'Als ik u in uw hemd wil zetten, zal ik het u 48 uur op voorhand laten weten.' Ze klonk een beetje knullig, de belofte die Luc Vansteenkiste in mei 2002 maakte aan eerste minister Guy Verhofstadt (VLD). Vansteenkiste was maar net tot voorzitter benoemd van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en het was zijn allereerste bezoek aan de Wetstraat 16. Maar zijn opmerking was wel typisch voor de persoonlijkheid van de nieuwe voorzitter: Vansteenkiste was geen politiek dier, geen lobbyist, zelfs geen door de wol geverfde diplomaat. Een doorgewinterde manager, ja. Een succesvol ondernemer, en misschien ook wel een notoir netwerker. Maar hij stond ver van de ondernemersdiplomatie die het VBO pleegt te prediken. En hij begon aan zijn mandaat zonder voorbereiding, zonder politieke voorkennis, zonder beleidsplan. Een beetje als de hond in het spreekwoordelijke kegelspel. 'Ik had er geen flauw benul van hoe het politieke spel werkte', geeft hij ootmoedig toe. 'Ik vond alleen dat ik duidelijk moest maken dat ik respect voor de ondernemers wilde eisen, maar dat ik in ruil hetzelfde respect voor de politiek wilde opbrengen.'
...

'Als ik u in uw hemd wil zetten, zal ik het u 48 uur op voorhand laten weten.' Ze klonk een beetje knullig, de belofte die Luc Vansteenkiste in mei 2002 maakte aan eerste minister Guy Verhofstadt (VLD). Vansteenkiste was maar net tot voorzitter benoemd van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en het was zijn allereerste bezoek aan de Wetstraat 16. Maar zijn opmerking was wel typisch voor de persoonlijkheid van de nieuwe voorzitter: Vansteenkiste was geen politiek dier, geen lobbyist, zelfs geen door de wol geverfde diplomaat. Een doorgewinterde manager, ja. Een succesvol ondernemer, en misschien ook wel een notoir netwerker. Maar hij stond ver van de ondernemersdiplomatie die het VBO pleegt te prediken. En hij begon aan zijn mandaat zonder voorbereiding, zonder politieke voorkennis, zonder beleidsplan. Een beetje als de hond in het spreekwoordelijke kegelspel. 'Ik had er geen flauw benul van hoe het politieke spel werkte', geeft hij ootmoedig toe. 'Ik vond alleen dat ik duidelijk moest maken dat ik respect voor de ondernemers wilde eisen, maar dat ik in ruil hetzelfde respect voor de politiek wilde opbrengen.'Drie jaar na zijn aantreden is Vansteenkiste gepokt en gemazeld in het politieke spel. Hij kreeg een lijn in de standpunten van de verschillende werkgeversorganisaties, die vroeger elk hun eigen ideeën plachten te bepleiten en zo een heel diffuse boodschap uitdroegen aan de onderhandelingstafel. Hij hielp het centraal akkoord (IPA) tussen de werkgevers en de sociale partners doordrukken - een akkoord dat de loonnorm voor alle Belgische bedrijven vastlegde op 4,5 procent voor 2005 en 2006. Hij bepleitte met succes 1,2 miljard euro aan lastenverlagingen voor bedrijven bij de federale regering, en hij kreeg en passant de code-Lippens aan de politiek verkocht - een leidraad voor deugdelijk bestuur die zónder die code wellicht bij wet aan de bedrijfsleiders zou worden opgedrongen. 'Tijdens alle onderhandelingen die ik heb gevoerd', zegt Vansteenkiste met de nodige nadruk, 'heb ik een enorm respect gekregen voor de politici en de vakbondsleiders. Ik ben ook zwaar onder de indruk geraakt van de eigenaardige contradictie die door zulke onderhandelingen zweeft. Wij ondernemers hebben de neiging om alleen te kijken naar ons eigen potje - de gevolgen van overheidsmaatregelen op de omzet, de winst en de kostenstructuur van ons eigen bedrijf. Vakbonden blijken zich daarentegen enorm bewust van de totaliteit van het economische bestel. Ze weten perfect welke weerslag een ingreep in de flexibiliteit op de kleinste posten van de sociale zekerheid zal hebben, ze hebben tot op de frank becijferd hoe de afschaffing van de index tot een economische vertraging zou kunnen leiden. En ze aarzelen niet om die kennis te gebruiken, als het kan helpen om te behouden wat ze al die jaren hebben opgebouwd. Die dichotomie aan de onderhandelingstafel leidt tot een bizarre schizofrenie. Aan de ene kant zitten de ondernemers, die heel snel willen beslissen, maar altijd wel iemand met een wrang gevoel over het resultaat achterlaten. Aan de andere kant zitten de vakbonden en de politici, die naar álles willen kijken en daardoor het beslissingsproces fors vertragen.' LUC VANSTEENKISTE: Toen kénde ik de politiek gewoonweg niet. Ondernemers zijn daar helemaal niet mee bezig - terecht trouwens: zij moeten in de eerste plaats denken aan hun producten, hun kwartaalcijfers en hun aandeelhouders. Ze hoeven zich helemaal niet met die politiek op te houden, daar hebben ze beroepsverenigingen als het VBO voor. Maar ik heb kunnen zien hoe politici op de juiste momenten keiharde beslissingen durven nemen. En ik moet zeggen dat de politici mij nooit hebben bedrogen. Of toch niet ostentatief, want ik heb wel vastgesteld dat de ene politicus wat glibberiger is dan de andere. (lacht)Maar ik verzeker u dat ik twee jobs voor geen geld ter wereld zou willen: ik zou nooit aan het hoofd willen staan van de Belgische regering, en ik zou nooit een vakbond willen leiden. Toppolitici en vakbondsleiders moeten een leven lang het onverzoenbare proberen te verzoenen. De meeste politici en syndicale leiders met wie ik onderhandeld heb, gaven blijk van een duidelijke visie en ze wisten echt wel wat er verkeerd liep in het land. Alleen: ze kregen het zo moeilijk aan hun achterban verkocht. Ik zou daar heel slecht mee kunnen leven. VANSTEENKISTE: Voor een stuk hebben ze dat gedaan, ja. En ik vind niet dat wie dan ook daar scrupules over moet hebben. Al bij het begin van het sociaal overleg voelde ik aan dat er niemand wilde praten - de werkgevers niet, de sociale partners niet, niemand. Toen ik besefte dat de norm die wij als werkgevers wilden bepleiten - minder dan vier procent loonsverhoging over drie jaar - voor de vakbonden om puur technische redenen niet verkoopbaar was, ben ik naar Verhofstadt gestapt. Ik zei: 'Guy, je moet ons helpen, anders geraken we er niet uit.' Ik redeneerde: de loonsverhoging kost de bedrijven vijf miljard, waarvan er drie naar de belastingen vloeien. Het zou maar billijk zijn als een deel van die drie miljard naar het bedrijfsleven terugvloeide, bijvoorbeeld om de overuren fiscaal aantrekkelijk te maken. Uiteindelijk heeft de regering 250 miljoen euro vrijgemaakt voor een regeling die we twintig jaar geleden hadden geschrapt. En daarmee heb ik mijn achterban over de streep kunnen trekken om niet 4, maar 4,5 procent loonsverhoging toe te staan. VANSTEENKISTE:(beslist) Helemaal niet. Ik denk dat de ondernemingswereld een referentiekader nodig heeft dat voor heel België geldt, en waarop in een later stadium de akkoorden voor de sector of de regio geijkt kunnen worden. Trouwens, wat is het alternatief? Wie pleit voor onderhandelingen per bedrijf, heeft wellicht nooit aan de onderhandelingstafel gezeten - die beseft niet dat de vakbonden bij de minste twist met de bedrijfsleider de boel kunnen platleggen. Het is trouwens opvallend hoe negen op de tien bedrijven klakkeloos het centraal akkoord of de sectoriële collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's) kopiëren. Of hoe in de jongste ondernemers-enquête van uw zusterblad Trends driekwart van de bedrijfsleiders zegt dat de loonnorm eigenlijk te hoog ligt, maar hoe zes van de tien ondernemers ook grif toegeven dat ze het zelf niet beter hadden gedaan. Alle sociale onderhandelaars, van hoog tot laag, zijn voorstander van een referentiekader als het centraal akkoord. Dat betekent dat het nog altijd zijn nut heeft. Zonder die gemiddelde loonnorm zouden de sectoren veel moeilijker kunnen onderhandelen, of discussiëren de onderhandelaars op bedrijfsniveau veel meer in het ijle. En misschien is zelfs de buitenwereld beter af: daar is het kiezen tussen drie maanden elke dag Luc Vansteenkiste voor de camera, of een jaar lang elke dag álle sectorhoofden in het nieuws. (lacht)VANSTEENKISTE: Zeker wel. De sociale partners beginnen eindelijk te beseffen dat ze niet alle lasten van de maatschappij op de schouders van de ondernemingen kunnen laden. Ze weten dat de economie daar vroeg of laat aan kapotgaat, en dat is een enorme stap vooruit. Laatst las ik het krantenbericht over een man die na 36 jaar in de wachtuitkering op pensioen was gestuurd. Hij had zijn hele leven geen dág gewerkt. Iedereen begint te beseffen dat zoiets eigenlijk niet kan, dat er naast rechten ook plichten moeten zijn. Dat stemt me gelukkig: het geeft aan dat iedereen begrijpt dat ons prachtige sociale systeem, dat met de beste bedoelingen is gebouwd, anders niet betaalbaar blijft op de lange termijn. Kijk, ik ben ervan overtuigd dat niemand wil dat onze ziekenzorg wordt afgebouwd. Toen ik vorig jaar op een brancard een Mexicaans ziekenhuis werd binnengereden, stelden de dokters drie vragen. De eerste was of ik rookte. De tweede of ik medicijnen pakte. De derde of ik verzekerd was. Toen ik op die vraag een beetje aarzelde, gewoon omdat ik het bedrag niet uit het hoofd wist, hebben ze mij drie kwartier in de gang laten liggen tot een fax uit België het bewijs van mijn verzekering had geleverd. Op zulke momenten besef je pas hoe goed onze gezondheidszorg functioneert, en waarom we haar niet kwijt willen. Maar we moeten ook de forse anomalieën van het systeem willen zien. Neem nu het probleem van die pensioenleeftijd. Onze maatschappij stimuleert werknemers van net onder de zestig om uit de arbeidsmarkt te stappen. Als ze op 58 stoppen in plaats van tot hun zestigste te blijven werken, geven we ze verdorie méér pensioen dan omgekeerd. Dat is gewoon een absurde situatie, want die mensen kosten de maatschappij drie keer geld: aan uitkeringen, aan sociale lasten en aan verminderde consumptie. Ik wil niet beweren dat we de mensen moeten beletten om vervroegd met pensioen te vertrekken, maar hen stimuleren vind ik toch ook een stap te ver. VANSTEENKISTE:(zucht) Ja, maar die rea- geerden met een dooddoener: 'Geef eerst die 200.000 werkzoekenden werk, en dan zullen we wel over de ouderen praten.' Zo kom je geen stap verder, natuurlijk. Al goed dat we enkele jonge ministers in de regering hebben: hun generatie denkt daar tenminste helemaal anders over. Mijn zoon en mijn dochter houden er bijvoorbeeld voortdurend rekening mee dat ze géén pensioen meer zullen krijgen. En op dezelfde manier zijn jonge politici zich ervan bewust dat ze nu meer dan ooit ook over hún toekomst beslissen. VANSTEENKISTE: Ik ben in elk geval geen doemdenker. De toestand in België is hoogst eigenaardig: vijftien jaar geleden waren er hier 3,8 miljoen mensen aan het werk, nu 4,2 miljoen. We hebben de enorme toevloed van vrouwen naar onze arbeidsmarkt geruisloos geabsorbeerd. We hebben de verschuiving van de bevolkingspiramide geslikt zonder dat onze economie in elkaar is gestuikt. En toch is er nog nooit zo geklaagd over de enorme werkloosheid, of over de 7700 faillissementen die we elk jaar moeten slikken. Terwijl de kern van de zaak veel onrustwekkender is: er staan te weinig nieuwe ondernemingen op en er heerst een absolute schaarste aan ideeën. Niet dat ik nog geloof in duffe ingenieurs die vanuit hun garage een nieuw Solvay of Bayer kunnen uitbouwen, maar er zouden toch meer vernieuwende bedrijven moeten komen die onze economie kunnen doen groeien. Dat moeten we proberen te stimuleren. VANSTEENKISTE: Ik ben bang voor het tweede. In drie jaar legislatuur heb ik met handen en voeten de complexiteit van de situatie proberen uit te leggen aan de veertig leden van het directiecomité van het VBO. Het bleek een aartsmoeilijke opdracht. Bedrijfsleiders, die in hun bedrijf heel veel beslissingen kunnen doordrukken en onmiddellijk laten uitvoeren, snappen niet dat het soms een jaar kan duren voor een beslissing van het kernkabinet uitmondt in een wet, en finaal ook in een uitvoeringsbesluit. Neem nu die lastenverlaging: verschillende bedrijfsleiders zijn me komen vertellen dat ze daar niets van hebben gezien. (verheft de stem) Natuurlijk hebben ze daar niets van gezien: vooraleer de besluiten langs de kabinetten en de Raad van State zijn gepasseerd en de lastenverlaging vervolgens haar weg naar de boekhouding van de bedrijven vindt, zijn we minstens twee jaar verder. VANSTEENKISTE: Misschien gaat die conclusie wel een beetje te ver, maar in feite komt het daar wel op neer. Natuurlijk zou de politiek nog véél meer voor het bedrijfsleven kunnen en ook wel moeten doen. België slaagt er bijvoorbeeld wel in om zich te positioneren als een land van diplomaten en gewiekste onderhandelaars in het Europese politieke bestel van morgen. Dat heeft van Brussel de Europese hoofdstad gemaakt, en van België de navel van de EU. Dat is een fantastische verwezenlijking, die we allemaal vreselijk onderschatten. Maar tegelijk blijkt het ons niet te lukken om ons land te verkopen bij bedrijven in het buitenland. De economische lobby van België werkt niet. Eigenlijk zou Verhofstadt gewoon wat vaker zijn valies moeten pakken en naar Detroit trekken, ik zeg maar wat, om aan de bonzen van de grote autofabrieken te vertellen dat hij tot álles bereid is om pakweg de autoassemblage hier te houden. Dat zou onze economische positie serieus kunnen versterken. VANSTEENKISTE: We moeten alle middelen gebruiken, want de situatie is nog altijd precair. De economische groei takelt af, en we zijn niet meer zo ver van de verlaging van de koopkracht. Als dat gebeurt - en in Frankrijk of Duitsland is het misschien al zover - zal de consumptie slinken en verliezen de bedrijven in België hun reden van bestaan. Koppel dat aan onze hoge loonmassa, en het probleem van de delokalisering zal pas echt de kop opsteken. U moet namelijk weten dat het verenigde Europa weliswaar twaalf jaar bestond toen ik bij het VBO begon, maar weinig mensen beseften toen al wat er aan het gebeuren was. De voorbije jaren is de sfeer helemaal omgeslagen: China is komen opzetten, Oost-Europa werd een aantrekkingspool voor bedrijven op zoek naar goedkopere productiekrachten. En die aantrekkingskracht is nog altijd niet uitgedoofd. VANSTEENKISTE:(gooit de armen in de lucht) Ik vrees van wel. De grondstofprijzen in de chemie zijn het voorbije jaar met zestig procent gestegen. Die in de staalsector zijn zelfs verdubbeld. Vroeg of laat eindigt die verhoging van de productiekosten ofwel in het faillissement van de bedrijven die ze moeten ophoesten, ofwel in het prijskaartje dat de eindgebruiker moet betalen. En stel dat we ook nog het vangnet van de euro verliezen (de olieprijzen worden in dollars berekend, dus zolang de euro het goed doet tegenover de dollar blijft de reële stijging van de olieprijzen binnen de perken voor Europa, nvdr.) krijgen we dat allemaal dubbel zo hard in ons gezicht. Het meest frustrerende is dat we er helemaal niets aan kunnen verhelpen, want de economische groei in Europa ligt te laag om de rente te verhogen en op die manier de eigen munt te ondersteunen. Nu ik erover nadenk: het enige wat me hoop geeft, is de totale onvoorspelbaarheid van de economische ontwikkeling. Als ik alle goede raad had opgevolgd die ik in de jongste twintig jaar van financiële specialisten heb gekregen, was ik nu al verschillende keren bankroet geweest. (lacht)VANSTEENKISTE: De media eisten dat het volledige directiecomité zijn loon in de openbaarheid zou gooien, maar daar heeft België niet de juiste cultuur voor. In de VS maakt het zakentijdschrift Fortune elk jaar een lijst van de grootste verdieners. De dagen na de publicatie lopen de miljonairs tegen elkaar op te bieden op straat. Hier in België spreken we uitsluitend in negatieve termen over lonen van topmanagers: (vervormt zijn stem) 'Heb je gezien hoe schandalig veel geld die mens verdient?' Ik wilde het spektakel uit de discussie halen, en om de storm te laten luwen heb ik de CEO's geofferd op de slachtbank van de media. En we hebben gepleit voor het vermelden van de globale som die wordt uitgekeerd aan het volledige directiecomité van beursgenoteerde bedrijven. Als we dat erdoor krijgen, heeft de hele historie rond Jan Coene (de ex-CEO van weefgetouwenfabrikant Picanol, die buiten het zicht van de raad van bestuur een exorbitante verloning voor zichzelf had bedongen, nvdr.) toch iets bereikt. VANSTEENKISTE: Pfft. Geen enkele van mijn investeerders in Londen heeft me ooit gevraagd hoeveel ik eigenlijk verdiende. Ze hebben me wel gevraagd of ik zelf in het bedrijf zat. (wrijft met de duim over de keel) 'Tot hier, heb ik geantwoord.' Ik heb 240 miljoen Belgische frank geleend om Recticel uit de boedel van de Generale over te nemen. En ik ben nog altijd aan het afbetalen. Maar zegt u mij eens wie er belang bij heeft om te weten wat mijn financieel directeur verdient? De headhunters misschien, die in dat geval die man kunnen komen wegkopen omdat hij te weinig zou verdienen? Ik zie daar echt het nut niet van in. (zucht) Weet u wat ik vooral spijtig vind? Dat door die hele discussie over de managerslonen de argumentatie over deugdelijk bestuur is ondergesneeuwd. Corporate governance is natuurlijk veel méér dan het bekendmaken van de wedde van de topmensen. Dat gaat over de cultuur van een bedrijf, over de toon die directeuren zetten, over de investeerders die het bedrijf aantrekken, over de doelstellingen die het management opgelegd krijgt. Dat gaat over referentieaandeelhouders die een langetermijnvisie voor het bedrijf ontwikkelen, om te vermijden dat het management de keet overneemt en het subtiele evenwicht verstoort tussen de gedelegeerd bestuurder en de raad van bestuur. Zonder dat evenwicht is het bedrijf overgeleverd aan va-et-vient-investeerders. Of erger nog, aan hedge funds (speculatiefondsen van privé-investeerders, nvdr.). Eigenlijk is dat een heel pervers en heel gevaarlijk kantje van de economie: het geld van arbeiders die naar een stabiele job zoeken, verdwijnt via de pensioenfondsen naar de hedge funds die zonder een greintje emotie op kortetermijnwinst gefixeerd zijn. Die, met andere woorden, precies het tegenovergestelde doen van wat de oorspronkelijke beleggers eigenlijk wensen. En bij de eindafrekening zijn het de bedrijven en de werknemers die de zwaarste prijs betalen. We moeten dat beslist proberen te vermijden. Frank Demets'Wie pleit voor één cao per bedrijf, heeft nooit aan de onderhandelingstafel gezeten.''Eindelijk beseffen we dat er behalve rechten ook plichten moeten zijn.'