'Wie speelde de vrouwelijke hoofdrol in Roman Holiday?'
...

'Wie speelde de vrouwelijke hoofdrol in Roman Holiday?' 'Audrey Hepburn.' 'Welke Belgische wielrenner, die bekendstond om zijn katachtige sprong, werd zeven keer wereldkampioen sprint?' 'Poeske Scherens.' 'Hoe heette de laatste automobiel die geheel in België werd geproduceerd?' 'De Minerva!' 'Wie schilderde de Septijnse kapel?' Hugo Claus krabt zich achter het oor. Twee avonden na elkaar heeft hij het partijtje Trivial Pursuit met gemak gewonnen. Maar dit is een moeilijke. 'Een instinker. De Septijnse kapel bestaat niet!' De schrijver en de verslaggever kennen elkaar al enige decennia. Het is Indian summer in de Provence, hartje winter, en dus wordt er scrabble gespeeld, en pastis gedronken op een terras in Carpentras, en naar de quiz op de Franse televisie gekeken: Questions pour un champion. Op 5 april wordt Claus zeventig. Die dag zal hij met zijn geliefde in Venetië doorbrengen, ver van het journaille, want hij denkt met enige huiver terug aan alle interviews en vieringen rond zijn vijfenzestigste verjaardag. Leonard Nolens schreef toen de gedichtencyclus Zelfportret van Hugo Claus 65. Wie wordt geboren is verkocht En moet zichzelf doorverkopen. En dus, heren, veracht ik mezelf En minacht wie mij hoogacht. Maar dat valt wel mee. Een beetje een bejaarde speelvogel is hij gebleven. Na drie dagen lanterfanten besluiten we dat het er toch maar van moet komen. We trekken ons terug in zijn schrijfkamer. In het traphalletje dat naar zijn heiligdom leidt, hangt een knipsel: Exile, silence and cunning. List en bedrog - daar zouden we het over hebben. HUGO CLAUS: Nee, het betekent dat de waarheid niet te vatten is, tenzij in fragmenten, in scherven, in loshangende percepties die heel wankelbaar zijn. Dat besef verklaart tegelijkertijd mijn angst en mijn bezetenheid. En omdat ik soms het gevoel heb dat alles mij al tienduizend keer gevraagd is, willen de antwoorden die ik geef nog wel eens variëren, naargelang mijn muts staat. CLAUS: Als je gevoel voor theater hebt, kan het natuurlijk nooit erg genoeg zijn. Je ziet op straat soms van die koppels - een oude, vieze man met een prachtige, intelligente meid - waarbij je je afvraagt: wat zíét ze toch in hem? En dan haal ik uit mijn mandje met schrale filosofische en andere gedachten wat Plato zegt over de liefde. Namelijk: dat de God van de liefde woont in hem of haar die bemint, níét in datgene wat bemind wordt. Dat is toch uiterst curieus? Je kunt liefde natuurlijk chemisch-wetenschappelijk ontleden en zeggen: het komt door de klieren en de neuronen en de gassen. Maar ík snap het niet. Zonder al te romantisch te willen zijn: het zijn die raadsels die mij een enkele keer bezighouden. Hulpeloosheid is de sleutel van alles. CLAUS: Ik kan het alleen maar duister uitdrukken, met de hoop op een kleine glans, hier en daar in het donker. CLAUS: Ik ben de laatste die je daarvan mag verdenken. Natuurlijk, de mensheid heeft altijd bevend gekeken naar die spatjes daarboven. En hoe meer we erover weten, hoe raadselachtiger en mooier het wordt. CLAUS: Ik ben er wel mee bezig, maar dan in kleine, praktische zin. CLAUS: De vraag, bijvoorbeeld, wie het echt wat zal kunnen schelen als ik er niet meer ben en wie er langer dan tien minuten bij zal blijven stilstaan. Ik denk dat ik die mensen op de vingers van één hand kan tellen. Ik heb van die kruideniersbekommernissen zoals: wat zal er in godsnaam overblijven van die duizenden pagina's die ik heb geschreven? Dat is hetzelfde als: gaan mijn knolrapen niet een beetje verzuren? Maar de grote donderwolk van het onbekende, daar houd ik me niet mee bezig. Dat zien we later wel. Of we zien het niet. Ik was bijvoorbeeld nogal getroffen toen ik Kenzabura Oë zag in Japan, en vroeg waar hij mee bezig was. Hij zei zeer ernstig: 'My dear - preparing for death! Aren't you?' Dat doe ik dus niet. De angst van Pascal heb ik niet omdat ik niet gelovig ben. Mij kan niets gebeuren. Alleen mensen die geloven, moeten rekening houden met wat er na hen komt. Die moeten boete doen en om genade smeken. Al die problemen heb ik niet. Ik heb alleen maar - omdat ik claustrofobisch ben - een heel ordinaire angst om vastgebonden te worden in een ziekbed. Ik kan bijvoorbeeld niet onder een scanner. Dat kan ik fysiek niet aan, dan begin ik te blèren. CLAUS: Jazeker. Omdat ik om me heen zo vaak gezien heb wat er gebeurt met hulpeloze mensen. Mijn vader, bijvoorbeeld, die man heeft echt geleden. Hij zei: ik hoor niet meer, ik ben blind, ik wil niet meer, vraag in godsnaam aan de dokter of aan om het even wie... dóé er iets aan. Maar ze deden niks. Ik probeer het dus zo te draaien dat ik misschien een kans heb dat ik niet wekenlang hoef te bedelen om het verlossende prikje te krijgen. Want dat prikje schrikt me niet af. Ik kan overigens niet garanderen dat ik waardig zal sterven. CLAUS: Welnee. Je gaat wat minder snel achter de dames aanlopen, maar dat vind ik geen probleem. Ik kan nu rustig een week lang door dat onnozele raam naar dat onnozele landschap zitten kijken, zonder dat ik iets moet. CLAUS: Ik denk dat het veel met de oorlog te maken had. Waarom zouden we gaan studeren, waarom zouden we een geregeld leven leiden als we ieder ogenblik in een bombardement kunnen omkomen? Dat staat ook in Het verdriet van België. Ik heb honderden doden gezien, in de meest afschuwelijke omstandigheden. Ik werd geconfronteerd met het efemere van het bestaan. Zo zit je hier tegenover mij, en een kwartseconde later vliegen de darmen door het huis. En dat is dan nog een zacht cliché van wat mij overkwam. Ik kan niet ontkennen dat dat een weerslag heeft gehad op mijn manier om door het leven te willen gaan. CLAUS: Ik wil niks. In die onnozele tijdspanne waarin men mij zich nog zal herinneren, zal men een paar gedichten van mij op school leren, denk ik. En voorts... Het verdriet van België is te dik, Schaamte te onleesbaar, De Oostakkerse gedichten te vrouwonvriendelijk, De verwondering te hermetisch, De koele minnaar te frivool, Wreed geluk niet hermetisch genoeg... Ik maak me weinig illusies. CLAUS: Mijn hele werk is poëtisch - zij het niet in sentimentele zin. Dat geldt zelfs voor mijn schilderijen. Ik zal altijd de voorkeur geven aan het beeld boven de rede. Ik toon. Ik heb, geloof ik, een poëtische houding. CLAUS: Goeie vraag. Kijk, het probleem is dat ik dergelijke zinnetjes zo makkelijk uit mijn mond laat vallen. En als ik het terug wil halen, blijft er niks meer van over. Ik zeg met het grootste gemak ter wereld: ik heb een poëtische houding, maar als je mij vraagt dat uit te leggen ben ik het al vergeten. Volgens mij heb ik een lichte vorm van alzheimer. CLAUS: In mijn paar megalomane momenten per dag durf ik dat te denken. Als u ook maar iets in die richting oppert, ben ik al gelukkig. Henri Michaux, een van mijn leermeesters, beweerde dat hij door het lezen van Gezelle de dichter is geworden die hij was. Ik ben geneigd hem gelijk te geven. En niet alleen omdat Gezelle zo goed de vogeltjes kon nadoen. Ik heb geleerd dat traditie niet zo'n hatelijk woord is. Je moet fataal ouder worden om dat te durven inzien. In het algemeen wordt dat gelijkgeschakeld met verkalking en met behoefte aan zekerheid. Mij niet gelaten. CLAUS: Aangezien ik mild ben, heb ik mijn vaders opzijgezet. Dat is iets anders. CLAUS: Ik heb hier en daar een prijs gekregen, maar ik heb uiterst zelden iets behoorlijks gelezen over mijn poëzie. Als ik dat dikke boek met mijn Verzamelde Gedichten opensla, denk ik: hier heeft geen mens ooit naar omgekeken. Van die 1200 pagina's zijn er misschien twintig ooit echt gerecenseerd, laat staan dat ze verheerlijkt werden, zoals het hoort. Dus, opnieuw een catastrofe! CLAUS: Ik ben in Vlaanderen nooit echt gefêteerd. Soms, omdat ik zestig of vijfenzestig of zeventig word, mag ik in een Vlaams weekblad verschijnen, maar dat is het wel zo'n beetje. Als ik toch een opdracht voor toneel krijg, dan is het uit Nederland. En als er meer dan 100.000 exemplaren van De geruchten zijn verkocht, is dat dankzij Nederland, niet dankzij Vlaanderen. CLAUS: Ik woon niet voor niets zeven maanden per jaar hier in Zuid-Frankrijk. Maar ik zou ook niet constant tussen Nederlanders kunnen leven. Ze zijn me te clean, ze formuleren mij te glad. Ik mis het groezelige, het farizeïsche. Er is ooit een architect geweest die een debiele titel heeft bedacht: België, het lelijkste land ter wereld. Wat een flauwekul! België is prachtig. De bombastische, protserige haciënda's, het stijlloze samenkoeken van allerlei vormen, de oneindige varianten op de klunzigheid vervullen mij met vreugde. CLAUS: Die is tamelijk reëel. Heb je dat prachtige boek over Iris Murdoch gelezen? Een van de meest glorieuze intelligenties van Engeland was minder geworden dan een kind van drie. Of ze gelukkig was, weten we niet. Ik merk de laatste tijd aan kleine dingetjes dat ik niet altijd meer het juiste woord kan vinden. Ik zeg bijvoorbeeld margriet als ik margarine bedoel. Daarom ook los ik iedere ochtend het kruiswoordraadsel van de International Herald Tribune op. Het zal wel nergens op slaan, maar ik denk dat ik mijn geest gaande moet houden. CLAUS: Zou het? Je verzint je kinderjaren natuurlijk ook. Als je ook maar een klein beetje gaat verzinnen en het een paar keer vertelt, gaat het een eigen leven leiden. En dan ga je je eigen fabulatie voor een goed geheugen houden. CLAUS: Waarom zou ik mijn trouwe lezers willen verneuken? Het verhaal is natuurgetrouw. Maar die eerste passages over de kostschool in Het verdriet van België... ik denk dat ik die wel verzonnen heb. CLAUS: Nee. Ik heb geen last van schaamte. Pierre Alechinsky, bijvoorbeeld, die kan geen namen meer onthouden. Zover is het bij mij nog niet. Maar waarom vertel ik dat? Ik heb kennelijk het kortste geheugen dat er bestaat. Midden in een zin weet ik niet meer wat ik aan het vertellen was. CLAUS: Helemaal niet. Graag gedaan! DOOR PIET PIRYNS