De achtergrond van dat alles is het Kyoto-protocol, dat in 1997 onder het VN-Klimaatverdrag tot stand kwam, en waarbij ongeveer 180 landen concrete doelstellingen hebben afgesproken om hun broeikasgasuitstoot te reduceren. Concreet moet in een eerste periode van 2008 tot 2012 de uitstoot van in totaal zes broeikasgassen met gemiddeld 5,2 procent dalen ten opzichte van 1990. Voor België betekent dat een vermindering van 7,5 procent.
...

De achtergrond van dat alles is het Kyoto-protocol, dat in 1997 onder het VN-Klimaatverdrag tot stand kwam, en waarbij ongeveer 180 landen concrete doelstellingen hebben afgesproken om hun broeikasgasuitstoot te reduceren. Concreet moet in een eerste periode van 2008 tot 2012 de uitstoot van in totaal zes broeikasgassen met gemiddeld 5,2 procent dalen ten opzichte van 1990. Voor België betekent dat een vermindering van 7,5 procent. De Kyotolanden - voornamelijk industrielanden en opkomende economieën, maar tot nader order zonder de VS - worden verondersteld hun uitstoot van onder meer CO2 te doen dalen door intern beleid en maatregelen. Door isolatienormen voor woningen op te leggen, of door groene stroom en meer openbaar vervoer te promoten. Daarnaast voorziet het Kyotoprotocol in drie flexibele mechanismen die de landen moeten toelaten hun reductiedoelstelling op een economisch efficiëntere (lees: goedkopere) manier te realiseren: een internationale emissiehandel, Joint Implementation (JI) en de Clean Development Mechanisms (CDM). Waarom flexibel? De drie mechanismen vormen een vluchtroute voor landen die er niet meteen in slagen om met interne maatregelen hun reductiedoelstelling te halen. Om tóch aan de Kyotonormen te voldoen, kunnen zulke landen bijkomende uitstootrechten kopen via de internationale emissiehandel. Ofwel kunnen ze investeren in een groen project waarmee de uitstoot van broeikasgassen wordt verminderd in een ánder land. Het investerende land krijgt vervolgens de behaalde emissiereducties in de vorm van emissierechten. Achterliggende filosofie: als de totále uitstoot van broeikasgassen maar vermindert. Het maakt met andere woorden niet uit waar ter wereld ze gerealiseerd wordt. Er zijn twee soorten buitenlandse projecten. Bij JI vindt het project plaats in een Kyotoland dat zelf ook een reductieverplichting heeft. Een CDM-project daarentegen vindt plaats in ontwikkelingslanden die mee het Kyotoprotocol hebben ondertekend, maar die geen reductieverplichtingen hebben. Samengevat: sinds 1 januari 2008 zijn er twee parallelle CO2-markten actief. Het gaat enerzijds om de Europese emissiehandel, die plaatsvindt tussen bedrijven. Anderzijds is er ook de internationale emissiehandel, de Kyotomarkt zeg maar, die plaatsvindt tussen landen. De verbindingsschakel tussen beide markten is de markt van de JI en de CDM (zie grafiek). Deelname aan CDM en de bijbehorende verwerving van extra emissierechten kan - net als bij JI - behalve door landen ook door particuliere en openbare rechtspersonen gebeuren. Een voorbeeld: tientallen beleggingsfondsen investeren in buitenlandse projecten die de vorming van broeikasgassen tegengaan. Het grootste initiatief is Climate Change Capital, dat bijna 1 miljard Britse pond verzamelde. De emissierechten die het fonds met zijn milieuvriendelijke projecten in het buitenland verdient, worden op de CO2-markt verkocht aan het bedrijfsleven. De opbrengst vloeit terug naar de beleggers. Flexibel dus.