Een smerige groene poel bij een vuilnisbelt, een gammel huis en een gehandicapte houtbewerker. Een kraaknette kamer en een gehandicapte vrouw achter een naaimachine. Een donkere steeg en een gehandicapte vrouw die juwelen maakt: alledrie zijn ze lid van Échoppe, Echange pour l'Organisation et la Promotion des Petits Entrepreneurs. Deze kleine ondernemers zijn vakmensen met een harde scholing achter de rug. Ze zijn 'meester', wat betekent dat ze leerlingen mogen opleiden en dat ze - samen met andere 'meesters' - houten beeldjes, rugzakken en juwelen mogen ontwerpen.
...

Een smerige groene poel bij een vuilnisbelt, een gammel huis en een gehandicapte houtbewerker. Een kraaknette kamer en een gehandicapte vrouw achter een naaimachine. Een donkere steeg en een gehandicapte vrouw die juwelen maakt: alledrie zijn ze lid van Échoppe, Echange pour l'Organisation et la Promotion des Petits Entrepreneurs. Deze kleine ondernemers zijn vakmensen met een harde scholing achter de rug. Ze zijn 'meester', wat betekent dat ze leerlingen mogen opleiden en dat ze - samen met andere 'meesters' - houten beeldjes, rugzakken en juwelen mogen ontwerpen. De door Échoppe goedgekeurde ontwerpen mogen dan door de leden worden gekopieerd en leveren de maker een auteursrecht op. Ze leveren prachtige dingen af. Zo mooi en van zulke kwaliteit dat ze in Angers en Parijs worden verkocht. Niet in derdewereldwinkels, maar in gewone boetieks met het erkende label Artisans du soleil. Wij kennen enkele van de producten hier ook: het sleutelhangertje van Vredeseilanden is gemaakt door de Artisans. Voor hen is de afzet in het buitenland - Frankrijk en België - goed voor een extra maandinkomen van 1250 frank. In een stad als Cotonou genoeg om de kinderen naar school te sturen. En te dromen van een betere toekomst. Op het platteland is overleven met 1500 frank per jaar net mogelijk. Als je de kinderen naar school wil sturen, moet je immers ook een uniform, schriften en schrijfgerei betalen. Het schoolgeld voor een jongen bedraagt tachtig frank per maand. Meisjes mogen op het platteland gratis naar school. Alleen, ze gaan niet want zo'n onderwijzer ziet wel het aantal leerlingen in één klap verdubbelen, maar schoolgeld is er niet bij. En met dat schoolgeld moet de onderwijzer boeken en krijt kopen en het klaslokaal onderhouden. Dus is er één boek per vier leerlingen en staan de scholen er gammel bij. De nieuwbakken directeur-generaal van het onderwijs maakte onlangs een inspectiereis door zijn land en is daarbij zo geschrokken dat hij in een interview met de krant Le matin verklaarde dat hij een beroep doet op de NGO's om de scholen te helpen. Dat gebeurt nu al. De gemeentelijke basisschool van Schellebelle won de Prijs koningin Paola en voorzag het dorpsschooltje van Drabo van vijftig schoolbanken, betaalde vijftien ramen en drie deuren en liet een plankenvloer in de lokalen leggen. De 166 leerlingen en hun drie onderwijzers kregen ook boeken en hebben nu eindelijk een school waar ze trots op zijn. Als de onderwijzers nu ook nog de sinds tien jaar beloofde weddeverhoging krijgen, kunnen ze behoorlijk leven. Omdat de lonen zo laag zijn, proberen opgeleide onderwijzers en leraren een baan te krijgen bij de privé-scholen. Daar zijn de klassen kleiner en de lonen hoger. De beste leraren 'verdwijnen' naar de dure privé-scholen, waardoor de dorpsscholen dubbel lijden. Ze verliezen hun onderwijzers én de enige leerlingen die iets meer zouden kunnen betalen. En de meisjes zijn dubbel slachtoffer.SLAKKEN EN PADDESTOELENOok in Togba zijn de vrouwen analfabeet. Volgens de traditie zijn jongens toch slimmer en is elke investering in dochters weggegooid geld. Die verhuizen toch naar de clan van de man. En toch werken vrijwel alle NGO's vooral met vrouwen. Er is immers een wereldwijd geldende wet: als het inkomen van het gezin verhoogt via het loon van de man, dan gaat het geld naar luxe. Verhoogt het inkomen via de vrouw, dan gaat het geld naar de kinderen. Maar de traditie is taai. Er zijn duidelijke rolpatronen en daar kun je niet zomaar aan tornen. Zo hebben vrouwen van oudsher de taak slakken en paddestoelen te verzamelen: die vormen sinds lang een welkome aanvulling op het menu. Door de enorme bevolkingsgroei wordt de druk op de bossen waar de paddestoelen en slakken te vinden zijn echter steeds groter. Daar speelt het Centre d'Écodéveloppement Intégré (Cecodi) op in. Deze Beninse NGO fungeert als draaischijf tussen westerse knowhow en Afrikaanse traditie. Met hulp van Belgische universiteiten en de Plantentuin van Meise werd in Togba een paddestoelenkweek opgezet. België levert de techniek om in een lab de schimmels te kweken waaruit de paddestoelen groeien. Op de modelboerderij van Togba worden de beste voedingsbodems uitgetest. De universiteiten hier leveren ook de wetenschappelijke basis voor wat de vrouwen ginder wéten: waar de verschillende paddestoelen groeien. Het hele bosgebied wordt in kaart gebracht, honderden paddestoelen beschreven en gefotografeerd. Dankzij de Belgische knowhow en het primitieve lab hebben honderden mensen het nu veel beter. Want de vrouwen die in het project stapten, hebben achter hun hut nu een bijgebouw waar paddestoelen worden gekweekt. Drie dagen duurt hun opleiding, de investering is klein en de winst naar verhouding enorm: tot drieduizend frank per maand. Het dubbele van een doorsnee jaarloon in de dorpen. Met dat geld kan een vrouw andere vrouwen en mannen betalen om haar akker te bewerken. Dat werk is zwaar en brengt weinig op, want vrouwen hebben op het platteland geen rechten en kunnen enkel de gronden bewerken die arm en schraal zijn. De paddestoelenteelt maakt haar vrij: ze is thuis, het werk is niet zwaar en via de verkoop op de markt kan ze geld overhouden om de kinderen naar school te sturen en medicijnen te betalen. Pas als het project echt grote winsten oplevert - er is sprake van uitvoer naar de buurlanden - zal de steun uit het Westen niet meer nodig zijn. Ook de slakken brengen goed op. Net als bij de paddestoelenkweek wordt voortgebouwd op de kennis van de vrouwen: die hebben altijd slakken verzameld en thuis verder vetgemest. Cecodi is een perfect voorbeeld van een project waarbij de plaatselijke traditie en kennis worden gecombineerd met westerse knowhow en aldus een snelle return op de investeringen oplevert. Er is geen verlies: niet-verkochte slakken worden gewoon weer in de slakkenfarm uitgezet om verder vetgemest te worden. De winst is zelfs dubbel. De afval van de akkers wordt nu verzameld en levert het substraat op waar de paddestoelen op groeien. Na de paddestoelenoogst is dat substraat rot en kan het als mest dienen voor de akkers. Er is één probleem: de mannen zien met lede ogen aan hoe hun vrouwen geld verdienen. Zij willen nu ook een opleiding. Maar de vrouwen weigeren: de mannen roepen de traditie in om vrouwen klein te houden. Nu de traditie in hun voordeel speelt, roepen de vrouwen op hun beurt de oude gebruiken in. Ze weten dat ze nog niet sterk genoeg staan om de mannen toe te laten tot hun groep. Dat kan alleen als ze - via hun werk, hun geld en hun vorming - niet meer automatisch gehoorzamen als de mannen bevelen geven. En ze zijn slim. Ze weten dat wanneer alle vrouwen in het dorp paddestoelen en slakken kweken, de lokale markt verzadigd raakt. Dus willen ze maar een beperkt aantal vrouwen opleiden en hebben ze de anderen ervan overtuigd om de aarden schalen te maken waarin de slakken worden vetgemest. Om zuinige oventjes te maken zodat er minder hout nodig is. Om mee te werken aan de herbebossingsprogramma's. Hier noemen we dat een joint venture. Daar heet het ontwikkelingshulp.ANALFABETE AANDEELHOUDERSOp de jaarlijkse algemene vergadering van de aandeelhouders van de coöperatieve spaarkas Camufe, Caisse Mutuelle des Femmes, wordt het jaarverslag voorgelegd. De verkiezing van de raad van bestuur verloopt vlot. Een gewone algemene vergadering, ware het niet dat alle aandeelhouders vrouwen zijn en dat twee derde van die vrouwen zo goed als analfabeet is. Maar belangrijker is dat voor de driehonderd vrouwelijke aandeelhouders Camufe het verschil maakt tussen leven en overleven. Elk van de vrouwen die hier in de bloedhete zaal zitten, heeft drie jaar stage achter de rug. Het eerste jaar legt een vrouw een project voor. Een eigen straatrestaurantje bijvoorbeeld, of een petit commerce: een klein verkooppunt ergens langs de straat. Wordt het project door de spaarkas goedgekeurd, dan krijgt ze een lening van maximaal 1250 frank. Niet veel, maar genoeg om zo'n kleine nering op te starten en van de winst de intrest te betalen en zelfs wat opzij te zetten. Want het geld wordt geleend, niet gegeven. En er wordt nauwkeurig gecontroleerd of de vrouwen het geld gebruiken voor hun project. Vier keer kunnen ze de kleine lening krijgen. Dan moeten ze alles bij elkaar zo'n drieduizend frank hebben opgespaard en bewezen hebben dat ze de stiel aankunnen. Dan kunnen ze een grotere lening krijgen zodat ze hun zaak kunnen uitbreiden en dus meer verdienen. Meer geld betekent dat er tijd is voor vorming: gezinsplanning, voorkomen van aids en malaria, vooral betere voeding en betere hygiëne voor de kinderen. Elke vrouw leert haar naam lezen en schrijven en ze wordt aangemoedigd een identiteitskaart aan te vragen. Hét symbool dat ze bestaat, dat ze burger is van een staat. En dus niet alleen plichten heeft als vrouw en moeder, maar ook rechten. Op de erfenis van haar man bijvoorbeeld, die traditioneel teruggaat naar de familie van de man, ook al zegt de wet het anders. Ze leert dat ze stemrecht heeft en dat ze met haar stem wél iets kan veranderen. Ze leert genoeg lezen, schrijven en rekenen om zich niet meer te laten oplichten door de eerste de beste grote bek. En als ze dat allemaal kan, weet ze ook dat haar toekomst en die van haar kinderen er anders kunnen uitzien dan de doffe ellende waaruit zij is opgestaan. Dankzij de steun van andere vrouwen, vrouwen met universitaire diploma's die vorming geven en advies. Met de hulp van een aantal buitenlandse niet-gouvernementele organisaties die elk een klein beetje geld geven. Geld dat opbrengt omdat de winst telkens weer wordt geïnvesteerd, telkens weer wordt uitgeleend en terugbetaald. En nu hebben ze dus hun eigen Camufe. Met het geld dat ze samen hebben bijeengespaard, geven ze leningen aan andere vrouwen die na een tijdje hun eigen spaarkas oprichten. En daaruit ontstaan na verloop van tijd een ziekteverzekering en een schoollening en veel initiatieven voor andere vrouwen. Zo is het bij ons dus ook begonnen zo'n honderd jaar geleden. Met kleine spaarbankjes voor arbeiders die coöperatieve bakkerijen, winkels en apotheken oprichtten en verbeten vochten voor stemrecht en sociale wetten. We zijn dat allemaal vergeten in de welvaart van onze samenleving. Geschiedenis is hier een stiefmoederlijk behandeld schoolvak.RADIO ILEMAIn het heuvelachtige gebied rond Dassa probeert de Association Culture, Communication & Développement (ACCD) de geschiedenis en de traditie in te zetten voor de toekomst. Wie niet trots is op zijn identiteit, is niemand. Maar dan moet je wel eerst weten wie je bent en wat je kunt. Vandaar de lokale radio. Het plan dateert van de jaren zeventig. In een land waar mensen lam geslagen zijn door armoede, is er immers - zeggen de oprichters - maar één uitweg: een stem geven aan wie nooit gehoord werd. Je problemen leren uitleggen, is een eerste stap naar de oplossing. Maar de marxistische machthebbers in Benin zagen dat niet zitten. Er was een nationale radio die de politieke propaganda overal verspreidde. Niet dat het veel uithaalde, want Frans is de taal van de school. Wie niet naar school gaat, kent enkel de lokale taal. Pas na de val van de Berlijnse Muur mocht de lokale radio er komen. Alleen was er geen geld. Dus sprong de Vlaamse NGO Vredeseilanden bij met geld. Het radiogebouw, de zendmast, de studio's werden door de lokale bevolking gebouwd. In de streek rond Dassa wonen tientallen verschillende volkeren door elkaar. De heuvels waren immers altijd een veilige toevluchtplaats in de oorlogen die hier tweehonderd jaar woedden. De mensen hier halen een schamel bestaan uit de grond. Ze leerden niet veel in de communistische tijd, tenzij dan dat protesteren gevaarlijk is, dat de regering de schuld is van alles en dat er toch nooit iets komt van de mooie beloftes. Vandaar dat het marxisme-leninisme in Benin laxisme-beninisme wordt genoemd. Vandaar dat iets nieuws opstarten eindeloos geduld en tijd vraagt. Tien uur per dag zendt het station uit voor een paar honderdduizend luisteraars. Het is de drukst beluisterde radio in de streek. In een analfabetisch land is de radio belangrijker dan de krant. Hij sluit ook beter aan bij de traditie: in landbouwdorpen komen de families 's avonds bij elkaar om oude verhalen te vertellen, problemen te bespreken, het werk te verdelen. De radio is gewoon een gesprekspartner meer: hij bespreekt mee de problemen die de mensen aanbrengen en geeft raad. De jongeren hebben eigen uitzendingen waarin ze aandoenlijk naïeve zelfgeschreven toneeltjes opvoeren. Het doet allemaal wat denken aan dorpstoneel lang geleden bij ons: waarschuwingen tegen dronkenschap, het gevaar van te veel kinderen na elkaar, de moeilijkheden binnen het gezin en de opvoeding. Maar het slaat aan omdat de radio zo dicht bij de mensen staat. Met de verhalen uit de dorpen, met de oude recepten uit de traditionele kruidenkunde. Met hevige discussies over hygiëne en gezinsplanning. De ACCD geeft ook een krantje uit, waarin minutieuze overzichten van dorpen staan. Zoveel boeren, zoveel timmerlui, zoveel kappers, zoveel smeden. Heemkunde op z'n Afrikaans. Maar voor de mensen in de streek een bewijs dat ze bestaan, dat ze moeten en kunnen leren van anderen, dat traditie en modernisering best kunnen samengaan. Radio Ilema is een van de weinige echt formele projecten. De meesters van Cotonou, de vrouwen van Togba, de leden van Camufe werken allemaal in wat wij zo mooi de informele sector noemen. Benin drijft op dat zwartwerk. De regering steunt die sector omdat ze weet dat enkel dat zwartwerken het land recht houdt. Maar ondertussen is er wel geen geld voor wegen, scholen, treinen, gezondheid. Het schaarse geld gaat naar de afbetaling van de buitenlandse schulden, anders draaien Wereldbank en IMF de geldkraan helemaal dicht. Dus laat de regering - net als de directeur-generaal van onderwijs - veel aan de niet-gouvernementele organisaties over. Die proberen met z'n allen de armoede terug te dringen. Een buitenstaander krijgt daar moeilijk zicht op. En de grote wereldorganisaties maken er nooit gewag van in hun rapporten. Die hebben het enkel over burgeroorlogen, staatsgrepen, rampen, ziektes. Het hoopvolle, hardwerkende Afrika zien ze niet. Maar het is er wel.Meer info: Vredeseilanden/Coopibo. Blijde Inkomststraat 50, 3000 Leuven. (016)31.65.80. vredeseilanden-coopibo@ngonet.be.Misjoe Verleyen