E-mailen, daar doet Marc Sleen niet aan mee. Hij heeft geen fax, laat staan een computer. Of toch wel, een schaakcomputer. 'Een Kasparov. Elke avond speel ik daarop en af en toe win ik er zelfs van. Maar ik zeg er natuurlijk niet bij dat ik op de laagste graad speel. Voor mij is schaken een saunabad voor de geest. Het kalmeert de geest. Dan kan ik de gedachten even op iets anders concentreren, want ik moet al aan zo veel denken. Maar nu is het al een week geleden dat ik nog eens heb geschaakt. Ik dacht, ik hoef nu niet meer te werken, dus hoef ik de geest niet meer te oefenen. Maar het komt gewoon omdat het te druk is.'
...

E-mailen, daar doet Marc Sleen niet aan mee. Hij heeft geen fax, laat staan een computer. Of toch wel, een schaakcomputer. 'Een Kasparov. Elke avond speel ik daarop en af en toe win ik er zelfs van. Maar ik zeg er natuurlijk niet bij dat ik op de laagste graad speel. Voor mij is schaken een saunabad voor de geest. Het kalmeert de geest. Dan kan ik de gedachten even op iets anders concentreren, want ik moet al aan zo veel denken. Maar nu is het al een week geleden dat ik nog eens heb geschaakt. Ik dacht, ik hoef nu niet meer te werken, dus hoef ik de geest niet meer te oefenen. Maar het komt gewoon omdat het te druk is.'De drukte heeft alles te maken met Marc Sleens tachtigste verjaardag op 30 december aanstaande. En vooral, 's anderendaags verschijnt de allerlaatste aflevering van zijn strip Nero in De Standaard. Meer dan een halve eeuw zal hij dit 'dagbladverschijnsel' hebben getekend - het eerste album verscheen in 1947, daarna volgden er nog 216. 'Men vraagt mij wel eens of ik nu niet in een zwart gat zal vallen. Nee, want ik heb nog erg veel te doen. Maar het drama is dat mijn geest nog altijd verder werkt. Ik heb nog altijd nieuwe ideeën, het molentje draait nog. Nu moet ik wel nog covers maken voor albums die al in de krant zijn verschenen. Zopas verscheen nog maar Wolken van vreugde, nummer 214. De doffe ellende is dat de strips pas lang nadat ze in de krant hebben gestaan ook in album verschijnen. Bij Het Volk indertijd verschenen ze daags nadat de laatste strip in de krant had gestaan, in zwart-wit en op krantenpapier. Dat was altijd een groot succes. Het kostte 15 frank en de postbode of de krantenbezorger kregen daar één frank van. En als ze er veel van verkochten, kregen ze een nieuwe fiets. Nu hebben die mensen allemaal bromfietsen. Laatst zag ik de krantenman mijn krant hier bezorgen, zo rond halfzes, en dat bleek een zwarte man te zijn. Ik zei automatisch wat in het Swahili tegen hem, maar hij bleek Lingala te spreken.' MARC SLEEN: Ik slaap nog altijd slecht, maar tegenwoordig overtref ik mezelf en sta ik pas om acht uur op, al ben ik al vroeger wakker. Dan luister ik naar het nieuws op de radio. Maar ik denk dan, het is nog donker en koud en ik moet zogezegd niet meer werken. Vroeger stond ik altijd om halfzeven op, want tegen achten moest ik beginnen. Ik had toen mijn 'heilige maandag'. Op maandag mocht niemand mij storen, zelfs mijn vrouw niet. Mijn potloden lagen geslepen klaar, het papier op maat gesneden. Een beetje zoals Simenon. Het was om wat ik de week tevoren allemaal had bedacht, tegen maandagavond op papier te hebben. De mensen begrijpen niet dat je ideeën niet volstaan, dat je ze ook moet uittekenen, realiseren. En elke tekenaar werkt anders. Op maandag schetste ik alles aan, de compositie van het kadertje. Op dinsdag tekende ik de koppen, de expressies. Op woensdag volgde al de rest en pas op donderdag volgden de tekstballonnetjes. SLEEN: Niet helemaal: alleen wekelijks. Ik had nooit een heel verhaal in mijn hoofd. Ik had wel een synopsis met de algemene lijn van de intrige en waarin vastlag dat het verhaal zich in Brazilië of aan de Noordpool of achter het hoekje afspeelde. Ik wist wel waar het naartoe ging, maar hoe, dat wist ik nooit van tevoren. Dat hing af van de actualiteit of van ideeën die ik onderweg kreeg. En wanneer een verhaal af was, volgde er altijd meteen een volgende. Daar zat nooit enige tijd tussen. Mijn vriend François Walthéry (tekenaar van onder andere 'Natasja') houdt het daarentegen bij één verhaal per jaar. Hergé heeft, met een hele studio, maar een twintig 'Kuifjes' gemaakt. SLEEN: Daar heb ik Ria Bernaers voor. Zij doet dat zeer goed en dat is niet evident. Ze werkt met een computer en dat geeft een prachtig resultaat. En zeggen dat ik dat vroeger allemaal zelf deed, met de hand. In de krant heb ik nog met raster gewerkt, dat ik zelf moest uitsnijden, een verschrikkelijk werk. SLEEN: Mijn tien hoofdfiguren hadden elk hun eigen leven en passen zich aan de intrige aan. Van Zwam was de deus ex machina, de man die alles vond, zoals de kleine held van Hergé ook alles oploste. Maar zo'n figuur vind ik niet erg interessant. Nero is geen held, maar een antiheld, die het aan de gemakkelijke kant wil, maar het toch opgelost krijgt. Zoals Hagar de Verschrikkelijke, een stop comic die ik fantastisch vind. Dat is een heel sympathieke figuur omdat hij zo menselijk is. Dat is wat ik met Nero wou: een gewone man met al zijn fouten en gebreken. SLEEN: Ik weet wat er gebeurt, maar ik mag het niet verklappen. SLEEN: Maar het ziet er inderdaad slecht uit. Het hele verhaal is gebaseerd op gog en magog, dat is Hebreeuws voor goed en kwaad. En nu is de cirkel rond. In het eerste verhaal, Het geheim van Matsuoka, zat Nero door de schuld van Matsuoka in een instelling en nu, 57 jaar later, is het weer zo. Pietje de Dood is natuurlijk moeilijk te verslaan, ik ondervind dat zelf. Maar misschien komt er iemand tussen van wie men het niet verwacht. Meer zeg ik niet. Helaas had ik Sinterklaas over het hoofd gezien. Normaal laat ik hem rond zes december opduiken, maar nu was ik te laat; ik zag in de planning dat het al bijna Kerstmis was. Ik heb de ezel van Sinterklaas toch maar in het verhaal gebracht. Hij zit samen met de kerstman op het dak en de ene zegt, je bent te vroeg, en de andere zegt, je bent te laat. Ondertussen ligt Ricardo daar beneden te slapen... Enfin, je leest het zelf wel. Een voor een worden de slechten uitgeschakeld. Je hebt Ratsjenko in een grote boem zien ontploffen. Heb je dat gezien, hoe hij uit zijn broek vloog? Sommige mensen zien dat niet. SLEEN: Met stripfiguren is alles mogelijk. SLEEN: Ja, absoluut, het mag de spuigaten niet uitlopen. SLEEN: Hij staat 55 jaar in de krant, maar een ouderdom staat er niet op. Petoetje gaat al 35 jaar mee, maar het is mij sterk afgeraden om dat eens te vermelden. Een strip is in zichzelf besloten. Petoetje is een kleine jongen en moet dat blijven. Adhemar is vijf jaar en geeft les in Oxford, en het is de magie van de strip dat zo'n klein genie kan bestaan. Nero is niet al te slim en daarom heb ik hem die zoon gegeven, om samen een twee-eenheid te vormen. Ze vullen elkaar aan. Hij legt zijn vader uit hoe het in elkaar zit, maar wel altijd als 'teergeliefde vader'. Niet de man met de pet moet de les spellen, maar die kleine mag dat doen, bijvoorbeeld hoe dat zit met een vogelsoort in Papoea-Nieuw-Guinea. En dat is dan juist, hé, want ik weet het. SLEEN: Willen? Ik heb het altijd gedaan, ja, maar wat betekent dat willen? Dat het mij niet is gelukt of net wel? SLEEN: Ja, dat is zo, vijftig jaar, het is een obsessie. Maar het was toch ook mijn broodwinning. Ik ben in 1944 begonnen bij wat toen De Standaard was, maar niet als striptekenaar. Ik heb om het even wat getekend, behalve spotprenten ook kaarten van het Von Rundstedt-offensief, modetekeningen voor de vrouwenbladzijde Penelope of ernstige portretten voor de culturele bijlage De Spectator. Toen werd ik gebombardeerd tot hoofdredacteur van de jeugdbijlage Ons Volkske. Daar kwam Hergé zich aanbieden. Die vroeg 500 frank per plaat en dat vond ik te veel. Toen begon ik maar zelf met een strip, Stropke en Flopke. Voor ik in 1965 naar De Standaard overstapte, tekende ik in Het Volk en De Nieuwe Gids en La Cité, plus al die tekeningen over de Tour, de reeksen Piet Fluwijn en Bolleke, De Lustige Kapoentjes, Oktaaf Keunink in Het Zondagsblad, dat was echt slavenarbeid, zeer, zeer lastig. Bij De Standaard verdiende ik evenveel, maar dan om alléén Nero te maken. En in een krant als De Standaard. En in de nette albums van de Standaard Uitgeverij. En in kleur. Ik heb dus niets afgestoten, ik heb al de rest gewoon laten vallen. Zeven reeksen weg, wat 'n verlichting van mijn werk. SLEEN: Jawel, want dat was toch goed. Jammer eigenlijk dat ze die niet meer in albums hebben uitgegeven. SLEEN: Nero was tot dan toe bij Het Volk in zwart-wit verschenen, terwijl het bij de Standaard Uitgeverij in kleur kon. In die tijd dacht ik dat kinderen meer werden aangetrokken door strips in kleuren. Maar ik heb altijd van kleuren gehouden, aangezien ik (pseudo-geaffecteerd:) een geboren kunstschilder ben. Nee, ik zal nu tijd hebben om te kunnen schilderen en me uitleven in kleuren. Geen banale kleuren, maar mooie blauwen en rooien, zwart omlijnd, dat is mijn stijl. SLEEN: Er bestaat bij sommige lezers nog een nostalgie naar toen hij met 'ge' sprak. Maar als je nu naar radio of tv luistert, hoe platter, hoe beter. Er is veel veranderd, ook in de tijdsgeest. SLEEN: Ik ben over alles pessimistisch, maar ik mag dat niet zijn, dat brengt niets op. SLEEN: Het zou kunnen. Daar zit ook iets autobiografisch in, maar daar spreek ik liever niet over. Een auteur zit altijd in zijn werk, dat kan je niet verbergen. Men geeft wat men in zich heeft. De 80-jarige Sleen is niet dezelfde als de 22-jarige Sleen. Toen zag ik alles helemaal anders. Als 18-jarige, tijdens de Tweede Wereldoorlog, was ik door de Duitsers opgesloten in de Gentse gevangenis de Nieuwe Wandeling. We zaten daar met zes man, van wie er vijf zijn gefusilleerd. Ik heb in die cel nooit een nacht wakker gelegen. Maar nu, zoveel jaar later, schrik ik daar nog wel eens van wakker en dan vraag ik me af hoe ik daar ooit heb kunnen slapen. Ach, oud worden is niet plezierig, maar het is wel de enige manier om lang te leven. SLEEN: Dat begrijp ik ook niet goed. Misschien ben ik wel een vuile materialist? (Lacht.) Nee, niet voor het geld. Het niet meer kunnen laten, zeker? Ik had en heb nog altijd goeie ideeën, dus waarom zou ik er niet mee doorgaan? Voor mij is het eerder de vraag waarom ik dan toch ben gestopt. Maar waarom zou ik op mijn leeftijd nog altijd tegen een deadline zitten aanboksen? Ik heb nog altijd last van een stress die me slapeloze nachten bezorgt. 57 jaar tekenen, dat blijft in de kleren hangen. Wel, dat is een van de redenen. Ik moet nu toch niet de artiest beginnen uit te hangen, zeker? SLEEN: Nee, ik hoor dat niet graag. En al evenmin dat ik 'verhaaltjes' zou maken. Dat ze het zelf eens doen, dan zullen ze ook eens zien hoe moeilijk het is en hoeveel werk het vraagt. Toen ik twintig was, werden strips in de klas verboden, men noemde dat 'leesvoer voor imbecielen'. Stel je voor. En nu lees ik in de krant dat uitgerekend Noël Slangen zo'n 'boekje' op een veiling in Gent heeft gekocht voor 10.000 euro, een Doris Dobbel in een gekartonneerde uitgave. Ik heb er zelf niet eens een exemplaar meer van. Had ik dat geweten, ik had er een stuk of tien van opzij gehouden. SLEEN: Als ik eraan denk, sta ik er altijd van versteld hoeveel ik wel heb getekend. En dan heb ik daarnaast nog 35 safarifilms gedraaid en zelf gemonteerd, waarmee ik dan drie keer per week met mijn Porsche op tournee ging. En dan maar Pale-Ale drinken. Hoe ik het opgebracht heb om dat er nog eens bij te doen... Ik moet energie te veel gehad hebben, van mijn 22e tot nu. Maar ik deed het nooit tegen mijn zin. Maar als ik nu in mijn auto stap, is dat wel tegen mijn goesting, met al die cowboys op de weg, al dat gerij. De vitaliteit is geheel weg. Tot voor drie maanden stond ik nog altijd op om halfzeven, om toch maar die stroken klaar te krijgen. Nu valt dat gewicht stilaan van mijn schouders. Ik kan niet geloven dat ik dat heb gepresteerd, helemaal alleen. SLEEN: Als je dat vraagt, moet ik daar 'ja' op zeggen. Maar dat mag niet in deze wereld. Ik ben in mijn hart een heel fier mens, maar je mag dat niet laten blijken want dan ben je een dikkenek. Sinds mijn twintigste heb ik me altijd een kunstenaar gevoeld, maar je zal me dat niet publiek horen zeggen. Kijk, hier is het bewijs, de catalogus Les maîtres de la bande dessinée européenne, een tentoonstelling in de Franse Bibliothèque Nationale. Alle groten staan daarin, als Belgen onder anderen Hergé, Franquin en E.P. Jacobs, met als enige Vlaming Marc Sleen. Tot ergernis van zoveel anderen. De eerste striptekenaar die geadeld werd, was ik. En dit jaar is daar, bij wijze van evenwicht, een Franstalige bijgekomen, die fantastische François Schuiten. SLEEN: Jazeker, hij zou baron willen zijn. Ik was er zelf zeer mee vereerd. Men kende mij aan het hof. Daar aan de muur hangt een foto die ik van koning Boudewijn heb genomen en ik ben nog bij koning Leopold III in Argenteuil geweest. Mijn oom, baron Paul Paelinck, gaf Nederlands aan toen nog de prinsen Boudewijn en Albert, en gebruikte daarvoor Nero-albums. Al moesten ze die niet alleen lezen, maar ook goed naar de plaatjes kijken. SLEEN: Nee, drie maanden geleden dacht ik dat ik mijn beste verhaal nog moest maken. Ik heb dat altijd gedacht en nu nog altijd, wat natuurlijk onzin is. Maar het gaat om het streven, om het zo goed mogelijk te willen doen. 'Het beste verhaal'! (Haalt de schouders op.) Men vraagt mij dat soms: welk is uw beste verhaal? Dat is onzin, ik vind ze allemaal goed of allemaal slecht. Die voorkeuren van mensen, dat is heel eigenaardig. Ik heb een zeer breed publiek, je weet nooit wat bij iemand aanslaat en wat niet en je kan niet iedereen tevredenstellen. Mijn inkleurster zei me eens dat ze Tuizent-floot met zijn sabeltje toch maar een vervelend kereltje vond. En ik heb hem dan ook een tijdje weggelaten. Toen ik in 1965 bij de Standaard Uitgeverij terechtkwam - ze hadden mij een beetje tegen hun zin overgenomen van de krant De Standaard - bleek directeur Antoon Sap zich te storen aan de pijp van Madam Pheip. En je ziet soms haar ondergoed! Maar in Nederland vonden ze Madam Pheip én Tuizentfloot dan weer je van het. Je weet het dus nooit. SLEEN: Dat heb ik ook gedaan, maar het beïnvloedde mij wel. Wanneer mensen mijn strips appreciëren, vind ik dat ook altijd plezierig. Ik ben heel gevoelig voor commentaren, voor het que dira-t-on, het menselijk opzicht. Sorry. Ik vraag me dan af waarom ze zeggen wat ze zeggen. Zoals er ook mensen zijn die het verschil in strips niet zien. Je hebt de humoristische strips, zoals Astérix, en daarnaast de ernstige strips, die vaak prachtig getekend zijn, echte kunst. Een Moebius of Tardi vind ik fantastische tekenaars, maar ik lees hen niet graag, ik snap er niets van, er zit geen verhaal in. SLEEN: Ik begrijp dat je dat vraagt. Nee, er is geen druk geweest om ermee op te houden. Men heeft me wel gevraagd of het niet mogelijk was om voortaan nog twee albums per jaar te maken in plaats van vier. Dat is me op de maag blijven liggen. Want dan gaat het om louter commercie. In de moderne uitgeverij telt niet de kwaliteit van het werk, alleen de verkoopcijfers. Dat is overal zo, in de literatuur, in de muziek... SLEEN: Ja. Tekenaars als Willy Vandersteen en ik hebben, toen we na de oorlog begonnen, kansen gekregen. Wij hebben het stripverhaal gemaakt. En Nero was dan ook een dagbladverschijnsel. Wat heb ik gedaan? Elke dag twee stroken tekenen voor de krant, met aan het eind van de tweede strook een soort spanning, om de mensen nieuwsgierig te maken naar de krant van morgen. Er was niets anders dan dat, zeker geen televisie. Mijn concurrent was Suske en Wiske. Dat duurde tot De Standaard mij wegkocht, want sindsdien publiceerden Vandersteen en ik in dezelfde krant. SLEEN: Dirk Stallaert is een hele stille jongen. Hij staat om vijf uur op, brengt als een moderne man zijn vrouw naar haar werk, gaat om negen uur slapen, drinkt geen alcohol en kijkt niet naar de vrouwen. Dus dat is geen normale mens. Toen ik dat eens publiek zei, corrigeerde hij mij: ik sta op om halfvijf, zei hij. Hij is een crème van een jongen, ik zou gewild hebben dat hij mijn zoon was. En ineens zei hij dat hij een aanbod had gekregen om aan Suske en Wiske mee te werken. Het was zijn goede recht om daarop in te gaan, al gaat hij nu bij Merho tekenen. 't Is jammer, want hij is een groot stielman, maar hij werkt liever in groep. Net als wijlen Bob De Moor, die zeer lang voor Hergé heeft getekend, is hij een kameleon. Hij kan zeer goed in de huid van iemand kruipen en tekent Nero net zo goed als ik. Je ziet het verschil niet. SLEEN: Nee, daar ben ik tegen. Nero, dat ben ik een beetje. Ik ben het die hem autobiografisch heeft gecreëerd. Zo'n scenarist zou er qua geest een andere Nero van maken en dat zou de dood van Nero zijn. En toen dacht ik, laten we er gewoon een punt achter zetten, het is mooi geweest. Marc Reynebeau'Dat is wat ik met Nero wou: een gewone man met al zijn fouten en gebreken.''Voor mij is het eerder de vraag waarom ik er dan toch mee ben gestopt.'