"Ik ben wat men noemt tweezijdig verlamd. En niet alleen kan ik me niet meer bewegen, maar ik heb zelfs de hoofdprijs in de wacht weten te slepen: storing van beeld en geluid, één moment geduld alstublieft. Ik ben stom, blind en verlamd." Zesendertig jaar is Elise, ze ligt in zichzelf begraven en smeekt elke dag of ze alsjeblieft echt dood mag gaan. Een jaar geleden was ze met haar geliefde, Benoït, op vakantie in Ierland. Tijdens een uitstapje naar Belfast gingen ze even naar een bank om travellercheques te wisselen. Een autobom, tien meter verder, doodde Benoït en maakte van Elise een plant. Ze kan alleen communiceren door de wijsvinger van haar linkerhand op te lichten.
...

"Ik ben wat men noemt tweezijdig verlamd. En niet alleen kan ik me niet meer bewegen, maar ik heb zelfs de hoofdprijs in de wacht weten te slepen: storing van beeld en geluid, één moment geduld alstublieft. Ik ben stom, blind en verlamd." Zesendertig jaar is Elise, ze ligt in zichzelf begraven en smeekt elke dag of ze alsjeblieft echt dood mag gaan. Een jaar geleden was ze met haar geliefde, Benoït, op vakantie in Ierland. Tijdens een uitstapje naar Belfast gingen ze even naar een bank om travellercheques te wisselen. Een autobom, tien meter verder, doodde Benoït en maakte van Elise een plant. Ze kan alleen communiceren door de wijsvinger van haar linkerhand op te lichten. In een monologue intérieur doet ze verslag van haar bestaan, dat vrij zinloos is, tot ze de zevenjarige Virginie ontmoet. Als ze op een zaterdagochtend door haar verzorgster, buiten de supermarkt, in de rolstoel geparkeerd is, spreekt het kind haar aan. Het vertelt van de Dood-in-het-Bos. Iemand die de afgelopen jaren in de bossen jongetjes heeft vermoord. Een van hen was haar halfbroertje. Virginie: "Volgens mij houdt de Dood niet van zijn werk. Maar hij moet het doen, weet je. Het overvalt hem, opeens, zomaar, hopla, en dan moet hij een kind hebben." De kinderen zijn niet verkracht, maar wel verminkt: handen geamputeerd, ogen uitgestoken, gescalpeerd, hart eruit gesneden. Elise krijgt het letterlijk Spaans benauwd. Liegt het kind? Nee, daarvoor weet ze te veel. Ze kondigt zelfs een keer een moord aan die iets later plaatsvindt. En als ze de moordenaar kent, waarom beschermt ze hem dan? Maar vooral: wat kan Elise doen? Het krijsen van de bossen ( "La mort des bois") van de Franse auteur Brigitte Aubert is op veel momenten wurgend spannend. De hoofdpersoon trekt de lezer mee in haar claustrofobische positie. Ze raakt betrokken bij het onderzoek naar de seriemoordenaar, die er een sadistisch genoegen in schept haar te treiteren en die haar probeert de dood in te jagen. Daarnaast worden diverse mannen uit de vriendenkring - waarin ze via het contact met Virginie is opgenomen - verliefd op haar. Waarom zijn ze allemaal zo aardig? "Het feit dat ik niet afstotelijk ben, heeft er vast ook mee te maken. Ik kwijl niet, kronkel niet in mijn stoel en rol niet met mijn ogen. Ik ben eerder een soort Schone Slaapster, die is ingedommeld op haar troon ..." Met huid en haar overgeleverd aan de haar omringende mensen (ze krijgt kruidenthee, maar snakt naar calvados; ze moet luisteren naar audiocassettes waarop een roman van Balzac wordt voorgelezen terwijl ze denkt: kon ik die kutcassettes maar afzetten) weet ze toch nog een forse bijdrage te leveren aan de gewelddadige ontknoping. EEN BAK SORES"Wie had gedacht dat het leven van een plant zo spannend kon zijn?" "Als de ogen het venster van de ziel waren, stond hier een bord bij: KAMERS TE HUUR." Een oneliner uit "Foute Boel!" van de Amerikaanse auteur Harlan Coben, winnaar van drie grote Amerikaanse mystery-prijzen: de Edgar, de Anthony en de Shamus Awards. Dit is het eerste boek dat in het Nederlands werd vertaald. Zijn protagonist, de sportmakelaar Myron Bolitar, moet een vrouwelijke basketbalster beschermen, die door onbekenden bedreigd wordt: Brenda Slaughter, vijfentwintig jaar, één meter zesentachtig, de kleur van gourmet-koffie met melk, geen maatje zesendertig, "een bak sores", en bijzonder aantrekkelijk. Via Bolitar krijgen we een inkijkje in de sportwereld en in de politiek, twee terreinen waarop men zich bij voorkeur met meedogenloosheid handhaaft. Maar ook de rassenkwestie komt ter sprake en Bolitar blijkt ondanks zijn venijnige uitvallen en scherpe humor een politiek correcte good guy. Zo goed zelfs dat hij bijna de gevaarlijkste persoon uit het verhaal over het hoofd ziet. "Verdorvenheid kon onmogelijk in een zo politiek correcte vorm vervat zijn." Scherp geschreven en wat belangrijk is: de humor doet niets aan de spanning af. Bolitar heeft een aantal ongebruikelijke trekjes voor de harde held in een thriller. Hij woonde tot over zijn dertigste thuis bij zijn ouders, vindt de armen van zijn vader nog altijd de veiligste plek ter wereld, en heeft verlatingsangst. Zijn maatje Win, die hem altijd te hulp schiet, ziet er met zijn mooie blonde haar, hoge porseleinachtige jukbeenderen en ogen met de kleur van blauw ijs, uit als een ongevaarlijke engel. Iemand met geld (klopt), een antisemiet (klopt niet), elitair (in zekere zin). Veel mensen komen er, misleid door zijn uiterlijk, te laat achter dat hij zeer gewelddadig is. En cynisch. "Als je je laat klonen en dan met jezelf de liefde bedrijft, is dat dan incest of masturbatie?" Alle personages zijn goed uitgewerkt. Zoals de gebroeders Bradford, die voor New Jersey zijn wat de Kennedy's voor Massachusetts waren, met alle smeerlapperij die bij macht schijnt te horen. Het verhaal heeft mooie wendingen en de plot is ronduit prachtig. Harlan Coben, "Foute boel!", De Boekerij, Amsterdam, 288 blz., 595 fr. Brigitte Aubert, "Het krijsen van de bossen", Archipel, Amsterdam/Antwerpen, 276 blz., 799 fr.Ineke van den Bergen