Wat weet u? Vraag 1

Vijf broers krijgen in het begin van het jaar een gift van 1000 euro, die ze gelijk onder elkaar verdelen. De inflatie in dat jaar bedraagt 1,5 procent. Wat kunnen ze aan het eind van het jaar kopen van dat geld?
...

Vijf broers krijgen in het begin van het jaar een gift van 1000 euro, die ze gelijk onder elkaar verdelen. De inflatie in dat jaar bedraagt 1,5 procent. Wat kunnen ze aan het eind van het jaar kopen van dat geld? a. Meer dan ze aan het begin van het jaar konden kopen. b. Dezelfde hoeveelheid. c. Minder dan ze aan het begin van het jaar konden kopen. d. Dat hangt ervan af wat ze willen kopen. Op een avond leent u 25 euro aan een vriend, en hij geeft u de volgende dag 25 euro terug. Hoeveel interest heeft hij betaald op deze lening? Stel dat u 100 euro op een gratis, onbelaste spaarrekening stort met een gegarandeerde interestvoet van 2 procent per jaar. U doet geen verdere stortingen op die rekening, en u haalt er ook geen geld af. Hoeveel zou op de rekening staan op het einde van het eerste jaar, zodra de interest is uitbetaald? En hoeveel zou er op diezelfde rekening staan aan het einde van het vijfde jaar, er rekening mee houdend dat er geen kosten of taksen zijn? a. Meer dan 110 euro. b. Precies 110 euro. c. Minder dan 110 euro. d. Het is onmogelijk om dat te zeggen op basis van de gegeven informatie. 'Een investering met een hoge opbrengst houdt waarschijnlijk meer risico in.' Is dat volgens u waar of niet waar? 'Hoge inflatie betekent dat de kosten voor levensonderhoud snel zijn toegenomen.' Is dat volgens u waar of niet waar? 'Door een brede waaier aan aandelen te kopen is het meestal mogelijk om beleggingsrisico's te beperken.' Is dat volgens u waar of niet waar? Elk correct antwoord levert 1 punt op. Wie minstens 5 op 7 behaalt, beschikt over financiële basisgeletterdheid. De juiste antwoorden: 1. c / 2. 0 / 3. 102 / 4. a / 5. waar / 6. waar / 7. waar 1.1 Wie is verantwoordelijk voor het nemen van de dage-lijkse beslissingen over geld in uw gezin? a. U neemt die beslissingen zelf. b. U neemt die beslissingen samen met iemand anders. c. Iemand anders neemt die beslissingen. 1.2 Stelt uw gezin of huishouden een budget op? Een gezinsbudget dient om te bepalen welk deel van het gezinsinkomen gebruikt wordt voor uitgaven, om te sparen of rekeningen te betalen. Ja Nee Hebt u persoonlijk de voorbije 12 maanden geld gespaard op een van de volgende manieren? a. Contant geld, op een veilige plaats bewaard. b. Op uw zichtrekening. c. Op uw spaarrekening. d. Door financiële investeringsproducten te kopen (andere dan pensioenfondsen) zoals aandelen, obligaties, investeringsfondsen. e. Door geld op te sturen naar familieleden in uw land van herkomst. f. Op een andere manier (bijvoorbeeld door kunst, goud of vastgoed te kopen). 'Voor ik iets koop, overweeg ik zorgvuldig of ik het me kan veroorloven.' In welke mate bent u het met die uitspraak eens? a. Eens b. Noch eens, noch oneens c. Oneens 'Ik betaal mijn rekeningen op tijd.' In welke mate bent u het met die uitspraak eens? a. Eens b. Noch eens, noch oneens c. Oneens 'Ik hou mijn financiële zaken nauw in het oog.' In welke mate bent u het met die uitspraak eens? a. Eens b. Noch eens, noch oneens c. Oneens 'Ik stel financiële doelstellingen op lange termijn, en streef ernaar ze te bereiken.' In welke mate bent u het met die uitspraak eens?' a. Eens b. Noch eens, noch oneens c. Oneens 7.1 Welke van de volgende uitspraken beschrijft het beste hoe u de laatste keer tot uw keuze kwam om een financieel product aan te schaffen? a. Ik heb verschillende opties van verschillende banken of verzekeraars overwogen voor ik mijn keuze maakte. b. Ik heb verschillende opties van één bank of verzekeraar overwogen. c. Ik heb niet rondgekeken en geen andere opties overwogen. d. Ik heb rondgekeken, maar geen andere opties overwogen. 7.2 Welke informatiebronnen hebben uw keuze beïnvloed? a. Reclame in de brievenbus. b. Informatie meegenomen bij een bank of bedrijf. c. Productspecifieke informatie, gevonden op het internet. d. Informatie van adviseurs van de bank. e. Vergelijkingstabellen in de financiële pagina's van kranten of tijdschriften. f. Vergelijkingstabellen van het internet. g. Gespecialiseerde tijdschriften of magazines. h. Advies van een onafhankelijke financieel adviseur of makelaar. i. Advies van vrienden of familieleden die niet in de financiële sector werken. j. Advies van vrienden of familieleden die in de financiële sector werken. l. Advies van de werkgever. m. Krantenartikelen. n. Televisie- of radioprogramma's. o. Krantenadvertenties. p. Reclame op tv. q. Andere reclame. r. Eigen ervaringen. Soms ervaren mensen dat hun inkomen niet volstaat om de kosten van levensonderhoud te dekken. Wat doet u dan om rond te kopen? a. Geld afhalen van een spaarrekening. b. Minder geld uitgeven. c. Een of meer bezittingen verkopen. d. Overuren maken, extra geld verdienen. e. Geld lenen van familie of vrienden. d. Een voorschot op uw loon vragen. g. Iets dat u bezit in onderpand geven. h. Geld lenen of laten uitbetalen uit een pensioenfonds. i. Een kredietkaart of winkelkredietkaart gebruiken om geld af te halen, rekeningen te betalen of eten te kopen. j. Een persoonlijke lening afsluiten bij een financiële dienstverlener. k. Een woekerlening afsluiten. l. Een lening afsluiten bij een niet officieel erkende dienstverlener of geldschieter. m. In het rood gaan. n. Rekeningen te laat of niet betalen. Wie minstens 6 op 9 punten heeft, behaalt het basisniveau voor financiële geletterdheid. De juiste antwoorden: Vraag 1: 1 punt als u al dan niet samen met iemand anders de beslissingen neemt én een huishoudbudget hebt / Vraag 2: 1 punt als u aan minstens één vorm van sparen doet. / Vraag 3: 1 punt als u het eens bent met deze stelling / Vraag 4: 1 punt als u het eens bent met deze stelling / Vraag 5: 1 punt als u het eens bent met deze stelling / Vraag 6: 1 punt als u het eens bent met deze stelling / Vraag 7.1: 1 punt bij antwoord a of d / Vraag 7.2: 2 punten bij antwoord e, f, g of h / Vraag 8 : 1 punt bij antwoorden a, b, c of d