In 1995 publiceerde verscheen Gie Bogaert zijn eerste "roman", "Wat we met de liefde doen". Nu ligt er een nieuwe, volumineuzere roman in de boekenwinkels. In hoofdstuk elf vertelt hoofdfiguur Frank Volcke over een aflevering van Blind Date die hij op televisie heeft gezien. Daarin zegt de presentator dat "dit een goed voorbeeld was van wat we zoal met de liefde doen". Was het de bedoeling een vervolg te schrijven?
...

In 1995 publiceerde verscheen Gie Bogaert zijn eerste "roman", "Wat we met de liefde doen". Nu ligt er een nieuwe, volumineuzere roman in de boekenwinkels. In hoofdstuk elf vertelt hoofdfiguur Frank Volcke over een aflevering van Blind Date die hij op televisie heeft gezien. Daarin zegt de presentator dat "dit een goed voorbeeld was van wat we zoal met de liefde doen". Was het de bedoeling een vervolg te schrijven? GIE BOGAERT: Ja en nee. Toen het vorige boek af was, had ik het gevoel dat ik nog lang niet alles gezegd had wat ik wilde zeggen over dit thema. Maar ik wou het wel op een andere manier brengen. Die bijna aparte verhalen met slechts een hele lichte draad erdoorheen geweven, dat wilde ik niet meer. Ook al omdat een aantal mensen, terecht, had opgemerkt dat het boek daardoor wat stroef las. Er moest meer samenhang en meer verhaal in. Maar het belangrijkste verschil: ik wilde in het hoofd van de personages kijken. Bij het vorige boek observeer ik vanop een afstand, zijn er heel veel personages, relaties of fragmenten van relaties. In dit boek focus ik bijna uitsluitend op de hoofdfiguur. Stilistisch is het daardoor ook anders geworden. Van zo gauw je in iemands hoofd kijkt, ga je verder dan alleen maar het registreren van iemands handelingen. Je poogt uit te schrijven hoe dat personage denkt, of probéért te denken, en vanzelf krijg je dan ook meer wijdlopigheid.Toch zijn enkele hoofdstukken geschreven vanuit het vertelstandpunt van twee nevenpersonages, Ralf en Bob, de zoon respectievelijk de ex-man van Franks minnares Phillie. Die plotse perspectiefwisseling is merkwaardig.BOGAERT: Ik was misschien toch wel bang om te langgerekt te zijn als ik alleen maar die ene persoon aan het woord zou laten. Een relict van de stijl van mijn vorige boeken, waarin voortdurend van perspectief gewisseld werd. Ik heb er ook een goede inhoudelijke motivatie voor: je zou het idee kunnen krijgen dat er wat mis is met Frank, dat hij een wat aparte man is. Ik wilde laten zien dat wat in zijn hoofd spookt, ook voor andere figuren geldt. Die andere figuren zijn schaduwpersonages. Bob is een afspiegeling van Frank, daarom laat ik hen ook met elkaar in gesprek komen op het einde. Ze hebben allebei een gemis, een verlangen. In de kiem is dat ook al aanwezig bij het kind Ralf, dat niet helemaal gelukkig is met wat het heeft en naar andere dingen verlangt. Ralf is verlamd door een val uit een boom, omdat hij wilde vliegen. Hij bedenkt scenario's voor de "nietsvermoedenden", verzint dingen over de mensen die hij om zich heen ziet. Ralf is de enige figuur waarbij ik als lezer niet de aanvechting kreeg hem een schop te geven.BOGAERT: Het was niet mijn opzet wrevel uit te lokken. Maar ja, alle personages hebben met elkaar gemeen dat ze geen helden zijn. Ik heb blijkbaar een onverklaarbare sympathie voor dat soort mensen. In mijn vorige boeken was dat ook zo. En, God, je moet toegeven: de meesten van ons nemen geen initiatieven. Ik heb wel uitdrukkelijk geschreven dat Frank een minnares "neemt", maar het is geen oplossing voor wat hij zoekt. Algauw vervalt hij weer in zijn lijdzaamheid. In plaats van zoveel over de storm in zijn hoofd na te denken, had hij waarschijnlijk beter zijn vrouw mee op reis genomen. Dan had ik dit boek niet hoeven te schrijven (zucht). Gebrek aan communicatie als het grootste probleem tussen mensen?BOGAERT: Sowieso. De moeite die ze hebben... Maar je kan het hen niet kwalijk nemen. Bij sommigen roept dat wrevel op, bij mij niet. Voor de kracht van een verhaal maakt het trouwens niet veel uit of je sympathie dan wel wrevel bij de lezer opwekt, als je maar een emotie losweekt. Frank slaagt er niet in een goed antwoord te verzinnen op zijn vragen en dus gaat hij bij anderen kijken hoe die hun leven invullen. Hij krijgt te veel verschillende antwoorden en wordt daardoor zo stuurloos als zijn Renault, die tijdens een uitstap uit de bocht gaat. Pas op het einde van het boek slaagt hij erin weer richting aan zijn leven te geven. Door iets te ondernemen?BOGAERT: Neen, door de omstandigheden. De catharsis aan het eind is een gevolg van het feit dat zijn minnares zijn vrouw gaat opzoeken. Pas als mensen met hun rug tegen de muur staan, zijn ze gedwongen iets te ondernemen. Anders kijken ze liever de kat uit de boom. Kunnen vrouwen dat niet makkelijker dan mannen?BOGAERT: Vrouwen zijn wat dat betreft grotere helden. Als hen iets overkomt, maken mannen er vaker een potje van. Misschien kunnen vrouwen de emotionaliteit rationeler benaderen, terwijl mannen het noorden verliezen. Zoals de man aan de flipperkast in mijn boek: die flipperkast slaat niet zomaar tilt, dat gebeurt omdat die man er veel te hevig op tekeergaat op het moment dat hij wint. De flipperkast en de stuurloosheid van de Renault zijn twee voorbeelden van hoe alle details van het boek functioneel in elkaar passen. Komen die details tijdens het schrijven aanwaaien?BOGAERT: Neen, ik ben iemand die heel erg goed voorbereidt. Als ik begin te koken, staan alle potjes met ingrediënten klaar. Soms komt er nog iets uit de lucht vallen, maar dat gebeurt heel zelden. Ik werk ook lang aan een boek; voor deze roman waren drie jaar schrijfwerk en voordien nog een heleboel voorbereiding nodig. Dingen die me opvallen en waarvan ik denk ze te kunnen gebruiken, inventariseer ik. Wanneer ik begin te schrijven, heb ik een resem ingrediënten. In die zin zijn ze ook allemaal functioneel, er is niets gratuit. Zelfs de meest banale verhalen in dit boek hebben op een of andere manier hun functie. U kiest voor de prozavorm. Terwijl u uzelf een registreerder noemt en geen verzinner.BOGAERT: Er is mij al vaker gezegd dat mijn stijl heel dicht bij poëzie aanleunt, maar daar waag ik mij niet aan. Een van mijn grote voorbeelden is Raymond Carver. Die heeft naast zijn verhalen, waarvan ik mateloos kan genieten, ook poëzie geschreven. Mensen die het weten kunnen, roemen die gedichten maar bij mij slaat de vonk niet over. Misschien is poëzie wel te ijl voor mij, ben ik te down to earth. In een recent interview zegt de Oostenrijkse schrijfster Marlene Streeruwitz, wier taal bijzonder sec is: "Taal moet tot het uiterste gereduceerd worden; door die bondige stijl word ik nergens dominant en creëer ik geen mythen die de macht in stand houden." Hanteert u ook zo'n filosofie?BOGAERT: De filosofie van de functionaliteit. Waarom zou je met heel veel woorden zeggen wat ook met drie kan? Bovendien is een minimalistische vertelstijl een middel om te vermijden dat je gaat poëtiseren in het hoofd van personages die helemaal niet poëtisch zijn aangelegd. Frank Volcke is geen dichter, het is een wat banale, realistische man. Ik probeer te schrijven op de manier zoals hij denkt. Net als in uw vorige boek is het motto van Richard Ford: "De liefde hield in dat je geen moeilijkheden veroorzaakte of uitlokte." Is dat ontgoochelde levensgevoel van de "dirty realists" van de Amerikaanse literatuur, zoals Carver of Ford, nog altijd het overheersende gevoel in uw leven en schrijverschap?BOGAERT: Ik heb me vaak afgevraagd of je met de jaren niet milder gaat denken. Ik heb van mezelf altijd gezegd dat ik een gematigde pessimist ben, en ik heb de indruk dat die gematigdheid groter wordt naarmate ik ouder word. Maar ik blijf wel een pessimist. Ik heb niet de pretentie me met Carver te vergelijken, maar ook in zijn werk kan je vaststellen dat hij met de jaren wijdlopiger en milder tegenover zijn personages wordt. Hangt het ene met het andere samen: stilistisch wijdlopiger, inhoudelijk milder?BOGAERT: Ik vermoed het. Hoe ouder je wordt, hoe meer je je ervan bewust wordt dat alles veel complexer in elkaar steekt dan je eerst had gedacht. Hoe minder rechtlijnig je de dingen voorstellen kan. En hoe meer je je bij die complexiteit neerlegt en veel minder oordeelt en veroordeelt. Aan het eind van dit boek stelde ik vast dat ik heel erg hield van de personages, meer dan van diegene die ik vroeger neerzette. Misschien wel omdat ik ze vroeger meer vanop een afstand observeerde, terwijl ik nu meer in het hoofd en de ziel van mensen kijk. Hoe registreert u wat er in het hoofd van iemand omgaat?BOGAERT: Door zelf te denken. De verhalen heb ik ergens opgevangen, maar de gedachten, en bij uitbreiding de thematiek, komen uit mijn eigen hoofd en gevoelsleven. Ik filter ze wel door de ogen van de personages. Anders gezegd: vóór die gedachten in de hoofden van die personages komen, komen ze in mijn hoofd. Het boek gaat over een liefdesverzamelaar.BOGAERT: Het is een liefdeverzamelaar, geen liefdesverzamelaar. Over die "s" heb ik met mijn uitgever ook gebakkeleid. Het taalgebruik zegt dat de woorden allebei mogen, maar we zijn eerder geneigd die tussen-s toe te voegen. Maar een liefdesverzamelaar is voor mij iemand die verschillende liefdes, verschillende vrouwen verzamelt, terwijl een liefdeverzamelaar iemand met een gebrek aan liefde is. Frank komt op het laatst van het boek tot een formulering van zijn nood: het is niet genoeg, ik wil meer liefde. Op het ogenblik dat hij dat inzicht tegenover zijn vrouw formuleert, is die net in slaap gevallen. En dan komt de regen bij bakken naar beneden. Dat is een verwijzing naar het slot van mijn vorige boek, waarin de koeien staan te wachten tot het ophoudt met regenen. Het is ook een verwijzing naar die andere sleutelpassage waarin Franks minnares hem verwijt dat hij almaar dénkt dat het regent. Als hij verwonderd vraagt waar die nattigheid dan vandaan kom, antwoordt ze: "Misschien komt die uit je eigen ogen. Misschien huil je graag om jezelf." Dus toch ook wrevel om zijn zelfmedelijden?BOGAERT: Ja. Maar hij evolueert, zij het heel langzaam. In het begin van het boek heeft Frank een weerzin voor slapende mensen, want slapen heeft met weerloosheid en kwetsbaarheid te maken en doet hem aan verschrikkelijk onheil denken. Op het einde ziet hij zijn vrouw slapen, hij vindt nog altijd dat ze er kwetsbaar uitziet maar het maakt hem niet meer bang. Het is een voorzichtige aanwijzing dat het met hem toch nog wel goed komt. Bent u nu uitgeschreven over de liefde?BOGAERT: Op deze manier wel. Het is nu tijd voor iets anders. Voorlopig moet de lezer het hier maar mee doen. Ik ben benieuwd naar de reacties, vooral van vrouwen. Ik hoop dat ze niet zullen afknappen op de hoofdfiguur, want ik heb het gevoel dat mannen het makkelijker zullen hebben met Frank. Gie Bogaert, "De liefdeverzamelaar", Van Halewyck, Leuven, 313 blz., 798 fr.Hilde Keteleer