We schrijven voorjaar 1990. Overal in Europa heerst nog de euforie over de val van de Muur in Berlijn en de afbraak van het IJzeren Gordijn. In die geest reist ook koning Boudewijn naar Hongarije voor een kort staatsbezoek. Hij is bijzonder vereerd dat het hem als eerste buitenlands staatshoofd wordt gegund om het net rechtstreeks verkozen Hongaarse parlement toe te spreken en te onderhouden over de waarden van vrijheid en democratie. De vorst ontvangt de familie van Imre Nagy in audiëntie, de held van de opstand van 1956, en hij kan het duidelijk goed vinden met de liberale schrijver Arpad Göncz - een voormalige dissident die de nieuwe president van Hongarije is. In Italië winnen de Rode Duivels hun eerste wedstrijd in het toernooi om de wereldbeker van Zuid-Korea, 2-0 - doelpunten van Marc Degryse en Michel De Wolf.
...

We schrijven voorjaar 1990. Overal in Europa heerst nog de euforie over de val van de Muur in Berlijn en de afbraak van het IJzeren Gordijn. In die geest reist ook koning Boudewijn naar Hongarije voor een kort staatsbezoek. Hij is bijzonder vereerd dat het hem als eerste buitenlands staatshoofd wordt gegund om het net rechtstreeks verkozen Hongaarse parlement toe te spreken en te onderhouden over de waarden van vrijheid en democratie. De vorst ontvangt de familie van Imre Nagy in audiëntie, de held van de opstand van 1956, en hij kan het duidelijk goed vinden met de liberale schrijver Arpad Göncz - een voormalige dissident die de nieuwe president van Hongarije is. In Italië winnen de Rode Duivels hun eerste wedstrijd in het toernooi om de wereldbeker van Zuid-Korea, 2-0 - doelpunten van Marc Degryse en Michel De Wolf. In het chique restaurant Gundel zit Boudewijn een middag aan met de zogenaamde société civile van Boedapest; een uitgelezen kransje prille ondernemers en bestuurders die na de val van het communisme de neus aan het venster steken. De koning kijkt niet weinig verbaasd op, als tegenover hem een jongmens plaatsneemt van wie de kledij niet echt aan de gelegenheid aangepast lijkt en die het lange zwarte haar tot op de schouders draagt. Viktor Orban is dan 27, pas afgestudeerd jurist en kersvers parlementslid voor de Federatie van Jonge Democraten, Fidesz. Die gang van zaken was natuurlijk geen toeval. De Belgische diplomaten in Boedapest, die Orban een stoel bezorgden in de buurt van Boudewijn, wisten precies wat ze deden: Fidesz was met een kleine tien procent van de stemmen de revelatie van die eerste Hongaarse parlementsverkiezingen en Viktor Orban was dan al de meeste beloftevolle jonge politicus van zijn land. Boudewijn toonde zich na afloop van het gesprek in de wolken. Viktor Orban en zijn Fidesz wonnen vorige week met glans de derde Hongaarse parlementsverkiezingen sinds de omwenteling. Ze versloegen de regerende socialisten van premier Gyula Horn, werden de grootste partij van het land en zijn daarmee aan zet om een nieuwe regering te vormen. Maar de Orban van vandaag is niet meer die van 1990, en zoals haar voorzitter is ook Fidesz langzaam van programma veranderd. De Federatie van Jonge Democraten werd in 1988 in de nadagen van het communisme opgericht aan de universiteit van Boedapest, toen nog als een bijna subversieve, liberale jongerenbeweging. Voor de verkiezingen die in maart, april 1990 werden gehouden, werd Fidesz een politieke partij met een programma dat nog het beste kan worden vergeleken met wat Guy Verhofstadt toen bij ons in zijn burgermanifesten neerschreef. Orban en zijn vrienden sloten bewust niet aan bij de Alliantie van Vrije Democraten, een zacht-liberale partij van voormalige dissidenten die vooral in kringen van Boedapestse intelligentsia rekruteert maar die buiten de hoofdstad op veel wantrouwen botst - wegens te stedelijk en te soft. Fidesz wou er niets mee te maken hebben: niet met voormalige communisten en niet met voormalige dissidenten. Wie in de partij wou militeren, mocht dan ook niet ouder zijn dan 35 jaar. Dat jeugdige karakter bezorgde Fidesz overigens veel krediet: wie zo jong was, kon met het vorige regime niets van doen hebben gehad; in de ene noch in de andere richting. VIKTOR ORBAN GING NAAR DE KAPPERViktor Orban is intussen zelf 35, maar om de leeftijdsclausule uit de begintijd hoeft hij zich geen zorgen te maken. Die sneuvelde immers al in 1993 toen de partij langzaam een ander imago aangemeten kreeg. Daar was een reden voor. In 1990 vonden veel Hongaren Fidesz wel sympathiek, maar ze hadden eerst toch andere besognes. Ze hadden er al een vermoeden van dat de liberalisering van het land ook schaduwkanten zou kennen, maar ze voelden die nog niet echt aan den lijve. Ze wisten dat het sociale vangnet de schok niet zou overleven, maar het was er nog altijd. Ze wisten dat de inflatie hun inkomen zou aanvreten, maar ze konden het nog bolwerken. Ze wisten dat privatisering ook werkloosheid zou betekenen, maar zolang hun afdeling op kantoor niet aan de beurt was, was dat iets van horen zeggen. Liberalisering betekende toen: een Duitse auto voor de deur en de Amerikaanse Playboy in de krantenkiosk. De eerste verkiezingen werden dan ook gewonnen door het Hongaars Democratisch Forum, een nogal los verband van allerhande conservatieven en nationalisten onder de leiding van de brave historicus Joszef Antall, die het grootste deel van zijn leven in een soort binnenlandse ballingschap doorbracht in het slaperige provinciestadje Kecskemet. Zijn regering leed onder een totaal gebrek aan bestuurservaring en kreeg geen vat op de instortende economie. Bovendien begaf de rechtervleugel van het Forum zich al snel aan nauwelijks verholen gestook in de buurlanden Roemenië en Slovakije, waar belangrijke Hongaarse minderheden leven. Het was de tijd dat in Boedapest kaarten van het vroegere, grote Hongarije populair waren: van voor het Verdrag van Trianon, waarbij het land na de Eerste Wereldoorlog een derde van zijn grondgebied verloor. Het sentiment daarover laait bijwijlen hoog op. Eigenlijk hield alleen het respect dat Antall persoonlijk genoot, de regering overeind. Toen hij enkele maanden voor de verkiezingen stierf, was het met het Forum ook afgelopen. Bij de volgende verkiezingen werd de partij zonder meer weggeveegd. Fidesz van zijn kant deed het bij die gelegenheid, in 1994, ook niet best, en dat zorgde voor spanning in de rangen. Want tegelijk bood het uiteenbrokkelen van het Hongaars Democratisch Forum een enorme kans voor wie erin slaagde om de conservatief-nationalistische aanhang weer te verzamelen. Orban toog naar de kapper, mat zich een pak aan, ontdeed zich van wat sta-in-de-wegs die de partij te veel naar liberaal links wilden trekken, schrapte enkele vrijpostige punten uit het programma en trok de boer op. Fidesz werd een Burgerpartij, die de traditionele waarden van het Hongaarse volk wil verdedigen. HORN DEED ALLES WAT MARX VERBOODMaar op het moment dat de rechterzijde in elkaar zakte onder het gewicht van de crisis en de interne tegenstellingen, had de Hongaarse Socialistische Partij haar zaken wél op orde. De overgang van het communisme naar de sociaal-democratie was haar niet al te zwaar gevallen: de Hongaarse communisten lieten al geruime tijd een zekere mate van vrijheid toe en ze lagen bovendien aan de basis van de opening in het IJzeren Gordijn. Partijleider Gyula Horn, in de jaren tachtig nog minister van Buitenlandse Zaken, had bestuurservaring te koop en genoot het vertrouwen van het buitenland. De sociale ellende van de ongecontroleerde privatisering onder het Forum leverde de socialist Horn zowaar een volstrekte meerderheid op. Voorzichtig en slim weigerde hij om alleen te besturen, de herinnering aan het verleden was daarvoor nog te vers, en hij nam de Alliantie van Vrije Democraten mee in zijn regering. Gyula Horn mag dan al mee aan de leiding hebben gestaan van een communistische partij, hij deed als eerste minister de voorbije jaren alles wat Karl Marx ooit verbood. Hij kwalificeerde Hongarije voor lidmaatschap van de Europese Unie en de Navo en herstelde de rust in de economie. Met de buurlanden werden akkoorden van goed nabuurschap afgesloten. Maar de relatieve welstand die de Hongaren onder het communisme genoten, keerde vanzelfsprekend niet terug - en wellicht is die rekening hem toch gepresenteerd. Zelf verloor hij overigens niet eens zoveel. Maar hij speelde zijn volstrekte meerderheid kwijt en zag zijn coalitiepartner helemaal wegzakken. Viktor Orban was er intussen wel in geslaagd om de gefragmenteerde rechterzijde te bundelen, die sinds de dood van Antall op de dool was. Hij voerde campagne met een vaag economisch programma, waarin meer investeringen worden beloofd en aandacht voor de kleine en middelgrote ondernemingen. En hij sprak vooral gespierde taal over Hongaarse tradities en law and order, als antwoord op de stijgende criminaliteit. Dat de Hongaarse zakenwereld het niet zo ziet zitten met de nieuwe Orban, bewees de beurs: die zakte meteen fors toen duidelijk werd dat er een machtswissel op til was. Liever de voormalige communist Horn dus, dan de liberaal Orban. Eigenlijk is dat ook logisch. Hongarije staat voor zware, cruciale jaren. Niemand is de puinhoop vergeten, die onder de vorige conservatieve regering werd aangericht door, onder meer, de restanten van die coalitie waarmee Orban nu eerst wil praten om te proberen een meerderheid in het parlement te vormen. Horn is een zogenaamde grote coalitie niet ongenegen. Fidesz wees die suggestie na de verkiezingen van de hand. Toch blijven zakenkringen rond de beurs van Boedapest discreet aandringen op overleg tussen de twee grootste partijen. Misschien kunnen ze George Sörös onder de arm nemen. De Amerikaans-Hongaarse beleggersgoeroe plukte de jonge Orban indertijd van de universiteit en verschafte hem de middelen om zich in Oxford verder te bekwamen. Sörös moet weten hoe een investering het beste rendeert. H.V.H.