We ontmoeten Zjef Vanuytsel (63) in taverne Nero in Hoeilaart, oorspronkelijk een tramstation. Vanuytsel is naast begenadigd zanger ook een gedreven architect en tekende voor de verbouwing van de taverne. Toevallig zit Marc Sleen er met gewezen BRT-journalist Jan Schodts te kaarten. Vanuytsel wordt door de heren warm onthaald, de sfeer is joviaal en de zanger door het leven gelouterd. 'Er schuilt een dosis onzekerheid in mij en ik ben nooit inhalig geweest. Ik was al blij gedaan te krijgen wat ik moest doen.'
...

We ontmoeten Zjef Vanuytsel (63) in taverne Nero in Hoeilaart, oorspronkelijk een tramstation. Vanuytsel is naast begenadigd zanger ook een gedreven architect en tekende voor de verbouwing van de taverne. Toevallig zit Marc Sleen er met gewezen BRT-journalist Jan Schodts te kaarten. Vanuytsel wordt door de heren warm onthaald, de sfeer is joviaal en de zanger door het leven gelouterd. 'Er schuilt een dosis onzekerheid in mij en ik ben nooit inhalig geweest. Ik was al blij gedaan te krijgen wat ik moest doen.' ZJEF VANUYTSEL: Dat heeft met mijn roots te maken. Ik ben geboren en getogen in de Kempen en mijn ouders waren van eenvoudige komaf. In de naoorlogse pe- riode was er nog een duidelijke scheidingslijn tussen mijn milieu en de hogere kringen. Ik ging bijvoorbeeld naar school in het Klein Seminarie van Hoogstraten, terwijl de kinderen van de elite naar de jezuïeten in Turnhout trokken. Nochtans was het studieniveau en de strenge katholieke opvoeding in beide scholen gelijksoortig. Later boden mijn ouders mij de unieke kans architectuur aan het Sint-Lucas in Brussel te studeren. Ook toen ontdekte ik een zeker cynisme bij de meer bemiddelden tegenover de minder rijken. Vandaar het nummer. VANUYTSEL: Jacques Brel. Ik was een tiener toen ik hem voor de eerste keer op televisie zag. Er ging voor mij een wereld open. Wat een performance! Zijn manier van tekstschrijven lag mij ook: sterk geënt op de werkelijkheid en tegelijk poëtisch. Brel heeft mij naar het genre van het chanson gebracht. Later heb ik mijn eigen stijl ontwikkeld. Maar vaak zocht ik net als hij naar de combinatie van poëzie, ironie en engagement. Liedjesteksten mogen niet al te vrijblijvend en niet te clichématig zijn. Al ligt het niet voor de hand om dat te vermijden. Zo is het bijzonder moeilijk om geschikte muzikale vormen te koppelen aan maatschappelijk bewogen teksten die in het leven ingebed zijn. Vandaag slaag ik daar beter in dan vroeger. Daarom ben ik zo tevreden met mijn jongste cd Ouwe Makkers. VANUYTSEL: We hebben toen even op de revolutie gehoopt, ja. Aan Sint-Lucas dachten een aantal voortrekkers onder de studenten de macht te grijpen. Ze gingen zwaar in discussie met de proffen. We hielpen elkaar tijdens de examens en we dienden gezamenlijke projecten in. Het ging ons toen sociaaleconomisch voor de wind, moet je weten. Daardoor konden we zonder veel zorgen filosoferen. We vonden dat de grenzen van de consumptiemaatschappij en van het materialisme bereikt waren. De herverdeling van de rijkdom maakte deel uit van ons jeugdig idealisme. We dachten dat deze boodschap uiteindelijk alle lagen van de bevolking zou aanspreken. Achteraf bleek dat natuurlijk een wensdroom. VANUYTSEL: Aanvankelijk niet. Door organisaties als het toenmalige Davidsfonds werd ik nu en dan geweerd. Ik trad tot het midden van de jaren 1970 solo op in kleinere theaterzalen en in jeugdclubs. Die werden door vrijbuiters uitgebaat en door de plaatselijke notabelen als oorden van verderf beschouwd. Ik speelde toen wel twintig keer per maand en na het optreden mengde de zanger zich in het publiek. Dat hoorde erbij. Aan de toog werden dan breedvoerige discussies gehouden en die liepen meer dan eens uit. Ik was in die dagen een nachtuil zonder echt goed met drank overweg te kunnen. Ik hou immers van het leven, het betekent toch meer dan werken alleen. VANUYTSEL: Nederland had gekund. Ik heb er vrij veel in kleinere clubs gespeeld, zonder er ooit op tournee te zijn geweest. Ik had in die dagen geen manager, dat bestond niet eens. Wel is De Zotte Morgen boven de Moerdijk uitgebracht. Dat was uitzonderlijk want de Nederlanders keken een beetje op ons neer. Ik ben ook eens bij Willem Duys op tv geweest. Als Vlaming op de Nederlandse buis, dat was ook al zo'n wonder. (lacht hartelijk)VANUYTSEL: Eind jaren 1970 hadden we contact met een zekere Thomas Woitkewitsch. Hij vertaalt nog steeds met veel succes de teksten van de Nederlandse chansonnier Herman van Veen in het Duits. Duitsland was qua chanson een braakliggend terrein en beschikt tegelijk over een formidabele markt. Woitkewitsch vertaalde ook een paar teksten van mij, onder andere Ik weet wel mijn lief. We geloofden even in een doorbraak, maar zoiets moet je een paar jaar geduldig voorbereiden. Dat is niet gebeurd. VANUYTSEL: De ambitie was ontoereikend en ik twijfelde aan mijn zangcar- rière. Ik heb een diploma van architect en wou dat evengoed valideren. Overigens was de Vlaamse markt veel te klein. Nochtans is hier zeer veel jong talent. Dat zou in Nederland aan de bak moeten komen, pas dan wordt het echt interessant. Maar dat is precies het drama: de Groot-Nederlandse culturele gedachte is ver weg. VANUYTSEL: Ik heb er het raden naar. Het Vlaamse accent? Het gebrek aan management? En de Nederlanders wijken zelf almaar meer af van de standaardtaal. Alleen zij die specifieke theaterprogramma's maken zoals Kommil Foo en De Nieuwe Snaar boeren er goed. Jongeren moeten proberen volwaardige theater- shows te schrijven. De Nederlanders beschikken over circa zeshonderd theaters, wij hebben er een zestigtal. VANUYTSEL: Ja, wat je ook onderneemt, automatisch krijg je tegenkanting. Dat is ook mijn deel geweest. Er zijn mensen in de media die om diverse redenen je werk kraken. Soms word je daarbij op een manier benaderd die je niet verdient. En vaak door diegenen die je eerst de hemel in hebben geprezen. In 1983 bracht ik de lp Tederheid uit. Een journalist vond die titel niet kunnen en alleen daarom werd de plaat door hem de grond ingeboord. In hetzelfde blad werd Tenderness van de Amerikaanse zanger Billy Joel alle lof toegezwaaid. Tja, dan weet je het wel. VANUYTSEL: Omdat men zodoende alle Nederlandstalige liedjes onder één noemer bracht. En dat terwijl die natuurlijk serieus van elkaar kunnen verschillen. Wat is trouwens typisch kleinkunst? Dekt de term de lading? Ondergaan dergelijke nummers geen popinvloeden? Toen de term kleinkunst begin jaren 1980 een pejoratieve betekenis kreeg, werden we allemaal nogal cynisch over dezelfde kam geschoren. En niet langer voor vol aangezien. Men heeft toen de term misbruikt, en veel wolven huilden mee. VANUYTSEL: Nee, ik wil dat niet verder oprakelen. Ik ben zeer gelukkig met de nieuwe golf in het Nederlandstalige lied. Ik kijk ernaar uit om samen met bijvoorbeeld Yevgueni op Nekka te staan. Tom Pintens waardeer ik ook sterk. Met hem zie ik mij nog eens een nummer opnemen. Hij is overigens een uitmuntende muzikant, de huidige generatie staat ter zake op een veel hoger niveau dan wij destijds. Ik ben vol nieuwe hoop. Sommige muzikanten die nu uitsluitend in het Engels zingen, zouden perfect Nederlandstalig werk kunnen uitbrengen. Sarah Bettens bijvoorbeeld. VANUYTSEL: Zeker. Ik vind het Nederlands een mooie en onderschatte taal met een zeer rijke woordenschat waarvan we niets meer kennen. Ik heb op mijn jongste cd opzettelijk woorden gebruikt die nog zelden in de mond worden genomen. Ik vind het erg dat onze taal zich al te vaak tot uitdrukkingen als 'keinijg' beperkt. De spreektaal wordt blijkbaar de norm. VANUYTSEL: Ik denk het wel. Wij waren ons alleszins bewust van het belang van het Algemeen Nederlands. Voordien gaf - ook in Vlaanderen - de Franse literatuur de toon aan. Al in de humaniora beseften wij hoe rijk onze taal wel was. VANUYTSEL: Ik verbleef er tot midden de jaren 1970. Ik hield van Brussel als stad, maar ik ergerde er mij vaak als Vlaming. Ik woonde in Schaarbeek, toevallig de gemeente van de toenmalige liberale burgemeester Roger Nols, die een apart loket voor de Vlamingen voorbehield, naast die voor de allochtonen. Dat vond ik grof. Er bestaat trouwens nog steeds een hautain Franstalig publiek dat op het Nederlands neerkijkt. Maar ik had geen problemen met de gewone Brusselaars die een authentiek en schitterend taaltje spraken waarvan ze de invloeden van het Vlaams niet eens vermoedden. VANUYTSEL: Dat was vooral ironisch bedoeld. België is een beetje waanzin. Toch ben ik deels een belgicist. Er is in dit land zo'n rijkdom aan talen en culturen. Alleen is het jammer dat daarmee niets ondernomen wordt. Integendeel, de gemeenschappen groeien cultureel, politiek en filosofisch steeds verder uit elkaar. Daardoor verworden we tot een grijs en onbestuurbaar land. Ik stel mij daar steeds meer vragen bij. De toestand begint rampzalig te worden. VANUYTSEL: Een relatie kan nauwelijks slagen als er bij de aanvang geen passie in het spel is. Dat dooft nadien bij momenten uit en flakkert nu en dan weer op. Uiteindelijk gaat de liefde over tot vriendschap en vertrouwen. Je moet daarbij wat geluk hebben en het is ook een keuze. Zonder ook maar iemand te willen veroordelen, is het nummer hoe dan ook een hartverwarmende ode aan de liefde die kan overleven. Daarin heeft mijn vrouw de grootste verdienste. DOOR ERIC VAN DE CASTEELE