1. OVER GUY VERHOFSTADT

'De eerste keer dat ik in het partijgebouw in Brussel kwam, in 1998, was de lift kapot. Mijn man Luc en ik moesten de trap nemen tot de tweede verdieping. Boven moesten we nog even wachten omdat Guys vergadering was uitgelopen. Luc wedde dat het gesprek hooguit tien minuten zou duren. Toen Guy binnen was, kwam ik snel tot mijn punt. Ik zei dat ik graag een plaats had op de Kamerlijst. Zijn eerste reactie was een diepe zucht en dan: "Je bent niet eens in de gemeenteraad geweest, en nu meteen nationaal." Ik pareerde met: "Ik heb ook niet eerst verpleegkunde gestudeerd voor ik geneeskunde deed. Wat ik in de politiek wil realiseren, kan niet lokaal." "En toch gaat dat niet zomaar", klonk het. Ik liet me niet uit mijn lood slaan en ging naar mijn volgende punt, dat ik de tweede plaats op de Kamerlijst ambieerde. Hij trok zijn wenkbrauwen op en zei: "Een verkiesbare plaats voor iemand die haar eerste stappen zet?" Je zag hem denken: wat zit die hier allemaal te verkondigen? We hadden in die tijd twee Kamerzetels in onze regio en op een ervan aasde, godbetert, een nieuweling. Guy daagde me verder uit, maar ik was niet te vermurwen. Snel kwam ik tot de kern van mijn betoog, dat ik vond dat de partij zich meer op sociale materies moest richten. In de Kamer werd het budget Sociale Zaken beheerd, dat ging over een derde van het staatsbudget, en over een thematiek die liberale accenten verdiende. In 1998 waren bovendien de eerste grote discussies over de vergrijzing en de betaalbaarheid van de pensioenen gestart, ook die dossiers wilde ik uitdiepen. Ik besloot mijn betoog die middag op de Melsen met: "Ik wil er geweldig voor gaan." Verhofstadt zei: "Je weet toch waar je aan begint, de politiek is een wereld van haaien." Ik zou dat zinnetje nooit meer vergeten. Achteraf bekeken, waren mijn eerste passage op de partij en mijn boodschap toen te gek voor woorden. Luc had het al gezegd, voor we vertrokken: wat haalde ik me toch in het hoofd? Ik had hem als antwoord een uitspraak van mijn grootvader geserveerd: "De wereld is aan de durvers." Dit was, nadien beschouwd, veel meer dan durven geweest. Wat de weddenschap met Luc betreft: ik won. Ik zat ruim een uur bij Guy binnen. Ikkreeg uiteindelijk de derde plek op de Kamerlijst, een strijdplaats, en werd meteen verkozen.'
...

'De eerste keer dat ik in het partijgebouw in Brussel kwam, in 1998, was de lift kapot. Mijn man Luc en ik moesten de trap nemen tot de tweede verdieping. Boven moesten we nog even wachten omdat Guys vergadering was uitgelopen. Luc wedde dat het gesprek hooguit tien minuten zou duren. Toen Guy binnen was, kwam ik snel tot mijn punt. Ik zei dat ik graag een plaats had op de Kamerlijst. Zijn eerste reactie was een diepe zucht en dan: "Je bent niet eens in de gemeenteraad geweest, en nu meteen nationaal." Ik pareerde met: "Ik heb ook niet eerst verpleegkunde gestudeerd voor ik geneeskunde deed. Wat ik in de politiek wil realiseren, kan niet lokaal." "En toch gaat dat niet zomaar", klonk het. Ik liet me niet uit mijn lood slaan en ging naar mijn volgende punt, dat ik de tweede plaats op de Kamerlijst ambieerde. Hij trok zijn wenkbrauwen op en zei: "Een verkiesbare plaats voor iemand die haar eerste stappen zet?" Je zag hem denken: wat zit die hier allemaal te verkondigen? We hadden in die tijd twee Kamerzetels in onze regio en op een ervan aasde, godbetert, een nieuweling. Guy daagde me verder uit, maar ik was niet te vermurwen. Snel kwam ik tot de kern van mijn betoog, dat ik vond dat de partij zich meer op sociale materies moest richten. In de Kamer werd het budget Sociale Zaken beheerd, dat ging over een derde van het staatsbudget, en over een thematiek die liberale accenten verdiende. In 1998 waren bovendien de eerste grote discussies over de vergrijzing en de betaalbaarheid van de pensioenen gestart, ook die dossiers wilde ik uitdiepen. Ik besloot mijn betoog die middag op de Melsen met: "Ik wil er geweldig voor gaan." Verhofstadt zei: "Je weet toch waar je aan begint, de politiek is een wereld van haaien." Ik zou dat zinnetje nooit meer vergeten. Achteraf bekeken, waren mijn eerste passage op de partij en mijn boodschap toen te gek voor woorden. Luc had het al gezegd, voor we vertrokken: wat haalde ik me toch in het hoofd? Ik had hem als antwoord een uitspraak van mijn grootvader geserveerd: "De wereld is aan de durvers." Dit was, nadien beschouwd, veel meer dan durven geweest. Wat de weddenschap met Luc betreft: ik won. Ik zat ruim een uur bij Guy binnen. Ikkreeg uiteindelijk de derde plek op de Kamerlijst, een strijdplaats, en werd meteen verkozen.''Het feit dat ik arts ben en dat vak zo ter harte neem, trekt mensen aan. Daarom krijg ik vaak vragen over medische zaken. Ik heb liever dat ze daarover beginnen dan over het weer. Laat mij maar over het menselijke lichaam, zijn kwalen en ongemakken reflecteren. Trouwens, dokter ben je voor het leven. Een van mijn doelstellingen is snel en gedegen werken. Je zou de lijn kunnen doortrekken naar mijn parlementair werk en beleidswerk. Ik analyseer, voeg gegevens samen, combineer feiten tot de puzzel in elkaar valt. Daarenboven taxeer ik de mensen en voel ik meteen wanneer iemand het goed meent met mij of vals is. Ik denk soms: niet bevooroordeeld zijn, probeer die eerste indrukken naast je neer te leggen, wacht af. Toch bedriegt mijn intuïtieve aanvoelen me nooit. Toen ik op dit politieke kabinet begon, wilde ik iedereen persoonlijk ontmoeten. Alle medewerkers zijn 'op consultatie gekomen'. Ik wilde hen face to face spreken, weten hoe ze inhoudelijk werkten én wat hun ingesteldheid was. Ik heb toen ook alle ondersteunende diensten inzake asiel en migratie bij mij geroepen. Dat was nodig om die instanties op één lijn te krijgen. Tijdens een van die vergaderingen keek ik in de groep rond, en kreeg ineens een heel onaangenaam gevoel bij één persoon. Toen er later zaken uit die vergadering werden gelekt, wist ik meteen wie het had gedaan. Mijn intuïtief aanvoelen bleek te kloppen.''Met Elio Di Rupo klikte het meteen. Hij is ook een wetenschapper én hij is pragmatisch. Net als ik heeft hij zijn vader vroeg verloren. Ik vind Elio een aangename, attente en gevoelige man. "Ah Maggie, que tu sens toujours bon", zei hij ooit. Hij houdt van mijn eau de parfum Opium. Ik heb hem tijdens zijn premierschap nooit gestalkt. Van mij heeft hij slechts één telefoon gekregen. Ik werd op een ochtend om zes uur wakker, beluisterde het nieuws op de radio en vernam dat minister Joëlle Milquet van Binnenlandse Zaken had gezegd: "We hebben nu toch genoeg vrije opvangplaatsen, laten we vierduizend Syrische vluchtelingen naar hier halen via een luchtbrug." Ik was daar niet goed van. Zij nam zonder overleg beslissingen over opvang, terwijl er geen cent voor vrij was. Ik was zo kwaad dat ik belde naar Elio, kort na zes uur dus. Hij nam meteen op, luisterde welwillend en zei: "Het is inderdaad niet juist, dat is geen regeringsbeslissing." Hij nam meteen met Milquet contact op en herstelde de situatie. Een paar dagen daarna zei hij tegen vicepremier Alexander De Croo: "Dit, Alexander, Maggie elle est quand-même matinale, eh." Ik reageer nochtans zelden op impulsen; een premier om zes uur uit bed bellen, is niet mijn gewoonte.''Ik wist uiteraard dat ik als staatssecretaris voor Asiel en Migratie op een explosief dossier zat. De asielcentra zaten vol, in de Brusselse straten en stations viel je over de daklozen, en het was winter. Het ontbrak aan opvangplaatsen voor asielzoekers en voor daklozen. Dat ik gewoon ben om zaken grondig aan te pakken, sprak in mijn voordeel; mijn nadeel was dat ik de materie bij aanvang niet tot in de technische details kende. Dat laatste vond ik niet onoverkomelijk. Ik wist anderhalf jaar eerder, toen ik voorzitter was van de commissie Infrastructuur, ook niets over treinwissels en ingewikkelde vliegroutes boven Zaventem. Zodra ik voorzitter van die Kamercommissie was, kon ik met experts een paar uur lang op niveau een diepgaand inhoudelijk gesprek voeren. Ik had écht goesting om aan deze nieuwe uitdaging als staatssecretaris te beginnen, maar met één ding had ik geen rekening gehouden: dat men mij geen sprankel tijd zou gunnen, én dat mijn integriteit, mijn voorkomen, zelfs mijn verstandelijke capaciteiten onder vuur zouden worden genomen. We hadden in de beginperiode drie journalisten uitgenodigd: van De Standaard, La Libre en De Morgen. De Standaard en La Libre hadden kritische vragen gesteld en hun kritiek ook in hun artikel gemixt, maar mijn woorden waren correct weergegeven. In De Morgen was niet zozeer het interview zelf, wel de commentaar in de marge én het opiniestuk ernaast vernietigend. Ik was belachelijk gemaakt. Dat mijn uiterlijk een onderwerp was geweest in de pers, tot op het vernederende af, dat kon ik laten passeren. Maar dat een krant mijn intelligentie in twijfel trok, vond ik laaghartig. "Ze is misschien niet dom maar wel onwetend", stond er. Woorden als 'onzeker' of beschrijvingen als 'dit meisje uit Merchtem' stoorden me enorm. En het besluit: "Hoe lang duurt het voor ze door het ijs zakt?" kwam neer op het aansturen op mijn exit. De dag dat dit interview verscheen, werd mijn beleidsnota in het parlement voorgesteld. Ik kwam er voor een spervuur van vragen te staan. Ik voelde me het schaap dat naar de slachtbank werd geleid.''Op een dag komt via een medewerker van Justitie een dringende vraag bij me binnen. Ik sla de map open, zie 'Feneulle' staan en denk: wacht eens even. Ik zoek de naam op en vind, ook in mijn herinnering, het verhaal terug van die massale moordpartij in 1979 in Sint-Amandsberg. Een familie werd uitgemoord, de dochter voor haar dood gruwelijk verkracht. Horion en Feneulle waren de daders. In het dossier dat voor mij ligt, lees ik dat Feneulle kanker heeft en palliatief is. Hij kan uit de ziekenboeg van de gevangenis vertrekken om medische redenen, en nog één keer naar huis gaan. Het dossier is een verzoek om af te zien van de uitwijzing van Feneulle naar Frankrijk. Omdat hij Fransman is, moet hij bij vertrek uit de gevangenis meteen naar daar. De ministers werd verzocht een besluit te tekenen zodat hij niet zou worden uitgewezen. Op die manier kan hij in België blijven, bij zijn dochter die hier woont, zijn enige familielid. In Frankrijk heeft hij niemand meer. De aanpassing moet via ministerieel besluit gebeuren, en uitgerekend dat document ligt voor mij. Ik denk meteen: ik teken niet, ik kán het niet. De jonge kabinetsmedewerker staat naast mij te wachten, ze begrijpt niet waarom ik zo twijfel. Ik leg mijn pen neer. "Nee," zeg ik, "dit is uitgesloten". 'Hij weegt nog achtendertig kilo' stond er in die papieren. Ik dacht: pff, dat meisje dat op zo'n brutale manier werd misbruikt en afgeslacht is er al bijna achtendertig jaar niet meer. Kortom, Feneulle bleef in zijn cel in Brugge, anders was hij bij vrijlating meteen uitgewezen. Komt het door mij dat hij in gevangenschap is gestorven? Onrechtstreeks misschien wel. Ik heb de afweging gemaakt: de nabestaanden van de vermoorde familie versus de familie van de dader. De ene levenslang veroordeeld tot verdriet, de ander levenslang veroordeeld tot opsluiting. Ik heb gekozen.' 'Ik herinner me 1 april, vorig jaar. Voor mijn kabinet stonden leden van armenverenigingen te protesteren. Ik ontving nadien de vertegenwoordigers van het Armoedeplatform. Ze hadden een rapport over de daklozenopvang bij zich. Daaruit moest blijken dat het staatssecretariaat niet genoeg actie had ondernomen. Het rapport bleek de doorslag van een ouder rapport van twee jaar eerder en was niet geactualiseerd. We hadden intussen wel ingrijpende maatregelen doorgevoerd, maar het stond niet in hun papieren. Heel oneerlijk vond ik dat, dus ik citeerde meteen vijftien zaken die niet klopten, mét de bewijzen ernaast: mijn correcte cijfers. Ik vroeg hen een voor een wie het rapport had gelezen. Niemand had dat gedaan. Ze hadden blind hun handtekening gezet. Eén aanwezige kroop bijna onder tafel van de gêne: de man die het rapport had samengesteld. Ik raasde: "En wie zul je hiermee vooruithelpen? Wat bereik je met een scheldpartij aan mijn adres op basis van foute gegevens? Welke arme wordt hier beter van, wie krijgt hierdoor een dak boven het hoofd, wie krijgt hier eten door?" Ik was echt op dreef, het werd muisstil in de vergaderzaal. Ik besloot met: "Als jullie hier niet binnen de kortste keren met een deftig advies voor mij zitten, schrap ik jullie subsidies, want ik kan dat geld wel beter besteden." Ze verontschuldigden zich en verlieten mijn kantoor, beschaamd. Naast mij zat een man die stevig had gedronken en naar jenever en bier rook. Vlak voor hij vertrok, nam ik hem apart en zei: "Luister, je bent altijd welkom bij mij, maar dan graag nuchter, je moet geloofwaardig zijn als je mee vergadert." Ik heb hem ook gevraagd of hij zich eens zou wassen. Hij verspreidde een kwalijke geur. Bij het volgende overleg was hij er opnieuw bij, proper gewassen én nuchter. Hij zei: "Mevrouw De Block, ik moet u danken voor de goede raad die u me hebt gegeven, want ik was toen echt niet goed bezig. Ik heb mij herpakt."' 'Het begon een paar jaar geleden. Ik kon pas op zaterdagnamiddag wat tijd nemen voor mezelf. Meestal sloop ik dan naar kapsalon Andersz van Moniek en haar dochter Lien, tegenover mijn deur, om even mijn haar te laten doen en intussen te bekomen. Sonja en Griet, een eeneiige tweeling die ik al ken sinds mijn vijftiende, kwamen toen langs, om mij te zien. Marleen zat er ook vaak, ze is zelfstandige, heeft een bouwbedrijf. Chrisje, die boven woonde, liep er rond. En zo breidde de groep organisch uit. Toen op een dag werd verteld dat Lien zwanger was, werd een fles cava geopend, en erna nog een. Sindsdien gebeurde het wel meer en kwam ik vaak pas tegen vijf uur van de kapper thuis, na een uitgebreid zaterdags aperitief. Luc was de bedenker van de naam. Hij stond op een morgen op, keek naar buiten en zei: "Tiens, er brandt al licht in uw cavaclub." Alles komt aan bod in de cavaclub: blijdschap en verdriet, ziekte, geboorte, scheiding, enfin, de dingen des levens. Ik kan niet elke week aansluiten, maar als het even kan, trek ik de straat over. Bij de cavaclub beland ik ook altijd weer met de voetjes op de grond. In het kapsalon zijn wij allen vrouwen die hun haar laten doen en intussen vertellen over de zaken die ze meemaken, je voelt er de polsslag van de maatschappij, ruikt er het échte leven. Ik ben geen lid van serviceclubs of andere ronde tafels, maar die cavaclub, nee, die zou ik niet kunnen missen. Ik zeg altijd: een kapper kost minder dan een psycholoog of een psychiater. Bij die laatsten raak je trouwens niet elke week én het voordeel is: ons haar ziet er altijd goed uit.''Hm, het is een vergadering, geen vriendenclub die samenkomt. Er is een zekere afstand, en af en toe voel ik ook wantrouwen. Toen bleek dat N-VA fiches had laten samenstellen met informatie over de onderhandelaars van MR, heb ik wel vreemd opgekeken. Dat Charles Michel graag garnaalkroketten eet en Oliver Chastel een dierenliefhebber is, meer bepaald van het hondenras bouvier, wat maakt het uit? Vervelend vond ik die gerichte lekken naar de buitenwereld. Er worden soms spelletjes gespeeld, maar ik doe er niet aan mee. Ik ben de toeschouwer in de arena. Ik zie de paringsdans beginnen, ik zie hoe ze een beetje baltsen met elkaar. Kris Peeters vroeg me op een bepaald moment: "Je zegt niets, Maggie, maar je denkt veel?" Ik antwoordde: "Jaja, en ik begin u te kennen." Hij vroeg: "Moet ik bang zijn?" Ik zei: "Jawel, van uzelf." Ach, het zijn lange dagen en korte nachten, maar ik recupereer snel. Eén groot minpunt nog over de onderhandelingen: het eten is soms ronduit slecht. Gelukkig is er ook af en toe Thais.''Toen ik een eerste keer op plaats één stond, was er vooral een gevoel van verbazing. Ik dacht: dat zal nooit zo blijven. Daarna went het eerlijk gezegd een beetje. Ik relativeerde de score door te herhalen: en nu kan het alleen nog bergaf. Ik vond het wel een vreemde positie. Je bent weg uit het peloton, je rijdt alleen vooraan. Als ik Sven Nys zie rijden, denk ik: voilà, ik herken dat. Het is soms een beetje eenzaam. Mijn broer Eddy speelde ooit in het toneel van het Willemsfonds, ik was zijn souffleur. Toen ikzelf op het politieke podium stond, dacht ik vaak: mooi, ik moet dankbaar zijn, maar toch hou ik nog steeds van die souffleursbak. Welke rol ik ook heb, op het podium of ernaast, ik zal als mens niet veranderen. Populariteit, weet ik, is nooit verworven, je blijft heel kwetsbaar.' 'Het minste wat ik eet, blijft 'eraan plakken'. Rond de puberteit begon ik echt te verzwaren. Natuurlijk ziet een jong meisje dat bij zichzelf en begint ze zich daar vragen over te stellen. In het vierde jaar van de humaniora had ik me aan het eind van het schooljaar voorgenomen: in september kom ik deze school binnen met een hoop kilo's minder. In de zomermaanden ging ik zo streng diëten en viel ik zo veel af dat mijn moeder boeken over anorexia begon te lezen. In september vielen mijn klasgenoten achterover, er waren vriendinnen die me niet herkenden. Ik had die voorbije maanden ook een groeischeut gekregen, mijn transformatie was opmerkelijk. Ik bleef afvallen, maar nadien kwam het er snel weer bij, het typische jojo-effect. Mijn gewicht had overduidelijk met mijn natuur te maken, met een aard. Ik leefde op een appel, een tomaat en een paar blaadjes sla per dag. Ik woog net geen zestig kilogram. Ik was zo verzwakt dat ik af en toe flauwviel. Ik was op mijn zeventiende zo gefixeerd op niet eten dat ik er misselijk, lusteloos, bijna depressief van werd. Op een dag zei mijn lief en latere echtgenoot Luc: "Waar is jouw levensvreugde, je bent in wezen zo'n blij mens, maar dat fanatiek controleren wat je eet, maakt van jou een andere persoon. Kun je dat gedoe met diëten niet een heel klein beetje loslaten?" In die periode is er in mijn hoofd iets veranderd. Ik heb wel nog af en toe een dieet gevolgd, maar niet meer zo drastisch. Met ouder worden kwam er almaar meer gewicht bij. Ik heb ermee leren leven. Ik ben iemand die graag eet en graag lekker eten maakt. Ik neig niet naar zoetigheid; taarten en zo laat ik aan mij voorbijgaan. Thuis tafelen we goed, maar nooit vet, altijd vis. Eten gaat ook over de gezelligheid die ermee gepaard gaat. Uiteraard ben ik met mijn gezondheid bezig, dat spreekt voor zich. Gezondheid is je plan trekken, vooral zien wat je wel kunt en minder wat je niet kunt.' 'Ik sta open voor uitdagingen, ik vind vele zaken boeiend. Maar Defensie, daar zullen ze toch niet mee moeten komen aanzetten. Weet je, ik voel me vaak de vreemde eend in de bijt. Toen ik bij de partij kwam, of later op mijn kabinet Asiel en Migratie, zag ik de mensen vaak naar me kijken met een blik van 'wat is dat'. Ook de onderhandelaars zijn mijn stijl niet echt gewend. Ik weiger me echter anders te gedragen. Ik wil me niet confirmeren aan de gangbare stijl. Ik ben niet inpasbaar, geen kameleon. Ik moet steeds meedelen wat in mij leeft. Te allen tijde vrij zijn, is het devies. Misschien wortelt het in mijn opvoeding, maar ook mijn opleiding aan de Vrije Universiteit Brussel zit er voor iets tussen. Het lijkt misschien vreemd, maar hoe regionaal ik ook verankerd ben, ik heb geen kerktorenmentaliteit. Mijn leven waait en draait maar. Ik probeer intussen uit te voeren wat ik kan. Niet wat ik niet kan. Ik voel dat ik nog zaken te doen heb, ik ben niet uitgewerkt en heb nog geen zin om fakkels door te geven. Het enige wat ik weet, is dat ik voor mijzelf de juiste keuzes heb gemaakt. Ik heb me niet gesetteld. Maar de persoon die ik aan de buitenwereld laat zien, komt helemaal overeen met wie ik vanbinnen ben.' Marijke Libert, Buitengewoon Maggie De Block, 272 blz., 22,50 euro'Het feit dat ik arts ben en dat vak zo ter harte neem, trekt mensen aan. Dokter ben je voor het leven.' 'Ik zeg altijd: een kapper kost minder dan een psycholoog of een psychiater. En het voordeel is: ons haar ziet er altijd goed uit.' 'Welke rol ik ook heb, op het podium of ernaast, ik zal als mens niet veranderen.'