In Engeland is hij een van de legendarische Shakespeare-acteurs. Televisiekijkers kennen hem natuurlijk van zijn schitterende vertolking van de Romeinse keizer Claudius in de Robert Graves-verfilming "I Claudius". In de bioscoop werd hij nooit een klinkende naam, al werkt hij nu ook hard aan deze late roeping.
...

In Engeland is hij een van de legendarische Shakespeare-acteurs. Televisiekijkers kennen hem natuurlijk van zijn schitterende vertolking van de Romeinse keizer Claudius in de Robert Graves-verfilming "I Claudius". In de bioscoop werd hij nooit een klinkende naam, al werkt hij nu ook hard aan deze late roeping. In "Love is the Devil" van de jonge Engelse regisseur John Maybury geeft hij in ieder geval op een verbijsterende manier gestalte aan de in Dublin geboren schilder Francis Bacon (1909-1992), de kunstenaar van het menselijk verval, van verwrongen figuren - de mens als rauwe vleesklomp in het slachthuis van het leven. In de film gelijkt u opmerkelijk op Bacon.Derek Jacobi: U ziet zelf dat dit in werkelijkheid veel minder het geval is. Ik werd opgemaakt om op Bacon te gelijken: mijn haar werd geverfd, mijn ogen bijgewerkt, ik ben ook flink wat aangekomen om die ronde wangen te hebben. De film werd gedraaid met hard licht, wat het allemaal echter en ruwer maakte. Zeker geen flatteus portret van Bacon. Als je een bekend iemand speelt, is er altijd het probleem dat iedereen al zijn beeld heeft van de echte persoon. In de film worden veel bijrolletjes gespeeld door kennissen en vrienden van Bacon. Op een feestje werden ze allemaal aan me voorgesteld en verscheen ik opgemaakt als Bacon. Een van Bacons vriendinnen barstte toen in tranen uit: zo aangrijpend was de gelijkenis voor haar.Hoe hebt u zich voorbereid op die rol?Jacobi: Ik heb de drie Baconbiografieën gelezen en al het beschikbare videomateriaal bekeken. Ik kon vooral goed gebruikmaken van een tv-portret van Melvyn Braggs dat uit drie interviews met Bacon bestaat: in een kunstgalerij, dan in zijn studio en ten slotte in een restaurant. Het was nuttig om hem in drie verschillende omgevingen te zien, waar hij zich telkens anders gedraagt. Ik bestudeerde zijn lichaamstaal, maar heb zeker zijn stem niet willen nabootsen, die in werkelijkheid nog veel hoger was. Hij leed aan astma, hapte voortdurend naar lucht, dat heb ik in mijn spraak verwerkt. Was u een fan van Bacon?Jacobi: Niet echt. Ik had enkele van zijn schilderijen gezien, maar was er niet erg van onder de indruk. Ik denk niet dat ik toen zijn kunst begreep. Pas toen ik me in zijn leven ging verdiepen en met andere ogen naar de doeken ging kijken, zag ik waar ze vandaan kwamen, wat Bacon er allemaal had ingelegd. "Love is the Devil" is geen traditionele kunstenaarsbiografie, maar toont slechts een bepaalde periode in het leven van Bacon: zijn relatie met George Dyer, de man die zeven jaar zijn muze was. Ofschoon het allemaal op feiten steunt, is het toch ook fictie, omdat niemand echt weet wat er zich allemaal achter gesloten deuren afspeelt. Het fascinerende was de kloof tussen die twee mannen. Francis had alles: faam, succes, geld, aanzien, macht, creativiteit. George was niet alleen van de lagere stand, hij was ook ongecultiveerd en had geen enkele creatieve aanleg. Daarin verschilde hij danig met alle andere vrienden van Francis, die allemaal op een of ander vlak artistiek begaafd waren. Ook daarom was George een outsider. Op seksueel vlak was Francis masochistisch aangelegd, hij hield ervan gepijnigd en gedomineerd te worden. Maar in het openbaar en emotioneel was hij de dominerende en vernederende partij. Wat George met hem deed in hun slaapkamer deed hij met George voor de ogen van de buitenwereld. En daar leed George natuurlijk onder, het is een van de zaken die hem verwoest hebben. Francis was van goeden huize, afkomstig uit een heel rijke familie, maar hij liet zich graag omringen door mensen die hij uit de goot opraapte, hij frequenteerde graag de onderklasse. Hij voelde zich altijd aangetrokken door ruwe jongens uit de East End, die hij gevoelsmatig en intellectueel de baas was. Inderdaad, het cliché van de klassenverschillen dat hoe dan ook de ruggengraat vormt van heel wat artistieke scheppingen in Engeland.We kennen u vooral als klassiek toneelacteur. Is het een grote sprong om in een onafhankelijke, bijna experimentele film te spelen?Jacobi: Ik zag het meer als een geschenk uit de hemel! Door omstandigheden heb ik veel klassiekers gedaan, toneel is mijn eerste liefde, maar ik doe niets liever dan films maken die met dit imago breken. Ik heb er een hekel aan als mensen me associëren met Theater met hoofdletter, waar nog altijd iets burgerlijks of elitairs aan vasthangt. Ik zou John Maybury op mijn blote knieën moeten bedanken: eindelijk mag ik nog eens een pantalon dragen in plaats van al die toga's en gewaden, en mag ik ook iemand spelen die jeugd en energie uitstraalt. Je moet weten dat ik niet eerste keus was: ze hadden eerst Malcolm McDowell gevraagd, maar die heeft het gelukkig laten afweten! Film is totnogtoe maar een bijberoep geweest voor mij. Pas de jongste tijd krijg ik echt zin om ook deel uit te maken van het Britse filmbedrijf. Vooral omdat de Britse cinema nu weer de wind in de zeilen heeft en veel internationaler is opgevat dan enkele jaren geleden. Alhoewel ik ook wel besef dat zoiets cyclisch is. Zodra de Britse film een succesje scoort, begint het vendelzwaaien, het "The Brits are coming"-gevoel. Maar na zo'n nationalistische reflex volgt meestal meteen de afstraffing.Hebt u ook ambities om films te maken?Jacobi: Heb ik nog niet aan gedacht. Op filmgebied ben ik een laatbloeier, zit ik nog in de kleutertuin. Toneelregie heb ik wel gedaan en dat leerde me dat acteren mijn grote liefde is. Ik genoot van het regiewerk, denk zelfs dat ik er tamelijk goed in was, maar ik bemoeide me te veel met mijn acteurs. Eenmaal een stuk wordt opgevoerd, verdwijnt de regisseur onvermijdelijk op de achtergrond. Plotseling weten de acteurs er meer van af dan de regisseur, omdat ze meegroeien met het stuk. Het is zoals een kind dat je op zeker ogenblik moet loslaten, opdat het zijn eigen weg zou kunnen vinden. Van wie heeft u het meest geleerd?Jacobi: Veel Britse acteurs zullen u dezelfde naam geven: Laurence Olivier. Ik heb met hem geacteerd, maar hij heeft me ook geleid. Een prima regisseur die echt van zijn acteurs hield, altijd keurig zijn huiswerk deed, nooit zijn visie opdrong maar besefte dat de acteur het eerst voor zichzelf moet ontdekken. Hij verkocht nooit theorieën, maar hielp je op een concrete manier. Nooit gedroeg hij zich als een dictator. Ik heb ook met regisseurs gewerkt die kennelijk deze job doen om van hun neurosen af te geraken, zoals John Dexter of Tony Richardson. Ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe ze jonge acteurs met de grond gelijkmaakten. Mocht ik nu zoiets meemaken, dan nam ik ze apart om ze vriendelijk te verzoeken daarmee op te houden. Ik ben nu oud genoeg om dit te kunnen doen. De theaterwereld is een erg gesloten clubje, het is als een grote familie, met alles wat daarbij hoort: vetes, kleingeestigheid, verzoeningen, onderhuidse spanningen, opgekropte gevoelens en natuurlijk ook al die botsende ego's. Je mag niet vergeten dat het ten slotte gaat om mensen die voortdurend op een podium staan, bekeken en gekeurd worden en daarom ten prooi zijn aan onzekerheid. Je moet er voortdurend rekening mee houden dat je op elk ogenblik door het publiek kan worden afgewezen. Vooral als je jonger bent, zorgt dat voor grote angsten. En als je dit allemaal optelt, ben je verbaasd dat sommigen er nog evenwichtig en sereen bij blijven. Maar anderzijds heb je die spanningen ook nodig om te functioneren. Als je op het podium staat, ben je ook kwetsbaar, je hebt heel gevoelige antennes. Een kuchje in de zaal klinkt alsof er een bom afgaat.Bacon was een erg visceraal kunstenaar. Hoe benadert u uw vak, intellectueel of gevoelsmatig?Jacobi: Instinctmatig. Het interesseert me niet om eindeloos over een vertolking te zeuren of te tobben. Ik ben meer een daadmens: ik doe het gewoon, op gevaar af op mijn bek te gaan of me als een idioot aan te stellen. Die risico's wil ik tijdens de repetities ook nemen. Tijdens die repetities probeer ik de regisseur te verbazen. Ik maak fouten, maar al doende leer ik de rol, niet door het vooraf allemaal uit te stippelen. En ik ben heel loyaal aan de tekst, probeer te respecteren wat de auteur heeft geschreven. In die zin kan ik me ook herkennen in wat Bacon zei over zijn werk: dat dit het resultaat was van actie en toeval. Zo is het voor mij ook: plotseling gebeurt er iets wat de moeite loont, wat het allemaal tot leven brengt. In theater schep je natuurlijk veel makkelijker de voorwaarden opdat iets verrassends gaat gebeuren. Bij de film wordt dat meer aan banden gelegd door de technische beperkingen. Bij toneel kan je groeien in je rol: na de zestiende dag plots de waarheid van een moment ontdekken. Meestal gaat het om iets triviaals, tenminste voor het publiek, maar voor de acteur is het geweldig belangrijk of revelerend. Plotseling heb je voor jezelf het probleem opgelost en gaat er een lampje branden. U moet een van de weinige acteurs zijn die zowel Hamlet speelden (op toneel) als Hamlets oom Claudius (in de recente filmversie van Kenneth Branagh).Jacobi: Ja, wat tamelijk angstaanjagend is, omdat je daartussen je hele leven ziet voorbijgaan. Een van de eerste rollen die ik speelde, was Laërtes, dan mocht ik opklimmen tot Hamlet, een rol die ik over de jaren heen wel vierhonderd keer heb gespeeld. Kenneth Branagh vertelde me later dat hij niet wist wat hij wilde worden: voetballer, journalist of acteur. Maar toen hij mijn Hamlet zag, wist hij het. Ik was heel blij dat hij het stuk integraal heeft verfilmd, want bij de inkortingen is Claudius een van de rollen die steevast sneuvelen. Vooral in het tweede deel heeft hij een aantal belangrijke en qua tekst heel moeilijke scènes. Voor mij was het ook fascinerend om hetzelfde stuk te bekijken vanuit het standpunt van een ander personage, met zijn eigen problemen en obstakels, waarvan je je natuurlijk niet bewust bent als je Hamlet zelf speelt. Aan welke vertolking beleefde u zelf het meeste plezier?Jacobi: In de tv-serie "I Claudius" vond ik ongetwijfeld de rol van mijn leven. Daardoor kreeg ik ook aanbiedingen in Amerika, zoals "Becket" op Broadway, terwijl ik toch in Engeland al zestien jaar op de planken stond. Heerlijke jaren, dat wel, vooral bij de Old Vic, maar je bereikte er alleen een publiek van kenners mee. Artistiek gesproken heb ik het meest geleerd van de rol van Hamlet. Een andere favoriet is Cyrano de Bergerac, dé gedroomde rol om als acteur al je instrumenten te gebruiken: fysiek, emotioneel en in het bijzonder vocaal. Gewoon de meest dramatische rol ooit geschreven.Wat zette u aan tot acteren?Jacobi: Een vreemd gen dat zich in mijn systeem nestelde. Ik groeide op in Londen - enig kind, probleemloze jeugd. Maar zo lang als ik me kan herinneren, voelde ik me aangetrokken tot komediespelen. De wereld van de verbeelding zei me veel meer dan in een bank gaan werken. Ik herinner me vooral een seizoen in de Old Vic, toen Richard Burton even Hollywood liet varen om in Londen op de planken te staan. Toen hij opkwam, zag hij er niet alleen als een god uit maar klonk hij ook als een god. Hij speelde Hamlet, Coriolanus, Henry V. Het was tijdens een van die voorstellingen, zo vertelde Burton me later, dat Winston Churchill op de eerste rij zat en luidop Burtons "To be or not to be" monoloog mee opzegde. Ik was maar een schooljongen, maar toen ik vol verbazing naar dat podium gaapte, wist ik wat ik wilde worden. Hebt u een droomrol?Jacobi: Jawel, niet bijster origineel.Lear natuurlijk. De droom van elke acteur op latere leeftijd! Ik heb nooit de "King Lear" met Olivier gezien, maar hij geldt niet als een van zijn grote vertolkingen. Veel later speelde hij nog eens Lear in een tv-drama, toen hij al oud en broos was, wat voor die rol goed van pas kwam. Onlangs was er ook nog een succesvolle poging in Londen met Ian Holm. Je moet als acteur natuurlijk een droom hebben, maar toch geloof ik niet dat Lear echt te spelen is. Ik denk niet dat je de emotionele diepgang van Lear kunt vertolken zonder eraan te bezwijken, zeker niet acht keer per week. Mocht je Lear spelen zoals het hoort, zou het meteen ook je dood betekenen. "Love is the Devil" komt op 20/1 in de bioscoop.Patrick Duynslaegher