Daniël Vanacker, 'De mythe van de 80 %', in Joris van Severen Jaarboek nr. 7.
...

Daniël Vanacker, 'De mythe van de 80 %', in Joris van Severen Jaarboek nr. 7. Antoon Vrints, 'Bezette stad. Vlaams-nationalistische collaboratie in Antwerpen tijdens de Eerste Wereldoorlog', Algemeen Rijksarchief, Brussel, 388 blz. Ulrich Tiedau, 'De Duitse cultuurpolitiek in België tijdens de Eerste Wereldoorlog', in Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis nr. 11.Al begin 1915, amper een half jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, beweerde een pamflet dat het Belgische leger aan de IJzer voor ten minste 80 procent uit Vlaamse soldaten bestond. De Vlamingen, hoewel 'cultureel verwant' met de Duitse agressor, hoefden dus geen lessen in vaderlandsliefde, aldus het pamflet. Hun aandeel in de Belgische bevolking bedroeg inderdaad slechts 55 procent. Flaminganten hebben die 80 procent tijdens en vooral na de oorlog vaak aangehaald als argument voor hun taaleisen, want een 'volk' dat zo'n buitenproportionele bijdrage had geleverd aan de Belgische oorlogsinspanning, mocht daar toch iets voor terugverwachten. Dat argument won nog aan scherpte doordat haast al die Vlamingen eenvoudige soldaten waren, die onder het bevel stonden van overwegend Franstalige, Nederlandsonkundige officieren. Meer sinistere varianten van die mythologie voegden daaraan toe dat die officieren de Vlaamse soldaten wel vaker nodeloos, zo niet opzettelijk een gewisse dood aan het front instuurden. Na 1918 vormde de IJzertragedie de oermythe van het Vlaams-nationalisme, met de IJzerbedevaart als bekendste uitloper. Dat politieke gebruik en misbruik deed al snel twijfel groeien over de betrouwbaarheid van die 80 procent, die tenslotte nooit precies was becijferd. Vanaf de jaren 1970 verschenen meerdere studies die het Vlaamse aandeel in het IJzerleger op 65 à 70 procent schatten en hogere aantallen als propaganda afdeden. Zopas verscheen evenwel een nieuw onderzoek, dat dan toch vrij overtuigend uitkomt op een aandeel van (ongeveer) 80 procent. Het is het werk van Daniël Vanacker, die al meerdere degelijke studies over de Eerste Wereldoorlog heeft gepubliceerd. Vanacker verzamelde een groot aantal getuigenissen, vooral van militairen in hun eigen omgeving, die allemaal de '80-procentstelling' ondersteunen. Het gaat vrijwel altijd om ramingen, die Van- acker 'niet nauwkeurig maar wel realistisch' noemt, ook wegens hun eensluidendheid. En vooral: niet alleen de flaminganten, maar ook koning Albert en andere militaire en politieke topfiguren namen die ramingen voor correct aan, hoe slecht hen dat politiek ook uitkwam. Zij moeten daar redenen voor gehad hebben. Het recente wetenschappelijke werk dat op lagere cijfers uitkwam, vertoont, aldus Vanacker, te veel gebreken om geloofwaardig te zijn. Leidden de taaltoestanden in het IJzerleger tot een flamingantische reactie in de Frontbeweging, in bezet België roerden zich de activisten, radicale flaminganten die openlijk collaboreerden met de Duitse bezetter. De jonge historicus Antoon Vrints publiceerde met Bezette stad de eerste grote studie van het activisme in Antwerpen - Vanacker schreef eerder een vergelijkbaar werk over Gent. Vrints telde in Antwerpen niet meer dan 2065 activisten, onder wie opvallend veel lagere ambtenaren en bedienden: de kleinburgers uit de tertiaire sector die altijd in de kern van de Vlaamse beweging stonden. Ze vormden slechts een onooglijke minderheid, zonder enige achterban. Als ze wat betekenden, kwam dat alleen door de Duitsers, die hen zowel politiek als financieel steunden en hen de kans gaven om (zonder veel succes overigens) zieltjes te winnen via dienstbetoon. Het activisme was, aldus Vrints, wel degelijk het product van de Duitse Flamenpolitik, maar ook van Nederlanders die via het activisme de Groot-Nederlandse gedachte propageerden. Een recent artikel van de Duitse historicus Ulrich Tiedau geeft aan waarom die beide tendensen samenliepen. De Flamenpolitik diende de Vlamingen los te weken uit het Belgische staatsverband, opdat de Duitsers via hen het naoorlogse België zouden kunnen beheersen, eventueel door van een onafhankelijk Vlaanderen een vazalstaat te maken. Toch wilde Duitsland met de Flamenpolitik - en dit is een nieuw inzicht - aanvankelijk vooral invloed verwerven in het neutrale Nederland; vandaar de Groot-Nederlandse connectie. Pas toen duidelijk werd dat de oorlog niet zou aflopen zoals Duitsland wenste, kreeg de Flamenpolitik weer een uitsluitend Vlaamse en dus anti-Belgische oriëntering. Marc Reynebeau