Naar goede gewoonte hield dirigent Jos van Immerseel bij de opnames van de negen symfonieën van Ludwig van Beethoven (1770-1827) terdege rekening met alle mogelijke aspecten van de historische uitvoeringspraktijk. Dat gaat van het instrumentarium via de stemtoon en de samenstelling van het orkest tot de Weense speeltechnieken, tempi, dynamiek en balans ten tijde van de componist. Hij baseerde zich op de kritische editie van Jonathan del Mar. 'Del Mar is uitgegaan van de handgeschreven partituren van Beethoven, van kopieën daarvan, eerste drukken, drukken met verbeteringen van Beethoven erop enzovoort. Het is een poging tot reconstructie van wat de componist zou hebben gewild. Geen onmogelijke opgave, aangezien Beethoven, eenmaal zijn correcties gemaakt, de partituur onaangeroerd liet', aldus Van Immerseel. 'Je merkt aan het notenbeeld dat componer...

Naar goede gewoonte hield dirigent Jos van Immerseel bij de opnames van de negen symfonieën van Ludwig van Beethoven (1770-1827) terdege rekening met alle mogelijke aspecten van de historische uitvoeringspraktijk. Dat gaat van het instrumentarium via de stemtoon en de samenstelling van het orkest tot de Weense speeltechnieken, tempi, dynamiek en balans ten tijde van de componist. Hij baseerde zich op de kritische editie van Jonathan del Mar. 'Del Mar is uitgegaan van de handgeschreven partituren van Beethoven, van kopieën daarvan, eerste drukken, drukken met verbeteringen van Beethoven erop enzovoort. Het is een poging tot reconstructie van wat de componist zou hebben gewild. Geen onmogelijke opgave, aangezien Beethoven, eenmaal zijn correcties gemaakt, de partituur onaangeroerd liet', aldus Van Immerseel. 'Je merkt aan het notenbeeld dat componeren voor Beethoven altijd een worsteling met de noten was. Dat zie je aan de intensiteit van zijn hand, aan de ontelbare doorhalingen, de notities in de marges. Hij was een zoeker, een piekeraar. Om die reden krijg je weleens artificiële momenten in zijn symfonieën. Die onnatuurlijkheid valt gelukkig weg als je werkt met ervaren musici, zoals mijn collega's. Hun beheersing is zo vanzelfsprekend geworden dat alles in een natuurlijke plooi valt.' JOS VAN IMMERSEEL: Nee, daar zorgen de metronoomcijfers van Beethoven voor. Voor elk deel van zijn symfonieën had hij een vast metronoomcijfer, en daar houden wij ons aan. De finale van de Tweede lijkt misschien heel snel, en sommige mensen zeggen dan dat ze onspeelbaar is. Maar dat ís niet zo. Je moet alleen de juiste instrumenten en boogtechniek gebruiken, en met een kleinere bezetting werken. Die laat snellere dialogen toe. VAN IMMERSEEL: Over die praktijk zijn we vrij goed gedocumenteerd. De orkesten waren van dezelfde grootte als nu: 35 à 40 man. Maar ze waren niet gestandaardiseerd! Naargelang van de academie of de vereniging of de stad waar gespeeld werd, was de bezetting anders. Uit de moeilijkheidsgraad van de symfonieën kun je afleiden dat Beethoven over fantastische musici heeft kunnen beschikken. Er werd amper gerepeteerd. Een complete symfonie werd één keer doorgespeeld en klaar. Zo ging dat in de zeventiende en achttiende eeuw. VAN IMMERSEEL: Er bestaan beschrijvingen van, en die wijken sterk af van wat wij vandaag een goede dirigeertechniek vinden. Het dirigeren van symfonieën was toen nog maar net in gebruik, hè. Er was nog geen ervaring qua gestiek. Dat moet nogal raar geweest zijn. Als hij wou dat er iets heel stil gespeeld werd, dan kromp hij helemaal ineen. Iets wat vandaag vrij belachelijk zou overkomen. Ik denk dat we de betekenis van een dirigent in die tijd vooral moeten zien in het feit dat hij met zijn opvattingen als componist bij het repetitieproces aanwezig was, dat hij kon ingrijpen waar het nodig was. VAN IMMERSEEL: Het verschil tussen de Eerste en de Negende is gigantisch. In concertvorm deden we die twee eens op één avond. Wel, je zou niet gezegd hebben dat ze van dezelfde componist waren. De Eerste lijkt dan bijna late Mozart en de Negende klinkt alsof Brahms achter de deur staat te wachten. In de Negende zit dan ook zoveel informatie. Ik zou ze nooit zeven keer per week kunnen dirigeren. Te lang, te intens. Ik onthoud van deze integrale vooral de Vierde en de Achtste. Ik ben ze interessanter gaan vinden dan tien jaar geleden, omdat ik er dingen in heb ontdekt die ik vroeger niet zag. VAN IMMERSEEL: Goh. Hij spreekt over het uitspansel, over het universum, over 'alle Menschen werden Brüder'... Maar wie zijn voor Beethoven 'alle Menschen'? Behalve Oostenrijk, Duitsland, een beetje Frankrijk 'van horen zeggen', en zijn voorouders uit Kampenhout, kende hij de wereld niet. En hij lag altijd wel met íémand in ruzie. Dat lees je trouwens zo af uit zijn symfonieën: heel veel accenten op plaatsen waar je normaal gezien geen accenten verwacht, vreemde fraseringen, sforzati, dissonanten, plotse modulaties enzovoort. Hij was ontzettend colèrig en opvliegend. SYMFONIEëN 1-9 EN OUVERTURES VAN BEETHOVEN DOOR KOOR EN ORKEST. ANIMA ETERNA O.L.V. JOS VAN IMMERSEEL (6-CD-BOX, ZIG ZAG TERRITOIRES ZZT080402.6) CONCERT: SYMFONIEëN 1-9 VAN BEETHOVEN: 18 TOT 24 OKTOBER 2008 IN HET CONCERTGEBOUW BRUGGE.DOOR GREET VAN 'T VELD