangée", inspireerde een hele generatie vrouwen. Sinds De Beauvoir is het huwelijk voor een vrouw niet langer de enige mogelijkheid." De Beauvoir wou na de dood van haar jeugdvriendin Zaza opnieuw een intense vriendschapsband met een vrouw. In "Mémoires" heeft ze beschreven wat die vriendschap met Zaza voor haar betekende. Le Bon: "In het begin was er van mijn kant vooral bewondering, van haar kant vooral voorzichtigheid na alles wat ze met jonge vrouwen zoals ik had meegemaakt. Maar gaandeweg werd onze relatie hechter. We zagen elkaar steeds vaker, leefden dicht bij elkaar. Onze vriendschap verliep makkelijk. We geleken goed op elkaar: allebei waren we erg extreem en veeleisend. Ook op intellectueel vlak klikte het. Als we met elkaar praatten, reageerden we vaak op dezelfde manier, of het nu om intellectuele of politieke problemen ging. Het leeftijdsverschil speelde geen enkele rol." Toen ze na de dood van Sartre erg ziek werd, besloot De Beauvoir om Le Bon te adopteren. Hoe vreemd dat vandaag ook lijkt, in haar vriendenkring was het niet nieuw. Sartre had het ook al gedaan, toen hij in 1965 de joods-Algerijnse Arlette Elkaïm adopteerde. "Tijdens haar ziekte zag De Beauvoir hoe haar zus Hélène de hele vriendengroep opzijschoof en zelf de beslissingen nam. Ze vreesde dat haar literaire erfenis na haar dood in handen van die zus zou vallen. Daarom wou ze mij adopteren. Door onze gesprekken wist ik precies wat haar voor ogen stond met haar literaire nalatenschap. Maar het stond me tegen om 'dochter van' te zijn. Zij wist dat, waarschuwde me dat ik het niet leuk zou vinden, maar overtuigde me dat het noodzakelijk was." "In 1981 bestond er nog geen samenlevingscontract dat de mogelijkheid bood goederen na te laten aan iemand die geen familie is. De enige manier waarop ze haar erfenis op mij kon overdragen, was via adoptie."SCHRIJVER VAN DE ONDERBUIKIn 1947 maakte Simone de Beauvoir in Chicago kennis met Nelson Algren, tijdens een lezingentournee door de Verenigde Staten. "Algren was anders dan de mannen die ze kende uit het Parijse universitaire milieu", zegt Le Bon. "Hij was warm, levendig en vrolijk. Bovendien was hij alles behalve een bourgeois. Hij leidde een heel non-conformistisch leven. Dat maakte hem extra verleidelijk." Algren zwierf na zijn studie journalistiek drie jaar lang rond. Hij at bij het Leger des Heils, verplaatste zich door op goederenwagons te springen en kwam aan de kost met allerhande baantjes, waaronder een op straat gespeeld louche geldspel. Hij belandde zelfs een paar maanden in de gevangenis voor de diefstal van een schrijfmachine. Zijn omzwervingen brachten hem in contact met de onderkant van de maatschappij. Het worden later de hoofdpersonages in romans als "Never come Morning" (1942) en "The Man with the Golden Arm" (1949), waarvoor hij de Pullitzer Prize kreeg. Hij beschouwde zichzelf als de verslaggever van de onderbuik van Chicago, de stad waar hij zich in 1945 definitief vestigde. De liefde die De Beauvoir voor Algren opvatte, leidde tot een transatlantische correspondentie. Zij schreef in een directe stijl, een "eenvoud" die ze verklaarde door haar gebrekkige kennis van het Engels. Maar ook haar verliefdheid zit er voor iets tussen. Het deert haar niet dat ze naïef overkomt. Ze noemt zich zijn kikkervrouwtje en ondertekent bijna al haar brieven met "je Simone". De Beauvoir geeft zich totaal aan Nelson Algren, noemt hem "mijn prachtige dorpsjongen, mijn lieve krokodil, mijn eigen man". In alle ernst brengt ze verslag uit over de zilveren ring die hij haar heeft gegeven en die ze tot aan haar dood zal dragen. Haar lijst van koosnaampjes is onuitputtelijk. Ze laat haar fantasie de volle loop in schalks-gedurfde aansprekingen en komt plagend uit de hoek in verschillende passages over hun volgende ontmoeting. Uit de brieven aan Nelson Algren blijkt ook de gedreven ambitie van De Beauvoir als schrijfster. "Ik wil werken, werken als een paard", schrijft ze hem. Ze is dag in dag uit gedreven bezig met haar schrijverschap. Ze bericht Algren over haar afspraken met uitgevers, over de artikels die ze redigeert voor Les Temps Modernes, over op stapel staande boeken, over de geldsommen die ze van Amerikaanse tijdschriften te goed heeft en die ze wil gebruiken om met hem te reizen. De auteur van "La deuxième sexe" is niet bevreesd het leven heel mannelijk tegemoet te treden: als auteur spreekt en handelt ze altijd in eigen naam. Ze rapporteert over haar diverse werkschema's en -locaties. Vaak schrijft ze in café Flore of in Les Deux Magots, soms trekt ze naar een blauw-geel hotelletje op het platteland om zich helemaal aan het schrijven te wijden. Weer een andere keer houdt ze zich samen met Sartre schuil in een huis van kennissen, waar ze een week lang in kamerjas rondlopen zonder buiten te komen. 's Avonds vermaakt ze zich. Als ze het nodig vindt, drinkt ze, om zich te ontspannen. Het staat allemaal letterlijk in de brieven, geen moment verhult ze wat ze doet, nergens wordt ze moraliserend.MIJN ECHTGENOOT EN SARTREMaar ook al noemt ze hem "mijn echtgenoot", toch gaat De Beauvoir nooit met Algren samenleven. Het blijft bij stapels brieven en een vijftal ontmoetingen van enkele maanden in Amerika of Frankrijk. Le Bon: "Dat is het hele drama van deze liefdesgeschiedenis. Zij probeert Algren te doen begrijpen dat het voor beiden onmogelijk zou zijn zich helemaal te ontwortelen. Als schrijvers konden ze niet anders dan op hun plek te blijven. Hij kon alleen schrijven in Chicago, zij alleen in Parijs." Het thema houdt De Beauvoir vaak angstig bezig in haar brieven. Ze wil hem niet verliezen, maar waarschuwt hem dat ze hem nooit alles kan geven. De keuze voor het schrijverschap was voor De Beauvoir onlosmakelijk verbonden met Sartre. Le Bon: "Ze heeft nooit overwogen de nauwe banden met Sartre op te geven. Sinds hun jeugd hadden ze samen besloten hun leven aan de literatuur te wijden. Dat contract was heilig. Ze waren elkaars eerste lezer en criticus. Niemand anders kon die rol vervullen, noch voor hem noch voor haar. Ze gingen akkoord om allebei ook andere minnaars te hebben, maar dat mocht hun band nooit in gevaar brengen. Natuurlijk ging dat niet zonder moeilijkheden. In haar brieven verbergt ze dat niet. Ze wil noch Sartre, noch Algren verzaken. Ze probeert de best mogelijke oplossing te verzinnen. Het is karakteristiek voor Simone de Beauvoir dat ze nooit heeft willen leven volgens de conventies. Ze streefde naar andere verhoudingen tussen de mensen." In haar brieven aan Algren poogt De Beauvoir haar engagement tegenover Sartre te verduidelijken: "Als ik mijn leven met Sartre opgaf, zou ik een ellendeling zijn, een verraadster en een egoïst. Ik wil graag dat je dit weet, wat je in de toekomst ook besluit: het is niet door een tekort aan liefde dat ik niet bij je blijf. Maar wat je ook moet weten, hoe verwaand dat ook mag klinken, is dat Sartre mij nodig heeft." Algren begreep de situatie, maar kon er niet mee leven. Verschillende keren maakte hij een einde aan hun liefdesgeschiedenis. Le Bon: "Als Algren in 1949 naar Parijs komt, stelt hij vast hoe goed De Beauvoir omringd is. Het hele intellectuele leven in Parijs draait rond haar en Sartre. Dat overdondert hem: hij heeft in Chicago nauwelijks vrienden. Wanneer hij uit Parijs vertrekt, voelt hij zich eenzamer dan ooit. In 1950 'besluit' hij haar niet meer lief te hebben, al houdt hij meer van haar dan ooit. Het is te pijnlijk, hij verdraagt het niet langer om het grootste deel van zijn leven alleen door te brengen. Maar ze blijven elkaar schrijven en ontmoeten. Hij hertrouwt met zijn eerste echtgenote en is ongelukkig. Zijn tweede huwelijk is een fiasco, hij heeft schulden, pokert, drinkt, zijn literaire projecten mislukken en hij zit midden in een proces tegen Hollywood om de filmrechten van zijn roman 'The Man with the Golden Arm'." "Vanaf 1953 droomt hij ervan terug naar Frankrijk te komen. Maar omwille van de heksenjacht op de communisten die in die periode in alle hevigheid woedt, kan hij geen paspoort krijgen. Hij noemt zichzelf de 'Amerikaanse gevangene'. Wanneer hij er in 1960 uiteindelijk in slaagt om toch naar Parijs te komen, is het te laat. Hij woont verschillende maanden bij De Beauvoir, maar daarna zullen ze elkaar nooit meer ontmoeten."LIEFDESBRIEVEN ZIJN PRIVEWanneer in 1964 de Engelstalige versie van "La force des choses" - de memoires van De Beauvoir - in Amerika uitkomt, is Algren furieus. De Beauvoir beschrijft in dat boek haar liefdesgeschiedenis met de Amerikaan en citeert uit zijn brieven. Eerder al had ze op een literaire manier naar hem verwezen in haar roman "De mandarijnen"; deze keer wordt Algren expliciet genoemd. Het betekent het definitieve einde van hun geschiedenis. In de pers haalt hij woedend naar haar uit. In 1981 is zijn kwaadheid nog steeds niet bekoeld. In een interview naar aanleiding van zijn boek "The Devil's Stocking" zegt hij: "Simone de Beauvoir heeft me in 'De mandarijnen' onder de naam Lewis beschreven; in een deel van haar memoires heeft ze van onze liefde een groot internationaal en literair avontuur gemaakt. Ze heeft mijn naam gebruikt, ze heeft passages van de brieven die ik haar had geschreven geciteerd. Haar uitgever heeft me toestemming gevraagd om ze te citeren, ik heb gezegd goed, maar met tegenzin, want liefdesbrieven moeten privé blijven. Ik ben overal ter wereld in bordelen geweest. Die vrouwen doen altijd de deur dicht, of je nu in Korea of India bent. Maar die vrouw heeft de deur van de slaapkamer wagenwijd opengezet en ze heeft het publiek erbij geroepen en de pers... Ik koester geen wrok meer jegens haar, maar ik vind het een gruwelijke manier van doen. Het zal wel een Europese manier zijn om de dingen te bekijken." Daags na het interview wordt Algren dood aangetroffen. Een krant kopt "Algrens body unclaimed!": "Algrens lichaam door niemand opgeëist." Ook De Beauvoir is niet op zijn begrafenis. Le Bon: "De breuk met Nelson Algren heeft Simone de Beauvoir erg droevig gemaakt. Als ik haar naar de reden van de breuk vroeg, antwoordde ze altijd dat ze het niet begreep. Hij hulde zich in een compleet stilzwijgen. Algren was altijd vriendelijk geweest, maar plotseling had hij zich ontpopt tot een ander mens. Hij was bijzonder vijandig. Het was voor haar geen mooie herinnering." Sylvie Le Bon heeft de brieven van Nelson Algren in haar bezit, die van De Beauvoir werden tijdens een veiling verkocht aan de universiteit van Columbus in Ohio. De brieven van Algren zijn niet in de bundel "Een transatlantische liefde" opgenomen. Nochtans had Le Bon de integrale versie van de briefwisseling al klaar, een klus die zes jaar tijd in beslag nam. "Toen kwam de reactie van Algrens literaire agenten: zij verboden de publicatie, zogenaamd omdat Algren dat niet zou hebben gewild. Een vreemde zaak, want daarover staat niets op papier. Voor de nagedachtenis van Algren zou de publicatie van zijn brieven nochtans erg positief zijn. Hij komt erin naar voren als een bijzonder innemend mens."GRAM IN DE FAMILIEToch kunnen de brieven van De Beauvoir worden gelezen als een op zichzelf staand geheel. Waar nodig heeft Le Bon in een stevig notenapparaat details toegevoegd - dagelijkse gebeurtenissen, namen van personen, reacties van Algren - die noodzakelijk zijn om de tekst te begrijpen. De transatlantische correspondentie vormt voor de lezer van nu een interessante kroniek van een tijdperk, een levendig verslag van de glorietijd van "De Familie", de beroemde vriendenkring rond Sartre en De Beauvoir. Net als buitenstaander Algren, wordt ook de lezer meegezogen in het Parijse intellectuele leven van na de oorlog: de drinkgelagen in de zogenoemde existentialistische kelders, de verhitte discussies tussen Sartre en Arthur Koestler, de beginnende roem van beeldhouwer Giacometti, de perikelen rond het tijdschrift Les Temps Modernes, de etentjes met Albert Camus en Merleau-Ponty, de uitstapjes met - "de lelijke vrouw" - Violette Le Duc, de hele uitgelaten en toch ernstige intellectuele sfeer van Saint-Germain-des-Prés. Pas later, veel later, wanneer zowel Sartre als De Beauvoir adoptiedochters hebben die elkaar nauwelijks mogen, zal Sartre zich volgens zijn biografe Annie Cohen-Solal na een middagmaal met De Beauvoir en Le Bon laten ontvallen: "Ik heb weer geluncht met die twee strenge muzen. Ze hebben geen woord tegen me gezegd." Maar in de brieven aan Nelson Algren is van die grimmigheid in "De Familie" nog lang geen spoor. Simone de Beauvoir, "Een transatlantische liefde. Brieven aan Nelson Algren 1947-1964", door Sylvie Le Bon de Beauvoir, De Geus? Breda, 618 blz., 1398 fr.Sofie Messeman Piet de Moor