'Tijdens de zomermaanden leek het in de Slachthuisstraat alle dagen zondag. Er hing een leegte en een loomte. De Marokkanen waren naar Marokko. De Italianen naar Italië. De Spanjaarden naar Spanje. Vilvoorde wachtte tot iedereen na de zomermaanden terug zou keren. Onze vaders waren er werkloos geworden, ze hadden er gewerkt in de Forges de Clabecq, de koekjesfabriek van Delacre, de Renaultfabriek, maar wij hadden er ons leven.
...

'Tijdens de zomermaanden leek het in de Slachthuisstraat alle dagen zondag. Er hing een leegte en een loomte. De Marokkanen waren naar Marokko. De Italianen naar Italië. De Spanjaarden naar Spanje. Vilvoorde wachtte tot iedereen na de zomermaanden terug zou keren. Onze vaders waren er werkloos geworden, ze hadden er gewerkt in de Forges de Clabecq, de koekjesfabriek van Delacre, de Renaultfabriek, maar wij hadden er ons leven. "Putain, tu vas partir."Fouad sprak als eerste. Het was een warme augustusavond in 2004. We zaten in het park voor de Slachthuisstraat. We zaten in het donker op een bank: Fouad, Machmoud, Joël, Kahal, Ifti en ik. "Putain, on y est", zeiden Machmoud en Ifti. Hij sloeg zijn hand in mijn hand. Ik was degene die Vilvoorde als eerste verliet. Naar Amerika. Ik was op weg naar een droom. Maar ik kon het nog altijd niet goed geloven. Joël moedigde me aan. Ik zat met mijn rug naar mijn ouderlijk huis. De rijhuizen in de Slachthuisstraat waren toen nog niet in felle kleuren geschilderd. Dat gebeurde pas later, op kosten van de gemeente die de arbeiderswijk van de vroegere Cokesdivisie van Forges de Clabecq een vrolijker aanzien wilde geven. Ons huis was nog niet kanariegeel. "Stel u voor", zei ik, "dat ik contact krijg met een van die zangers en voor hem kan dansen". "Stel u voor dat ik..." We keken niet naar de arbeidershuizen. We keken naar de lucht. Ik heb altijd een evenwicht moeten zoeken tussen hoop en angst. "Stel u voor dat ik het niet met mijn gastfamilie kan vinden", zei ik. Voor ik met de uitwisselingsorganisatie AFS naar Amerika vertrok, kende ik niemand van buiten Vilvoorde. "Er is toch een organisatie die u opvangt", zei Kahal. Kahal, mijn Chinese vriend, was altijd de meest logisch denkende van ons allemaal geweest. Het werd kouder en we gingen ons huis binnen. Mijn vader die me de volgende ochtend naar de luchthaven zou brengen, was nog wakker. Hij had dat altijd gehad: als hij met de ochtenddienst stond nadat de fabriek in Vilvoorde dichtgegaan was, moest hij met de andere Cocqueril-arbeiders heel vroeg naar Tubize vertrekken. Hij bleef dan langer wakker om zijn nachten korter te maken. Hij zat alleen aan de keukentafel. Hij keek naar mijn zwarte koffer die in de keuken klaarstond. "Ja, ja. Ismael vertrekt", zei hij tegen mijn vrienden. "Ja, ja..." Hij zweeg en zette thee voor ons. Wij gingen met hem rond de tafel zitten. We zeiden ook niet veel meer. We keken naar de zonnebloemen op het tafellaken. De laatste 24 uur voor ik naar Amerika vertrok, zouden we met de vrienden samen blijven. Het werd al bijna licht toen ik moest gaan. Mijn moeder kwam naar beneden. Ze wenste me een gezegende reis. En ze vroeg wat een moeder op zulke momenten vraagt: "Heb je alles?" Fouad tilde de koffer in de laadbak van de zwarte camionette van mijn vader. We reden Vilvoorde uit. Ik zat voorin naast mijn vader. Fouad, Joël, Machmoud en Kahal zaten achterin. Niemand zei iets. In de vertrekhal van de luchthaven van Zaventem stonden honderden jongeren die ook met de uitwisselingsorganisatie naar Amerika vertrokken. We namen afscheid voor een jaar. Toen ik mijn vader omhelsde, zag ik hoe achter zijn brillenglazen zijn ogen nat werden. Hij liet me gaan. Ik was zeventien. Ik pakte hem vast. Ik voelde hoe zijn schouders schokten.' *** 'Mijn vader had ook meer gewild. Hij was als zeventienjarige vanuit het zuiden van Marokko naar Casablanca getrokken om er te studeren. In zijn dorp leerde een kind lezen met de Koran en dat was het dan. In Casablanca kwam hij aan de kost door op de markt elastieken te verkopen die de mannen rond hun enkels spanden zodat hun broekspijpen niet tussen de fietsketting kwamen te zitten, hij ging er naar school en hij leerde er mijn moeder kennen. Hij trok verder naar het noorden. Op zijn 20e kwam hij in Vilvoorde aan. "Aan het station van Vilvoorde stonden toen rijen mannen ons op te wachten om arbeiders uit te kiezen", vertelde hij ons altijd. Hij heeft tot 1986 gewerkt in de Forges in Vilvoorde. Als staalsmelter. De fabriek lag aan het eind van onze straat. Maar de fabriek ging dicht in 1986, een jaar voor mijn geboorte. Daarna moest mijn vader naar de fabriek in Tubize. Ik zag hem niet veel toen ik klein was, hij stond met shiften. Mijn oudste broer Mounir is geboren in 1978, dan kwam Abdel Karim, dan mijn zus Hasna en dan ik in 1987. Toen de oudste twee jong waren, reed er nog een schoolbus vanuit de arbeiderswijk naar Haren. Na de sluiting van de fabriek in Vilvoorde, reed ook de schoolbus niet meer. Daardoor komt het dat de oudste twee naar een Franstalige school zijn gegaan en mijn zus en ik in Vilvoorde naar een Nederlandstalige katholieke school. De oudste twee van het gezin spraken Frans, de twee jongsten Nederlands. Mijn vader was vakbondsafgevaardigde voor de FGTB. Hij heeft voor zijn werk en rechtvaardigheid gevochten. Hij heeft begin jaren negentig mee gemarcheerd in de betogingen 'Wij marcheren omdat niets marcheert'. Toen de fabriek failliet ging in 1997, werd ik tien. Mijn vader is even later op prepensioen gegaan. Ik herinner me de spanningen en de gesprekken over de betogingen, de nieuwsberichten. Mijn vader had een klein Zwitsers zakmes. In het heft was een diep gat. "Dit mes zat in mijn borstzak toen een hete metaalsplinter tegen mijn hemd vloog", zei hij altijd: "Had ik dit mes niet gehad, was er een gat in mijn hart gebrand." Hij wilde ons niet confronteren met financiële problemen. Ik heb iets van mijn vader: ik ben een grote spaarder. Hij toonde nooit zijn emoties. Of via een omweg. Als kind ging ik een keer met mijn vader melk halen in de Aldi. Hij nam me daarna, zonder iets te zeggen, met een zak vol melk in de hand, mee naar de kermis, naar de eendjeskraam. Ik ving eendjes. We kwamen thuis met een pijl en boog voor een indiaan en de melk. Dat smeedde een band. Met mijn moeder keek ik tussen de middag naar soaps: The Bold and the Beautiful en zo. Mijn moeder vertelde dat ze mijn vader maar één keer in zijn leven als een gebroken man heeft gezien. "Toen hij zijn groene werkzak waarin de olijven, het brood en zijn thermos voor tijdens de schafttijd zaten, voor het laatst over zijn schouders trok en thuis voorgoed aan de haak hing." Die zak hangt nu in de kelder.' '"Als je naar Amerika wilt, is dat goed", had mijn vader gezegd. "Maar ga dan werken voor je centen om die reis zelf te betalen." Toen dacht ik: als het alleen maar daarvan afhangt. Dat is het gemakkelijkste deel. Ik dacht dat het veel moeilijker zou zijn om zijn toestemming te krijgen. Wij, de vrienden uit Vilvoorde, wilden allemaal werken. We zaten te popelen tot we zestien werden zodat we ons konden inschrijven in een interimbureau. Ik zat nog maar in mijn vijfde jaar middelbaar, secretariaat talen, en moest 's ochtends naar school. Ik vond een job bij TNT, het pakjesbedrijf, van vijf uur tot acht uur 's morgens. Mijn vriend Machmoud werkte bij DHL van middernacht tot vier uur 's morgens. Als hij 's ochtends thuiskwam, praatten we wat en voerde hij me naar TNT. Toen ik eindelijk in Amerika was, in Orange County in de buurt van LA, bij de vriendelijke en gegoede familie Hawthorne, in een school waar ik niemand kende, was dat even aanpassen. Ik was een grijze muis. Ik durfde hen niet te zeggen dat ik naar Hollywood wilde, dat het mijn droom was om voor grote zangers te dansen. Ik heb de eerste week voor anderhalve dollar een bus genomen naar LA, alleen. Ik zette mijn mp3-speler op. Keek naar buiten. In mijn oren de muziek van Ray Charles. 'Unchain My Hart'. En muziek van Sniper. Maar na twee uur rijden en twee overstappen, was ik nog maar aan het eind van het strand. In Long Beach wist ik dat ik er nooit zou raken. Hollywood lag zo'n honderd kilometer verder en ik had beloofd om 22 uur terug bij mijn gastfamilie te zijn. Ik heb mijn wilde plannen rustig laten varen. Op school was iedereen anders, dat was een verademing. Je was niet afhankelijk van de cultuur waaruit je kwam, je was wat je deed. Ze konden mijn naam Ismail niet uitspreken. Een leraar noemde me Ishmaël, naar de verteller uit de roman Moby Dick. Ik zei: "Noem mij dan maar Ish." We lazen fantastische boeken: The Great Gatsby, Huckleberry Finn.... Daar heb ik de liefde voor lezen meegekregen. Maar ik was bedeesd, moest de kat uit de boom kijken. Ik was ook bang om Engels te praten. Ik was niemand. Tot de PREP-RALLY kwam, een dag waarin het hele basketbalstadion van de school vol zat met leerlingen. Een leraar had gezegd dat je ook een performance kon doen. Ik wist dat ik mijn kans moest wagen om iemand te zijn. Ik heb wekenlang gewerkt aan een choreografie, een dance for my life. Ik ontleedde het allemaal: de visuele effecten, de passen... Als ik iets zeker wist, was het dat ik moest dansen om mij te verdedigen. Ik liep het basketbalveld op. Er zat duizend man te kijken naar dat middenveld. Ik maakte van mijn lijf een accordeon, zorgde voor effecten met mijn borstkas, isolaties van lichaamsdelen, ik danste de ziel uit mijn lijf. Meestal scoor je het best voor een publiek dat niet zoveel van dans weet door schijnbaar onmenselijke bewegingen te maken. Ik moest iets doen waarvan al die leerlingen die mij nog nooit hadden zien staan, zouden denken: zoiets kan ik nooit. In twee minuten tijd was ik een van hen. Ik werd uitgenodigd op feestjes. Ik had vrienden te over. Tot ik mijn ligamenten scheurde tijdens een basketbaltraining. Toen lag ik alleen op bed bij mijn gastfamilie. Toen zag ik niemand meer. Ook dat is Amerika. Toen heb ik gejankt van ellende. Maar mijn vrienden uit Vilvoorde belden me op, die waren er wel. Die zijn er altijd gebleven.' 'Het was weer zomer en Vilvoorde was weer leeg. Een jaar later terugkomen naar Vilvoorde was niet makkelijk. Ik was blij mijn familie terug te zien. Mijn grote broers Mounir en Abdel Karim stimuleerden me om te studeren. Ik ging naar het Vlekho om er secretariaat te studeren. Ik zat er zes maanden, en werd bij de directie geroepen: "Je kunt je examens niet meedoen. Je hebt je middelbareschooldiploma niet", zeiden ze. "Maar waarom hebben jullie dat niet gezegd toen ik me kwam inschrijven? Ik heb al mijn boeken gekocht. Ik ben me aan het voorbereiden op de examens." "Sorry, kan niet." Daar stond ik dan. Niets in handen. Ik bleef dansen en dansles geven. Ik wilde niets meer weten van school. "Sorry jongen", zei mijn broer Mounir. "Je kunt voor mij dansen zoveel je wilt, maar je moet je middelbareschooldiploma halen. Anders gaat dat feest voor mij niet door." Mijn zus en broers hebben me altijd beschermd. Mounir is altijd mijn grote motivator geweest. Nog altijd als het over creatieve ideeën gaat. Abdel Karim noemen we thuis krimi, hij was de beste op het voetbalveld en heeft een sterke uitstraling, door hem hoefde ik van niemand bang te zijn. Wij sliepen vroeger met de drie broers samen op zolder. De drie broers wonen nog altijd thuis. Mounir is acteur geworden en speelde de rol van Aziz in Les barons; Abdel Karim is ploegchef van de poetsdienst van de vliegtuigen op de luchthaven van Zaventem. Hij is ook de grappigste. Mijn zus is inmiddels getrouwd en opvoedster in een school in Molenbeek. Ik heb me toen ingeschreven bij de examencommissie, maar dat werd een fiasco. Ik kon de discipline niet opbrengen om het allemaal alleen te doen. Ik heb een paar examens meegedaan en ben ermee gestopt. Ik ben voor Adidas gaan werken in Duitsland, had als hiphopdanser losse opdrachten. - Middelbareschooldiploma, bleef mijn broer herhalen. Op mijn 21e ben ik weer naar de middelbare school gegaan. Naar Emanuel Hiel in Evere, een atheneum. Ik zat er tussen achttienjarigen. Fijne kerels. En ik had plots geen stress meer. Zo zou het voor iedereen moeten zijn: school zonder stress. Ik heb mijn diploma gehaald. Het was het fijnste schooljaar dat ik ooit gehad heb. Buiten dan misschien het zesde leerjaar bij meester Smith. Die ging tijdens de les geschiedenis met zijn armen wijd open in het deurgat staan. Alle leerlingen moesten proberen door het deurgat te raken. Zo leerde hij ons dat als je aangevallen wordt door een groot leger, je moeilijker te overwinnen bent in een bergpas dan in een open vlakte.' 'Ik heb mijn bergpas gevonden. Ik ben blijven dansen voor mijn leven. Dat ik dat plezier ooit ontdekt heb, heb ik aan mijn beste vriend Fouad Hajji te danken en aan Stefaan Fabri, de jeugdwerker in Vilvoorde. Als tiener speelde ik veel op straat. Ik was verdediger bij FC Pena Roya, de Spaanse voetbalploeg van de buurt. Mijn broers waren veel betere voetballers. Ik ging basketten, had een poster van Michael Jordan boven mijn bed. Maar door Fouad ontdekte ik op mijn dertien breakdance en hiphop. Fouad was een beetje ouder dan ik, zijn vader was klusjesman in de MIKST, dat stond voor Migranten Kultureel Sociaal Trefpunt. Hij had het geregeld dat we er een zaaltje kregen waarin we konden oefenen. We hebben er onze 'dansnamen' op een schoolbord geschreven. Ik heette Cecemelo. Ons groepje ANIMAL-Z. Ring Tv kwam ons filmen. Ik was dertien en had een grijze stoffen kostuumbroek aangetrokken omdat ik voor het eerst op tv kwam. Het was alsof ik naar een communiefeest ging. Stefaan, de jeugdwerker, had een programma om de jeugd van straat te halen. "Willen jullie meewerken?", vroeg hij. Hij kwam zelf naar ons toe. Het Vlaams Belang kwam in die tijd in Vilvoorde sterk op. Stefaan geloofde in ons, vertrouwde ons. Daar ben ik hem mijn leven lang dankbaar voor. Hij had Fouad zien dansen en vroeg of wij met de jongeren een klasje breakdance wilden organiseren. We waren tieners, maar Stefaan gaf ons aandacht. Wij kregen de sleutel van een gymlokaal van het BUSO, een school, en gingen er op zaterdag aan de slag. Stefaan gaf ons respect door ons verantwoordelijkheid te geven. Dat is een niet te onderschatten cadeau. Op zaterdagavond wilden Fouad en ik gaan dansen in de dancing Grote Markt, in de Franklin Rooseveltstraat, maar we mochten niet binnen. Dat was vernederend, vooral omdat we door het raam daarbinnen de Spanjaarden en de andere jongens zagen zitten met wie we samen voetbalden. Iedereen heeft een donkere kant en het is beter dat je hem ontdekt voor hij jou ontdekt. Ik heb mijn donkere kant, mijn woede snel in de hand leren houden. Als ik ongerechtigheid zie, moet ik mijn woede temperen door na te denken waarom iemand zoiets doet, waarom iemand mij niet binnenliet. Iedere zaterdagavond wandelden Fouad en ik de hele laan af. We konden niet gaan dansen in een dancing. We gingen een pita eten met veel Andalusische saus bij Ufuk. We gingen in het bushok voor frituur Nadine zitten. Dromend over de toekomst. Een hele avond praten in een bushok van de bus met eindhalte verbrande brug. Wij wilden naar Amerika. Fouad is verhuisd. Hij stond een paar weken geleden in alle kranten. Hij is de eerste Belg die in de Amerikaanse topserie NCIS: Los Angeles meespeelt.' 'Je hoort het de mensen soms zeggen: het is goed dat Vilvoorde op zo'n manier in het nieuws komt, na al die Syriëstrijders. Alsof wij de uitzonderingen zijn. Dat is de omgekeerde wereld. Mensen als Fouad en ik zijn niet de uitzonderingen, al die mensen die nu studeren, die acteren, die films maken, die advocaat zijn, die opvoeder zijn, wij zijn met z'n allen de regel. Maar men wil van de uitzonderingen een algemene noemer maken. Dat is gevaarlijk. Ik wil me niet eens bezighouden met die discussie. Ik gebruik die term allochtoon niet. Ben ik nu allochtoon of pure Belg of allochtone Vlaming. Als ik werk, ben ik wie ik ben. Ik ben wat ik doe en ik probeer dat werk zo goed mogelijk te doen, ik doe dat niet als 'allochtoon'. Mijn broer Mounir heeft voor het reizend programma Geletterde Mensen in 2010 samen met de schrijver Tom Naegels een stand-upcomedy gemaakt over die discussie. En ik denk dat een film als Les Barons van groot belang is geweest. Veel situaties uit de film zijn situaties uit de banlieue en de straat. Dat die vertoond konden worden in de Kinepolis was een belangrijk en mooi moment. Veel mensen konden zich helemaal identificeren met die vier jonge Marokkaanse kerels die niets te doen hadden. Ze kenden hun gewoontes. Er zijn heel veel mensen die niets te doen hebben. Nabil kende ik al langer. Mijn broer en hij werkten vroeger samen voor de security in het Zuidstation. Het was ook knap om te zien hoe vier vrienden samen lang en hard werkten aan die film.' *** 'In een wereld leven waarin je alles bepaalt en alles kan doen wat je wilt doen, dat leek mij een heerlijk bestaan. Daarom wilde ik schrijven. Een boek, dacht ik, is voor intellectuelen. Maar toch wilde ik het doen. Ik ben er niet mee opgegroeid. Toen ik zestien was, vond ik een novelle of een roman maar 'old school'. Ik hield veel meer van films. En als mensen me zeiden: "Dat boek zou je echt moeten lezen", had ik zoiets van "pff, een boek gaat zo traag en is zo lang". Een film is anderhalf uur actie en dan is het gedaan. Ergens heb ik misschien wel stiekem gedacht: wat zou het leuk zijn dat ik het lezen van een boek weer hip zou kunnen laten vinden. En wat is hip? Vanaf het moment dat je jezelf de vraag stelt wat voor soort publiek personage je wilt zijn, hoe dat publieke imago eruit moet zien, gaat het fout. Dan anticipeer je op bepaalde zaken, ga je dingen onnatuurlijk doen en niets meer zeggen maar clichés vertolken. Die Ish op televisie en in shows, daar kan het morgen helemaal mee afgelopen zijn. Hij had er zelfs niet kunnen zijn. Ik zat al vijf jaar met het idee van een boek in mijn hoofd. Een vriendin, Cadice, heeft me aangemoedigd om het te schrijven. Stuur me iedere week een stukje zei ze. Ik was toen zelfs nog geen choreograaf van So You Think You Can Dance, zelfs geen jurylid. Het is dus niet die aandacht of die positie die mij pusht, maar wel de mogelijkheid om alles te doen wat ik mij kan voorstellen. Ik wil niet stilstaan bij mijn positie. Ik kijk vooruit en ik probeer geen comfort te zoeken in de positie waarin ik op dit moment zit. Vandaag spreekt men over jou en morgen niet meer, een gezicht is snel vergeten in de televisiewereld, maar mijn woord zal blijven bestaan. Ik heb het hoofdpersonage van mijn roman Tom genoemd. Hij is geen moslim, hij is geen Marokkaan uit Vilvoorde. Hij is geen hiphopper. Hij speelt in de fanfare en hij gaat naar de universiteit van Boston. Ik ben nooit in Boston geweest en heb nooit het geduld gehad om een instrument te leren bespelen. Het is iemand in wiens hoofd ik wilde reizen. Ik schrijf om ergens anders te kunnen zijn. Misschien duid ik zelf het liefst de verschillen aan opdat de lezer toch op zoek zou gaan naar een gemeenschappelijk punt. Verschillen zijn geweldig. Ik probeer gewoon een leven met een waarde te lijden. Ik zal op een dag sterven en ik wil iets nuttigs met mijn tijd doen. Ik wil gretig leven, maar niet wild. Ik ben met Hadise mee op wereldtournee geweest en heb de choreografie voor de tournee gemaakt. Dan zit je in een groepsbusje en vraag je je af: is dit mijn leven? New York, Tokyo, Cyprus en Turkije, wat een groot land... Maar op een bepaald moment in zo'n tournee, begin je elkaar dingen toe te vertrouwen, je bent met een groep onderweg en zoekt elkaars menselijkheid, in wat voor fancy hotels je ook zit. Zoiets kun je niet opnieuw creëren als je alleen weer thuis bent. En ik ben ook graag alleen. Ik denk graag na over alles. Soms maakt dat de dingen logger. Relationele status bijvoorbeeld. Die is ingewikkeld.' *** 'Twee oude mensen die in Vilvoorde hand in hand over de rommelmarkt wandelen, zo'n beeld kan mij zo ongelooflijk ontroeren. Het vraagt toch heel veel van een mens om zo lang samen te blijven. Het is voortdurend werken. Voor ons jongeren is het heel makkelijk om van de ene persoon naar de andere te gaan. Je bent bevriend met de ene en dan gebeurt er iets, het lukt niet meer, dan word je bevriend met de volgende. Niet iedereen heeft zijn jeugdvrienden nog... Ik heb er nog een paar, jongens met wie ik ben opgegroeid. En ook in die trouw leer ik veel van oude mensen. Je groeit ook op in een maatschappij waarin je moet presteren en je vergeet bepaalde waarden die je ook wat rust kunnen brengen. Je wilt de beste zijn, en zeker als danser zit je in een competitieve sfeer omdat je een job wilt boeken. Een paar jaar geleden heb ik samen met Archie Burnett, de voorvader van de dansstijl die voguing en wacking heet, in New York zijn verjaardag gevierd. Hij werd vijftig denk ik. We hadden de hele nacht gedanst in een club en om vijf uur 's ochtends zaten we samen in een restaurant voor een stevig ontbijt. Hij vertelde me zijn levensverhaal. Hij is wereldberoemd, hij zou overal ter wereld aan de slag kunnen als choreograaf. "Maar ik wil ook mijn werk afmaken waaraan ik als jonge snaak begonnen ben", zei hij. "Waar bent u dan mee begonnen?", vroeg ik. "Treinstellen poetsen", zei hij. "Maar waarom stop je daar gewoon niet mee?" En toen zei hij: "Ik ben met iets begonnen. Ik moet dat afmaken en binnen drie jaar ben ik met pensioen en kan ik doen wat ik wil doen, maar dan kan ik wel zeggen dat ik tot op het einde heb gedaan wat ik heb beloofd te zullen doen." Wel, dat vond ik straf.' *** 'Ik heb voor het boek een liedje geschreven. Eén zin stond vast: als je iets wilt doen, doe het dan stap voor stap, maar uiteindelijk zul je lopen. We hebben het liedje deze week opgenomen voor de boekpresentatie. Wake up, hoping for an end Stand up, falling down again Sometimes it's hard to believe, but I do, I really doSo I walk, cuz a mile may change my life And I walk, cuz every step keeps me alive And I walk, until I reach the other side So I walk walk walk until I run Until I run Until I runMan, ik zal rennen. Met de littekens die ik heb, met de zwaktes die ik heb, maar ik zal rennen. Samen met mijn vrienden.' Ish Ait Hamou, Hard hart, Manteau, 160 blz., 15 euro. DOOR ANNA LUYTEN, FOTO'S SASKIA VANDERSTICHELE'We gingen in het bushok voor frituur Nadine zitten. Dromend over de toekomst. Wij wilden naar Amerika.' 'Het hoofdpersonage van mijn roman is geen Marokkaan uit Vilvoorde. Het is iemand in wiens hoofd ik wilde reizen.'