Tot voor enkele weken lieten de advocaten in de Agusta/Dassault-zaak graag verstaan dat we hier met een politiek proces van doen hadden. Het corruptieproces voor het Hof van Cassatie kwam, volgens hen, neer op een afrekening tussen gerecht en politiek. Maar geen van de pleiters durfde dit voor het Hof van Cassatie beweren. Afgelopen week echter gaf procureur-generaal Eliane Liekendael het proces een puur politieke wending door uit te varen tegen de politieke wereld die met zijn hervormingswoede de rechtsstaat in gevaar bracht.
...

Tot voor enkele weken lieten de advocaten in de Agusta/Dassault-zaak graag verstaan dat we hier met een politiek proces van doen hadden. Het corruptieproces voor het Hof van Cassatie kwam, volgens hen, neer op een afrekening tussen gerecht en politiek. Maar geen van de pleiters durfde dit voor het Hof van Cassatie beweren. Afgelopen week echter gaf procureur-generaal Eliane Liekendael het proces een puur politieke wending door uit te varen tegen de politieke wereld die met zijn hervormingswoede de rechtsstaat in gevaar bracht. Liekendael deed dit, ongevraagd, bij wijze van orgelpunt, aan het einde van het nogal warrige rekwisitoor tegen de socialistische kopstukken in de beklaagdenbank, Willy Claes, Guy Spitaels en Guy Coëme. Daarmee sloot ze de procesdebatten af. Al kan in het geval van het Agusta/Dassault-proces nog nauwelijks van een proces worden gesproken. Eigenlijk heeft het hof zich nooit verder gewaagd dan een collectieve, meestal oppervlakkige herlezing van de belangrijkste feiten en getuigenissen die de enquêteurs de afgelopen jaren optekenden. Van echte debatten of confrontaties - de eigenlijke inzet van zo'n proces - was nooit sprake. Met als gevolg dat het hof nog altijd niet heeft aangetoond of hier nu sprake is van regelrechte corruptie dan wel van onoirbare partijfinanciering. Het verschil is nogal belangrijk. Een voorbeeld. Volgens gewezen SP-penningmeester Etienne Mangé kreeg zijn partij nooit een centiem van het Dassault-geld. Mangé tekende nochtans een verklaring, ten behoeve van Zwitserse advocaten, waarin hij toegaf één miljoen Franse frank - zo'n 60 miljoen Belgische frank - van de Franse vliegtuigbouwer te hebben geïncasseerd. Met zijn verklaring liet Mangé verstaan dat voormalig adjunct-nationaal secretaris Luc Wallyn, de tussenpersoon in deze transactie, het bedrag op zak stak. Volgens schattingen van de Luikse financiële expert Olivier Deblinde zou Wallyn inderdaad een groot deel van het geld, mogelijk veertig miljoen frank, zelf hebben opgestreken. Maar Wallyn hield vol alleen de intresten op het geld - iets meer dan dertien miljoen frank - voor eigen gebruik te hebben aangewend. Cassatie stelde zich tevreden met de vaststelling van dit meningsverschil. Elke poging vanwege het hof of vanwege de openbare aanklagers om de waarheid boven te halen, bleef achterwege. Hoewel deze kwestie niet onbelangrijk is. Mocht Mangé inderdaad kunnen aantonen dat de SP niet alleen geen cent van het Franse geld kreeg, maar ook dat hij nooit van het Dassault-geld had gehoord tot hij door Wallyn werd gevraagd de verklaring voor de Zwitserse advocaten te signeren, dan is dat lotsbepalend voor beklaagden als Willy Claes en diens gewezen kabinetschef Johan Delanghe. Want zij beiden worden ervan verdacht, omwille van het geld, de aanbesteding van het Electronic Counter Maesure-programma richting Dassault te hebben gestuurd. MILJOENEN VAN ELDERSGelijkaardige meningsverschillen bestaan ook aan Franstalige kant. Tussen gewezen PS-voorzitter Guy Spitaels en de gewezen secretaris van de partij, François Pirot. Tussen Pirot en diens Brusselse medebeklaagde Merry Hermanus, die het Dassault-geld in Luxemburg ophaalde. Sommige verklaringen van Spitaels kloppen ook niet met die van Hermanus. Er wordt ook niet getaald naar de rol van een bekende Brusselse zakenman die als go-between fungeerde tussen Spitaels en Hermanus. Bovendien blijkt niet al het geld op de Luxemburgse PS-rekeningen afkomstig van Dassault. Minstens twintig miljoen heeft een andere origine. Maar om de PS niet nog meer te schaden, weigerde Pirot de namen van de schenkers te noemen. Cassatie acteerde de weigering, zonder meer. Bijzonder flagrant is het verschil in de verklaringen van de SP-top en die van Luc Wallyn en advocaat Alfons Puelinckx, die het contact met zowel Agusta als Dassault onderhield. Volgens Wallyn en Puelinckx waren de partijbonzen eind oktober, begin november 1988 al op de hoogte van een mogelijke schenking door Agusta. Dat is één maand voor het afsluiten van het helikoptercontract. Willy Claes, daarin bijgetreden door gewezen voorzitter Karel Van Miert, Louis Tobback en Frank Vandenbroucke, ontkent. Van Miert getuigde nooit op de hoogte te zijn geweest van gelijk welk aanbod. Tobback en Vandenbroucke bleven erbij dat ze pas begin januari 1989 door Mangé werden gepolst over de Agusta-gift, die ze met z'n drieën - Tobback, Claes en Vandenbroucke - unisono hadden geweigerd. Volgens advocaat-generaal Jean du Jardin kloppen de verklaringen van de SP-top van geen kanten. Hij achtte de leugenachtigheid van die getuigenissen bewezen. Hoe hij met zoveel zekerheid aan dit bewijs kwam, is onduidelijk, want op geen enkele moment heeft het hof deze cruciale episode uitgeplozen. Een andere kwestie liet Cassatie eveneens ongemoeid passeren. Het ging om de verklaring van Jacques Jacobs, topambtenaar van Economische Zaken, die verklaarde dat de staf van de luchtmacht hem destijds onvolledige, om niet zeggen verkeerde informatie over het ECM-dossier doorstuurde, waardoor het aanbod van Dassault in een slecht daglicht kwam. Nadat een topman van Electronic Serge Dassault (ESD) hem daarop attendeerde, organiseerde Jacobs een confrontatie van kaderleden van het Franse bedrijf met minstens één lid van de luchtmachtstaf. Op geen enkele moment oordeelde het Hof van Cassatie het nodig om deze op zijn minst extravagante rol van de luchtmachttop nader uit te vlooien. GENERAALS ONDER ELKAARVlak voor het afsluiten van de debatten meldde voorzitter Marc Lahousse dat hij een brief had ontvangen van de gewezen stafchef van de luchtmacht Alexander Moriau en dat hij die missive bij het dossier voegde. Moriau is de generaal die beweerde destijds door Jean-Louis Mazy, de adjunct-kabinetschef van defensieminister Guy Coëme, onder druk te zijn gezet om voor het elektronische afweersysteem Carapace van Dassault te kiezen, boven dat van het deugdelijker bevonden systeem van het Amerikaanse Litton. De druk door Mazy had de generaal danig aangegrepen dat hij even aan ontslag dacht. Maar zijn medewerkers hadden hem het onzinnige daarvan doen inzien en hem aangezet zijn rapport te herschrijven, zodat het minister van Landsverdediging Coëme toeliet alsnog voor Dassault te kiezen. De generaal bekende dat hij dit, tegen beter weten in, had gedaan. Het getuigenis van generaal Moriau is een van de weinige elementen tegenCoëme. Vierentwintig uur echter nadat hij door het hof was gehoord, kwam José Charlier, stafchef van het Belgische leger in de periode van de aankopen van de Agusta-helikopters en het Carapace-systeem van Dassault, zowat alles tegenspreken en ontkrachten wat Moriau had beweerd. Als ooit een confrontatie op haar plaats was, dan wel op dat moment. Met de brief die Moriau op 12 oktober, een week na zijn getuigenis, naar voorzitter Lahousse stuurde, wordt het verschil tussen de verklaringen met stafchef Charlier ronduit spectaculair. Sterker nog: in zijn brief laat Moriau duidelijk verstaan dat generaal Jacques Lefèbvre, zijn voorganger als stafchef van de luchtmacht die in maart 1995 om onduidelijke reden zelfmoord pleegde, eigenlijk al voor Dassault had gekozen. Moriau beschuldigt bovendien de gewezen generaal Armand Fournier steeds de belangen van generaal Lefebvre en van zijn vriend Mazy - in dit geval de aankoop van het Carapace-systeem van Dassault - te hebben verdedigd. Hij voegt er ter illustratie nog aan toe dat Fournier na zijn actieve loopbaan in dienst trad bij Sabca-Dassault. Bovendien meent Moriau te weten waarom Dassault - die blijft volhouden door Puelinckx en Wallyn te zijn getild - tegen elke prijs de Belgen tot de aankoop van het Carapace-systeem wilde bewegen. Volgens Moriau kwam de Belgische aankoop neer op de feitelijke financiering van de ontwikkeling van het Carapace-systeem, en dat in het licht van het Rafale-gevechtsvliegtuig, het Europese project van Dassault waaraan de Belgen weigerden mee te werken. Door de aankoop werd de aanmaak van Carapace niet alleen grotendeels door de Belgen gefinancierd; op de koop toe beschikte Dassault meteen over een systeem dat op de F-16 paste. Met zo'n tweeduizend van die F-16's in de wereld, waarvan meer dan de helft over geen afweersysteem beschikte, opende zich voor Dassault een interessant afzetgebied. Tenzij het hof beslist deze kwestie alsnog op te nemen, zullen we over dit alles op het proces nog weinig vernemen. Want dan verdwijnt Moriaus brief omzeggens ongelezen in de archieven. Liekendaels ongerustheid over de teloorgang van de rechtsstaat is terecht. Al ligt dit keer de schuld niet bij de politieke overheid.Rik Van Cauwelaert