De schokken van de oliecrisis werden pijnlijk voelbaar toen informateur Leo Tindemans na de parlementsverkiezingen van maart 1974 de communautaire kwelduivels wou bezweren. De populaire politicus van de Christelijke Volkspartij (CVP) nodigde alle partijen voor onderhandelingen 'van gemeenschap tot gemeenschap' uit. Alleen de socialisten weigerden die communautaire gesprekken bij te wonen. In het kasteel van Ham in Steenokkerzeel zonderde Tindemans de politici van de buitenwereld af. Niemand kon er telefoneren of een stap buiten zetten. Het mocht niet baten. Na een dag en een nacht onderhandelen strandden de gesprekken op een overvolle agenda, een tekort aan politieke moed en vooral een teveel aan improvisatie. Wijlen Hugo Schiltz, destijds voorzitter van de Volksunie (VU), was er toen bij en vertelde ons in 1991 hoe de onderhandelaars van het Front Démocratique des Francophones (FDF) als in een monopolyspel stukken Vlaamse grond dachten te verkrijgen. Schiltz: 'Het FDF wilde maar liefst vijftien Vlaamse randgemeenten bij de Brusselse agglomeratie voegen. De partij somde de gewenste gemeenten op, met de wijzers van de klok mee. Eerst kwam Tervuren aan de beurt, dan Overijse en vervolgens Alsemberg dat nota bene aan Waterloo grenst. Vandaar ging de veroveringstocht via Ruisbroek en Dilbeek tot in het noordelijke Vilvoorde. Toen men de volgende gemeente wou aanwijzen, riep de uit Wilrijk afkomstige liberaal Frans Grootjans het FDF toe: 'Olala, straks zitte ien mainen hof.' Een maand later deed Tindemans de gesprekken nog eens over, deze keer in zijn ambtswoning. Ook toen botste men op het probleem Brussel en de Vlaamse Rand. Tindemans besloot de kwestie tijdelijk te begraven.
...

De schokken van de oliecrisis werden pijnlijk voelbaar toen informateur Leo Tindemans na de parlementsverkiezingen van maart 1974 de communautaire kwelduivels wou bezweren. De populaire politicus van de Christelijke Volkspartij (CVP) nodigde alle partijen voor onderhandelingen 'van gemeenschap tot gemeenschap' uit. Alleen de socialisten weigerden die communautaire gesprekken bij te wonen. In het kasteel van Ham in Steenokkerzeel zonderde Tindemans de politici van de buitenwereld af. Niemand kon er telefoneren of een stap buiten zetten. Het mocht niet baten. Na een dag en een nacht onderhandelen strandden de gesprekken op een overvolle agenda, een tekort aan politieke moed en vooral een teveel aan improvisatie. Wijlen Hugo Schiltz, destijds voorzitter van de Volksunie (VU), was er toen bij en vertelde ons in 1991 hoe de onderhandelaars van het Front Démocratique des Francophones (FDF) als in een monopolyspel stukken Vlaamse grond dachten te verkrijgen. Schiltz: 'Het FDF wilde maar liefst vijftien Vlaamse randgemeenten bij de Brusselse agglomeratie voegen. De partij somde de gewenste gemeenten op, met de wijzers van de klok mee. Eerst kwam Tervuren aan de beurt, dan Overijse en vervolgens Alsemberg dat nota bene aan Waterloo grenst. Vandaar ging de veroveringstocht via Ruisbroek en Dilbeek tot in het noordelijke Vilvoorde. Toen men de volgende gemeente wou aanwijzen, riep de uit Wilrijk afkomstige liberaal Frans Grootjans het FDF toe: 'Olala, straks zitte ien mainen hof.' Een maand later deed Tindemans de gesprekken nog eens over, deze keer in zijn ambtswoning. Ook toen botste men op het probleem Brussel en de Vlaamse Rand. Tindemans besloot de kwestie tijdelijk te begraven. Intussen schreven alle partijen federale blauwdrukken. Zowel boven als onder de taalgrens zag men daarin een oplossing voor de nijpende sociaaleconomische problemen. De economische recepten aan weerszijden liepen sterk uiteen. In Vlaanderen kwam de meerderheid van de elite op voor een centrumrechts beleid, terwijl de Waalse elite veeleer voor toenemende overheidsinvesteringen pleitte. Bovendien streefde ze naar een doorgedreven samenwerking tussen de Waalse steden en de privésector. Dat werd pas mogelijk met de toekenning van meer middelen en bevoegdheden aan het Waals Gewest. Het FDF wou hetzelfde voor het Brussels Gewest. De Vlaamse partijen konden slechts met een autonoom Brussels Gewest instemmen indien de Vlamingen er voldoende bescherming genoten. Bovendien vroegen ze meer bevoegdheden voor de gemeenschappen. De tijd bleek rijp voor discreet overleg tussen Noord en Zuid. Vlaamse toppolitici en bedrijfsleiders overtuigden de voorzitter van het Vlaams Economisch Verbond (VEV), Vaast Leysen, om de nodige stappen te zetten. Leysen liet de studiedienst van het VEV een federalistische synthesenota uitwerken die de goedkeuring wegdroeg van Wilfried Martens, Frans Grootjans en Hugo Schiltz, de voorzitters van CVP, PVV en VU. In de nota werd een gedurfd voorstel gelanceerd om de faciliteitenkwestie op te lossen. In 1963 bekwamen de Franstalige inwoners van zes Vlaamse randgemeenten rond Brussel faciliteiten. Daardoor konden ze in die gemeenten Franstalige documenten verkrijgen. Er rees echter voortdurend onenigheid over de interpretatie en de toepassing van die stelregel. De Franstalige partijen beschouwden de faciliteiten als een verworven recht waarvan in alle omstandigheden gebruik kon worden gemaakt. De Vlaamse partijen zagen diezelfde faciliteiten als een uitdovende overgangsregel opdat de Franstalige inwoners van de zes randgemeenten zich aan het Nederlandstalige karakter van de streek zouden aanpassen. Beide gemeenschappen hielden koppig aan hun visie vast. Een jonge generatie Vlaamse federalisten betrad daarom compleet andere paden. Ze stelde met Leysen voor om een aantal Franstalige wijken uit Vlaams-Brabant naar Brussel over te hevelen. In ruil voor die grensaanpassingen zag men de faciliteiten afgeschaft en het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde gesplitst. Wilfried Martens: 'Wat we toen als tegenprestatie voor de grensaanpassingen eisten, was enorm. Het was de enige mogelijke oplossing om de dreigende uitbreiding van het Brussels Gewest tegen te gaan.' Het kwam er uiteraard opaan de voorziene grensaanpassingen zorgvuldig voor te bereiden. Dat kon door het precieze aantal Franstalige inwoners van een aantal gemeenten en wijken in de Vlaamse Rand rond Brussel te bepalen. Om die klus te klaren werd Edwin Jacobs aangesproken, de specialist ruimtelijke ordening van het VEV. De man nam zijn tijd en maakte voor zijn berekeningen gebruik van officiële bevolkingscijfers, procentuele groeicoëfficiënten en afgebakende microzones. Vanuit een vliegtuig werden zelfs foto's van de randgemeenten gemaakt. Op die manier werden plannen ontworpen waarop iedere straat, wijk of woning stond afgebeeld. De uitgerolde kaarten kwamen onder de ogen van Martens, Grootjans en Schiltz. Het driespan besprak het aantal Franstalige inwoners dat van Vlaams-Brabant naar Brussel zou worden overgeheveld. Via bemiddeling van Volksuniesenator Lode Claes werd het Vlaamse voorstel aan Robert Moreau overgemaakt, boegbeeld van de Waals nationalistische partij Rassemblement Wallon (RW) en toenmalig staatssecretaris in de regering Tindemans I. Ook Lucien Outers en Leon Defosset van het FDF bogen zich over de kaarten. Waarna ze beweerden over andere exemplaren te beschikken en ze het aantal geschatte Franstalige inwoners in de Vlaamse randgemeenten aandikten. Op dat moment vertrok Edwin Jacobs naar de randgemeenten: 'Ik woon in Asse en mijn familie in Linkebeek. Ik ken dus de streek', aldus Jacobs. 'Steekproefsgewijs ging ik de namen van alle deurbellen controleren. Zo kon ik de Franstalige versie toetsen, en die bleek niet te kloppen. De Franstalige partijen hebben ons voorstel uiteindelijk aanvaard.' Door het compromis kwamen circa 50.000 Franstalige inwoners uit dertien Vlaamse randgemeenten in Brussel terecht. Dat ging gepaard met de overdracht van zowat 2000 hectare grond. In ruil daarvoor stemden de Franstalige onderhandelaars in met de afschaffing van de faciliteiten én met de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. De hele operatie werd uiteindelijk gekoppeld aan een doortastende staatshervorming. De onderhandelingen verliepen in het grootste geheim. Frans Grootjans praatte de voorstellen door met de Franstalige liberalen. Martens deed net hetzelfde met Charles-Ferdinand Nothomb van de Parti Social Chrétien (PSC). 'Ik was nog maar een paar jaar voorzitter en toonde de kaarten aan de toenmalige christendemocratische tenoren Jos De Saeger, Renaat Van Elslande en Rika De Backer. Dat gebeurde op het kabinet en in aanwezigheid van minister Jos Chabert', zegt Martens. 'Ik herinner mij De Saeger als een voorstander van de herverkaveling. Van Elslande en Chabert waren terughoudender. Zij woonden immers in de betrokken streek. Het enthousiasme was dus niet unaniem, maar de optie was voor iedereen aanvaardbaar en bovendien bespreekbaar.' Vooral het optreden van Martens en Grootjans was bijzonder delicaat. Hun partijen behoorden toen tot de meerderheid, terwijl ze onderhandelden met de VU, een partij in de oppositie. Dat kon de regering en de positie van eerste minister Tindemans in gevaar brengen. Vaast Leysen: 'Conform de wensen van de initiatiefnemers nam Tindemans nooit aan de besprekingen deel. Maar ik hield de premier wel persoonlijk en strikt vertrouwelijk op de hoogte. Ik heb hem altijd over de belangrijkste stappen ingelicht. Ook koning Boudewijn vertelde ik over het verloop van de onderhandelingen. Ik verzekerde hem dat precies het vertrouwelijk karakter ervan en het inlichten van de eerste minister de toenmalige regering geenszins in moeilijkheden kon brengen.' Op vrijdag 13 februari 1976 was voor alle betrokken Vlaamse en Franstalige politici de kogel door de kerk. Alleen de instemming van Nothomb ontbrak. Vaast Leysen: 'Nothomb beweerde het dossier onvoldoende te beheersen en had het volste vertrouwen in Wilfried Martens. Die vrijdagavond woonde hij ergens diep in de Ardennen een vergadering bij. We kregen hem niet aan de lijn en Martens vroeg de plaatselijke rijkswacht Nothomb op te zoeken. Uiteindelijk gaf hij zijn goedkeuring. Van harte zal dat niet geweest zijn. Wellicht zag hij de hele operatie toch mislukken.' Dat bleek met de werkelijkheid te stroken. Op zaterdagochtend moest het ambitieuze plan door de partijbesturen aanvaard worden. Dat verliep probleemloos, behalve aan het Barricadenplein. Toen Hugo Schiltz er aankwam, stonden de militanten van het Taal Aktie Komitee (TAK) hem op te wachten. Zij bleken door Wim Jorissen gemobiliseerd. De Volksuniesenator vocht in die dagen een robbertje uit met Schiltz. Het kelderen van het plan kwam hem uitstekend uit. 'Hugo was daar beschaamd over', vertelt Leysen. 'Hij heeft nog een week als een leeuw gevochten om zijn partijbestuur te overtuigen. Tevergeefs, de radicale achterban wou geen morzel gronds afstaan.' Ondertussen blies ook Nothomb zijn medewerking op. Wilfried Martens blikt terug: 'Er is toen een historische kans gemist. Je moet een minus habens zijn om dat niet in te zien. Brussel-Halle-Vilvoorde is nog steeds niet gesplitst en de faciliteiten zijn niet afgeschaft. Uiteraard zou er in Vlaanderen een enorm verzet tegen het afstaan van grond gerezen zijn. Toch blijf ik het de beste oplossing vinden. De vraag is alleen hoever men daarin vandaag nog kan gaan. De situatie ter plaatse is ondertussen fel veranderd. Ik vrees dat een herverkaveling niet meer mogelijk is. En wie wil zich daar nog voor engageren?'DOOR ERIC VAN DE CASTEELE