In arme landen vormen natuurrampen geen wereldschokkend nieuws. Niet dat de mensen het leven er als minder waardevol beschouwen, maar ze raakten eraan gewend: aan de rampen die weinig media-aandacht krijgen, aan de geldtekorten van hun regeringen, aan het moeten terugvallen op enkele lokale liefdadigheidsinstellingen en aan een nagenoeg onverzekerd bestaan.
...

In arme landen vormen natuurrampen geen wereldschokkend nieuws. Niet dat de mensen het leven er als minder waardevol beschouwen, maar ze raakten eraan gewend: aan de rampen die weinig media-aandacht krijgen, aan de geldtekorten van hun regeringen, aan het moeten terugvallen op enkele lokale liefdadigheidsinstellingen en aan een nagenoeg onverzekerd bestaan. Maar deze keer liep het anders. De verslaggeving en belangstelling rond de tsunami overtroffen alles. De vloedgolf liet zelfs doorgaans onverschillige zielen niet onberoerd. Tegen die achtergrond lokten het aanvankelijke stilzwijgen en de povere steun van de Verenigde Staten dan ook kritiek uit. 'Ze geven niet om wat de wereld zegt en wat er hier gebeurt', klonk het. Gelukkig wijzigden de VS hun houding en beloofde president George W. Bush dat zijn land een leidende rol zou spelen bij de hulpoperaties. Hopelijk beseffen de Amerikanen welke kans dat engagement hen biedt. Terwijl Amerika zich geroepen voelt te vechten tegen het terrorisme, levert Azië immers een dagelijkse strijd voor ontwikkeling. Tijdens haar eerste regeerperiode was de regering-Bush zowat blind voor die realiteit. In 2003 bijvoorbeeld nam de president in Azië deel aan een economische top, van Aziatische landen en landen in en rond de Pacific. Achteraf bleek dat hij alle aandacht had gevestigd op de terreurdreiging in de regio. Hij zat op een totaal andere golflengte dan zijn publiek. Neem nu bijvoorbeeld de drie zwaarst getroffen landen: Indonesië, Sri Lanka en India. Zij kennen het probleem van terreur, ze moeten er reeds tientallen jaren mee omgaan. Toch wordt het totale plaatje van die landen niet door het terrorisme gedomineerd. Maar wel door een hoop mensen die nog steeds moeten rondkomen met minder dan twee dollar per dag, door een ontstellend hoge graad van kindersterfte en ondervoeding, door de middeleeuwse leefomstandigheden van velen. Daarrond draait hun strijd. De verschillende regeringen poogden die problemen reeds voor de tsunami-ramp te verhelpen. Ze stapten af van oude dogma's, zoals het socialisme en het protectionisme, waardoor ze eerder kansen hadden verkeken. Vandaag zoeken ze vanuit een pragmatisch perspectief naar oplossingen. Dat alles sterkt het geloof dat de problemen kunnen worden overwonnen. De gebeurtenissen van de afgelopen weken kunnen bovendien fungeren als een stimulans tot meer regionale samenwerking, iets wat historische conflicten en grensgeschillen altijd hebben verhinderd. De VS en alle andere landen moeten trachten de acties te coördineren en te stimuleren. De Verenigde Staten zullen uiteindelijk veel geld geven - miljarden dollars volgens de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell - en grote inspanningen leveren. Maar de Amerikanen moeten ook nadenken over hoe ze hun betrokkenheid kaderen. In plaats van te kibbelen met internationale organisaties, te praten over statistieken en niet aan de onderhandelingstafel te verschijnen, moeten ze deze vreselijke ramp aangrijpen om de rest van de wereld te tonen dat ze begrijpen wat er gaande is. Als de VS de andere landen kunnen laten weten dat ze zich ten volle engageren voor de uitdaging die hén bezighoudt, zullen die hen in de toekomst waarschijnlijk gunstiger gezind zijn. © NewsweekFareed Zakaria