Details kunnen iemand typeren. Op de das van Robert Cailliau staan atomen en spelende kinderen. Cailliau werkte het grootste deel van zijn leven op het Europees centrum voor elementaire deeltjesfysica (CERN) in het Zwitserse Genève. Momenteel geeft hij advies bij de ontwikkeling van een computerspelletje voor kinderen, waarvan de roepnaam Collider is: deeltjesversneller, naar de apparaten waarmee wetenschappers de basisaspecten van de materie onderzoeken.
...

Details kunnen iemand typeren. Op de das van Robert Cailliau staan atomen en spelende kinderen. Cailliau werkte het grootste deel van zijn leven op het Europees centrum voor elementaire deeltjesfysica (CERN) in het Zwitserse Genève. Momenteel geeft hij advies bij de ontwikkeling van een computerspelletje voor kinderen, waarvan de roepnaam Collider is: deeltjesversneller, naar de apparaten waarmee wetenschappers de basisaspecten van de materie onderzoeken. Cailliau is geen topwetenschapper in de klassieke betekenis van het woord: iemand die een stapel publicaties heeft in hoog aangeschreven vakbladen. Maar de kans dat hij in de voorbije jaren uw leven meer dan wie ook beïnvloed heeft, is groot. Hij stond namelijk, samen met zijn Britse collega Tim Berners-Lee, aan de wieg van het wereldwijde web (www), dat ons in staat stelt informatie uit alle hoeken van de wereld onmiddellijk op onze computer te raadplegen. Hij is een man met oog voor details, zoals het een goede programmeur betaamt. Hij stelt dat hij een van de twee enige mensen ter wereld is die weet waar het originele projectvoorstel waarin Berners-Lee het www voorstelt, zich bevindt. Hij ergert zich eraan dat zijn naam voortdurend fout geschreven wordt: 'Laat er de eerste en de laatste letter af, en je hebt de perfecte symmetrie!' Cailliau begon zijn loopbaan als ingenieur. Maar tijdens zijn legerdienst zat hij programma's te maken. ROBERTCAILLIAU: Nee hoor, dat project duurde maar even. Dat was niet meer dan het onderhoud van een vrij ingewikkeld programma, in feite een simulator, iets als SimCity maar dan zonder scherm. CAILLIAU: Ja, enfin, het was niet echt Belgisch, het was eerder in het kader van NAVO-oefeningen. Het programma liet toe de gevolgen van troepenverplaatsingen te zien zonder daarvoor echte vrachtwagens met benzine te gebruiken. CAILLIAU: De beste samenvatting is dat ik altijd geïnteresseerd ben geweest in de interactie tussen mens en machine. Na mijn studies ging ik aan de universiteit aan de slag om het verzamelen van gegevens te verbeteren, maar ik had al snel zoveel gegevens dat ik ze niet meer in de computer kwijt kon, want het concept database bestond nog niet. Het werd me snel duidelijk dat je niet wilt waden door al die programmeringen, maar dat je ze ook gemakkelijk wilt kunnen schrijven en lezen. De kwaliteit van programmeertaal is belangrijk, niet zozeer voor de efficiëntie van wat er uitkomt, maar vooral voor haar leesbaarheid. CAILLIAU: Nee, nee, voor de programmeur. Je leest je programma veel meer dan je het schrijft. Je zoekt naar een fout, je kijkt naar veranderingen, je bent voortdurend aan het herlezen. CAILLIAU: Hoe leesbaarder het wordt, hoe beter. Er zijn héél slechte programmeertalen. Javascript is waarschijnlijk de slechtste, Basic is ook om te huilen. CAILLIAU: Ja. Het is niet goed dat je na zes maanden niet meer kunt lezen wat je hebt geschreven. CAILLIAU: Algol 68 is een prachtige programmeertaal, maar nu is ze dood. De wereld is helaas verzonken in C++ en andere C-achtige talen. CAILLIAU: Dat is emotie. Je leest twee auteurs over zware onderwerpen, zoals filosofie of techniek, ook niet op dezelfde manier. De ene begrijp je, de andere niet. CAILLIAU: Er zijn veel manieren om met een machine te communiceren. Men zegt vaak dat computergebruik even intuïtief zou moeten zijn als autorijden. Maar rijden met een auto doe je niet intuïtief. Je hebt een wiel in handen in plaats van een roer. Als je naar links wilt, moet je een hendeltje naar beneden duwen. Dat is niet intuïtief, maar wel gemakkelijk te leren en te onthouden. CAILLIAU: Je wilt communicatie zo efficiënt maken dat het uiteindelijk niet meer mentaal is, maar in je spieren zit, een automatisme is. Dat is een goede interface tussen mens en machine. CAILLIAU:(lachend) Nog niet. CAILLIAU: Hij interesseert me, maar ik hoef niet per se nieuwe dingen open te gooien om te zien hoe ze gemaakt zijn. Er komt trouwens zelden iets nieuws. Na de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw hebben we in de informatica nauwelijks iets nieuws gezien. Het is alleen sneller, kleiner en goedkoper geworden. CAILLIAU: Er zijn dingen die je gewoon niet anders kunt doen. Er zijn neurale netwerken om computers mee te laten functioneren. Dat is een heel andere structuur, maar ik weet niet of die in hardware te vatten is. CAILLIAU: Er is een grote hype over geweest, en nu is dat wat uit de belangstelling verdwenen. Hetzelfde is met artificiële intelligentie gebeurd, dat is ook uiteengevallen in een heleboel disciplines die later misschien weer bij elkaar zullen komen. Ik zie maar twee grote structuren die ooit uitgeprobeerd zijn: de von Neumannmachines die we overal hebben en die gemakkelijk in hardware om te zetten zijn, en de neurale netwerken die héél biologisch zijn, die moeten groeien en zelf verbindingen leggen. CAILLIAU: Het hing in de lucht. Er waren al andere constructies, zoals Gopher en Hyper-G, maar die konden moeilijk groter gemaakt worden. Er is een correlatie tussen hoeveel functies zo'n constructie aankan en hoe groot ze kan worden. Het www heeft slechts één functie: je volgt een link. Iets als Microcosm is héél mooi, met veel functies, maar je kunt het niet naar meer dan één computer uitbreiden. Het web is in feite het slechtste hypertekstsysteem dat er is, met slechts één functie, maar net daardoor kon het wereldwijd gaan. CAILLIAU: Lezen met de hulp van een computer. En lezen in de breedste zin van het woord: doorheen documentatie gaan, waarbij de auteur en de machine je helpen om de dingen aan elkaar te koppelen, de auteur doordat hij links heeft gelegd en de computer doordat hij interpretaties maakt en zoekmachines heeft die veel efficiënter zijn dan bijvoorbeeld Google. CAILLIAU: Ja, anders hadden we het niet world wide web genoemd, de term was er voor we één lijn programmeercode geschreven hadden. Het internet bestond al. We deden dagelijks aan e-mailen en chatten, aan down- en uploaden van files. Er was remote controle van computers, dat was trouwens de eerste functie van het internet: het controleren van een computer van op een andere computer. We wisten dat het www ofwel wereldwijd zou gaan, ofwel een flop zou worden. Er was niets tussenin. CAILLIAU: Deze dingen worden niet noodzakelijk gedaan met de ambitie de wereld te veroveren. Wij deden onderzoek naar wat mogelijk nuttig was. Als het zich zou verspreiden, des te beter, maar dat was niet de incentive. CAILLIAU: Ik denk eind 1992. Je ziet hoeveel mensen het oppikken, hoeveel servers er van de grond komen. Je ziet dat programmeurs interesse beginnen te tonen en de software downloaden en bijwerken. Er begon zich een groep te vormen van mensen die elkaar nooit hadden ontmoet. Begin '94 heb ik die op CERN bijeengebracht op de eerste internationale www-conferentie. We hadden 400 plaatsen en er waren 600 kandidaten. Ook de Europese Commissie pikte het idee vrij snel op. Eind '92 beseften we ook dat we, om het web echt succes te laten hebben, de technologie vrij moesten geven en haar eigen leven laten leiden, al was het maar om te voorkomen dat anderen iets vergelijkbaars zouden proberen om het te commercialiseren. Dan zou het natuurlijk niet gewerkt hebben. Het basisconcept van het web is dat alles met elkaar werkt: elke browser met elke server. Behalve natuurlijk Explorer van Microsoft, die werkt alleen met zichzelf. ( grijnzend) CAILLIAU: Dan zouden er concurrerende incompatibele systemen ontstaan zijn. Ik heb met de juridische dienst van CERN maandenlang aan een document gewerkt waarin staat dat CERN het ganse project aan het publiek geeft. Dat was een inspanning om te garanderen dat niemand anders ermee kon gaan lopen. CAILLIAU: Microsoft heeft het willen doen - dat doet het altijd, per definite. Ook Adobe had het niet meteen begrepen. Ze zagen blijkbaar niet dat mensen de incompatibele systemen, zoals Compuserve en Delphi, beu waren. CAILLIAU: Ik heb eraan gedacht, maar Tim vond het geen goed idee, en hij heeft me vrij snel overtuigd. CAILLIAU: Ik werkte aan een systeem dat meer lokaal was, met meer functies. Tims systeem was gebaseerd op het internetprotocol, en hoewel hij nog niets had uitgewerkt, zag ik meteen dat het beter was. We hebben onze krachten toen gebundeld. De kracht van zijn systeem zat in de URL, een soort uniek adres voor een document. CAILLIAU: De essentie hebben we in een maand of zes gemaakt. CAILLIAU: Nu praten we wel over de bruisperiode, het samensmelten tot een kern waarmee je vooruit kunt. Ons team was nooit groot, twee personen met elk een student. Pas op het einde waren we met een tiental. Toen werd het wat ingewikkelder. Mensen hier op CERN kwamen me zeggen: allemaal goed en wel, maar we kunnen je systeem niet gebruiken, want de concurrentie kan wat we op het web zetten óók lezen. Er moest een naam en een paswoord bij een server komen, dus moesten we mensen inhuren om te kijken hoe dat kon. CAILLIAU: Het is een technologie zoals het bouwen van een stad. In steden vind je ook van alles, en overal ter wereld zijn steden hetzelfde. CAILLIAU: Ja. Er is een consortium dat erop toeziet dat de standaarden voor compatibiliteit gerespecteerd worden. Dat hebben wij hier op CERN gestart, en het is belangrijk dat het blijft bestaan. Een heleboel van de nerds die achter de schermen het web recht houden, de programmeerstructuren, de infrastructuur, werken gelukkig niet voor elkaar, maar met elkaar. CAILLIAU: De meesten van ons hebben een altruïstische kant, wat dat betreft is er weing verschil tussen vrijwilligerswerk voor het Rode Kruis of voor de school en dat voor Wikipedia of open source programming. We doen dat omdat we graag mensen blij maken en daar feedback over krijgen. CAILLIAU: Ik denk dat het contacten mogelijk maakt op nieuwe niveaus. Ik heb een boel mensen met wie ik bijna dagelijks e-mails uitwissel over koetjes en kalfjes, zoals iemand uit Australië. We zien elkaar één keer per jaar, maar als we samen aan tafel zitten, werkt het niet meer, dan zeggen we niets. CAILLIAU: Nee, dat is puur praktisch. Hij speelt golf en ik niet - dat soort dingen. We zijn elkaar tegengekomen via e-mail. CAILLIAU: Het omgekeerde is er ook. Er zijn mensen die je elke dag ziet maar met wie je nooit elektronisch communiceert. Het is een ander facet. CAILLIAU: Dat heeft elk medium. Dat is begonnen met de godsdienst. Er zijn nergens meer bizarre wereldbeelden dan in de godsdienst. CAILLIAU: Iemand heeft ze ooit bijeengeschraapt. En al die nieuwe sekten schrapen er nog bijeen. Als je denkt aan de echte problemen op onze planeet, dat is niet het web, dat zijn al die bijeengeschraapte dogmatische wereldbeelden uit de godsdienst en de politiek. CAILLIAU: Dat weet ik niet, maar het is een interessante vraag. Ik denk niet dat het web de uitbreiding van bijgeloven of godsdiensten in de hand werkt. Het Vaticaan heeft een website, maar die heeft er niet toe bijgedragen dat het plots is gaan bloeien zoals eBay. CAILLIAU: Maar die ontstaan niet op het web! Het web wordt gebruikt als een middel om zulke dingen óók te verspreiden, naast andere media. CAILLIAU: Die mensen bestonden ook zonder het web. Ik maak me daar niet veel zorgen over. De anonimiteit is natuurlijk wel een probleem. Bloggers zijn niet gemakkelijk te traceren. E-mails wel, tenzij je ze via het web verstuurt. CAILLIAU: Ik heb momenteel een geschil met de internettelefoonaanbieder Skype. Ik vind dat hij de Europese wetten overtreedt. Om via Skype op een lokaal telefoonsysteem te kunnen bellen, moet je wat betalen, en dat doe ik met een kredietkaart. Maar die kerels van Skype houden tegen de Europese regelgeving in de gegevens van mijn kredietkaart online. Ik krijg ze er niet meer uit. PayPal heeft hetzelfde probleem, Facebook ook. Je kunt er wel op, op die sites, maar je kunt er niet meer af. Dat is zeer irriterend. CAILLIAU: Dat moet u aan de filosoof Pierre Lévy vragen. Hij schreef daarover een boek, L'Intelligence Collective, nog voor het web wereldwijd ging. Hij heeft het allemaal voorzien en beschrijft ook dat er een omslag zal komen. CAILLIAU: Hij beweert dat er iets anders zal komen, dat op zichzelf misschien niet intelligent zal zijn, maar waar wij onze intelligentie uit zullen halen. CAILLIAU: Dat is niet de analogie van Lévy, maar ik denk dat zoiets mogelijk is. CAILLIAU: Ja. Je ziet dat in vele domeinen. In de geneeskunde kan men betere diagnoses stellen, omdat zeldzame ziektes beter herkend worden. CAILLIAU: Dat is waarschijnlijk zeer irriterend, maar ik denk dat die patiënten ook zonder het web niet de gemakkelijkste zullen zijn geweest. CAILLIAU: Controle is een mes dat aan twee kanten snijdt. Een moslimfundamentalist verandert misschien van idee omdat hij via het web dingen te zien krijgt die niet in de kraam van zijn omgeving te pas komen. Het www is de eerste informatiebron die wereldwijd verkrijgbaar is en niet uitsluitend door professionelen wordt gemaakt. En iedereen kan het gebruiken. Dat willen we toch niet kwijt? Maar het is ook de eerste informatiebron die internationale invloed heeft zonder dat er internationale afspraken zijn of een internationale identiteit is. Dat kan zo niet verder. CAILLIAU: De vraag naar controle komt in elk gesprek, dus ik veronderstel dat men het wenst. Onlangs was er een vergadering over de uitbreiding van het aantal hoogste domeinnamen - dat zijn namen als .be en .com. Nu zijn er een 200-tal, maar dat is losgelaten, nu kunt u bijvoorbeeld een .knack creëren. Maar op blogs was daarover te lezen dat de helft van de mensheid zich ergerde en zei: we hebben niet meer uitbreiding nodig, wel meer controle, want dit gaat tot nog grotere verwarring leiden. Ik ben er niet tegen hoor dat je van iedereen, zowel van de server als van de auteur, eist dat zijn identiteit achterhaalbaar is. Nu kun je via het web zaken doen met een firma die je niet eens fysiek kunt vinden. CAILLIAU: Het internet is gebouwd zonder enig bewustzijn van identiteit. We zouden kunnen overwegen het weer af te breken en opnieuw op te bouwen met een andere compatibele infrastructuur. Het is in feite gebouwd door academici binnen een besloten gemeenschap die geen behoefte hadden aan identiteitscontrole. Zij kenden elkaar. CAILLIAU: We hebben destijds discussies gehad over het inbouwen van een versleuteling, zoals er nu ook in gsm's zit. Elke gsm heeft zijn identiteit, en daar klaagt niemand over. Het grote probleem met het web is dat je het nooit op een kleinere schaal dan de wereld zult kunnen proberen. CAILLIAU: Ik mag me niet te sterk uitdrukken, maar ik denk dat het ook een probleem van schaal zal hebben. In een semantisch web moet je niet alleen zoeken, je moet ook bewerkingen doen, en dat is héél ingewikkeld. Het zal heel goed gaan op kleine schaal, maar niet kunnen doorstoten naar het wereldniveau. CAILLIAU: Nee, dat is precies het schaal-aspect. Zet meer servers op het web, en je krijgt meer capaciteit. Het wordt niet trager en het wordt niet voller, integendeel. Zoekmachines als Google, die raken langzaam wel vol. CAILLIAU: Een goed afgestelde server verbruikt niet zoveel meer dan een brandende lamp. De overbevolking en het uitgroeien van onze individuele ecologische invloedssfeer zijn veel pijnlijker. CAILLIAU: Dat is een goede vraag, maar de redenen waren erg persoonlijk. DOOR DIRK DRAULANS