'Ik ben opgegroeid in de Westhoek. Als je dan een beetje ogen in je lijf hebt, kruipt de Groote Oorlog van jongs af in je ziel. Ik was acht jaar, ik kreeg een echte fiets en ging de polders in. Bij thuiskomst zei ik - geschokt - tegen mijn moeder: 'Moetje, het ligt hier vol dooie soldaten.' De oorlogsgraven werkten diep op me in. Ik heb er een levenslange fascinatie voor de Eerste Wereldoorlog aan overgehouden.'
...

'Ik ben opgegroeid in de Westhoek. Als je dan een beetje ogen in je lijf hebt, kruipt de Groote Oorlog van jongs af in je ziel. Ik was acht jaar, ik kreeg een echte fiets en ging de polders in. Bij thuiskomst zei ik - geschokt - tegen mijn moeder: 'Moetje, het ligt hier vol dooie soldaten.' De oorlogsgraven werkten diep op me in. Ik heb er een levenslange fascinatie voor de Eerste Wereldoorlog aan overgehouden.' Toen fotograaf Michiel Hendryckx vorig jaar het relaas van Heinrich Wandt in handen kreeg, maakte dat dan ook grote indruk op hem. Dat schotschrift, Het etappeleven in Gent, verscheen voor het eerst in 1920 en beschreef van binnenuit het door en door rotte Duitse bezettingsapparaat in Gent tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wandt was een eenvoudig soldaat, geboren in 1890 in Stuttgart als zoon van een meesterboekbinder. Na een korte passage in de loopgraven werd de ziekelijke Wandt in 1915 naar Gent gestuurd, wat toen de bevoorradingsstad (etappestad) was voor het Duitse leger aan de IJzer. Wandt werd er benoemd tot secretaris van de hoofdarts, en werd zo een bevoorrechte ooggetuige van het hogeofficierenleven. Wat hij zag, schokte hem zeer: de schranspartijen en zwijnerijen van zijn oversten, het hoerenlopen, de corruptie en het machtsmisbruik, de wreedheden en de willekeur. De Duitse officieren in Gent leefden in de grootst denkbare luxe. Ze bezetten de prachtigste villa's en stadspaleizen, namen vaak zelfs het huispersoneel over en plunderden de wijnkelders. Ze richtten eigen casino's en bordelen op en hielden de wildste orgieën. Ze zetten clandestiene handeltjes op: kostbare etenswaar die ze tijdens de hongeroorlog stalen bij de Gentse bevolking stuurden ze via ordonnansen naar het thuisfront, waar hun echtgenotes die tegen woekerprijzen verkochten. Ze schoffeerden en mishandelden de gewone soldaten. De Gentse bevolking kreeg voor onbenulligheden zware boetes en gevangenisstraffen. Wandt, die een overtuigd antimilitarist was, schaamde zich diep en besloot de excessen van zijn landgenoten genadeloos te boek te stellen. Al tijdens de oorlog zette Wandt zich aan het schrijven. Een belangrijke bron van informatie was de geheime Gentse Soldatenbond, die Wandt zelf op 11 juli 1916 had gesticht. Die clandestiene groep vergaderde wekelijks in de Gentse patisserie Bresou en smeedde plannen om antimilitaristische propaganda te voeren. Er zijn geen sporen dat ze ooit pamfletten hebben verspreid, maar via de Soldatenbond sprokkelde Wandt verdere getuigenissen. Hij verzamelde ook de nodige documenten om zijn wrange aanklacht tegen zijn oversten te staven. Dat bleek verstandig: na publicatie van Het etappeleven in Gent werd Wandt door de ene na de andere protagonist - die allemaal met naam en toenaam in zijn boek werden genoemd - voor het gerecht gedaagd. Wandt zat meer dan vijftig keer in het beklaagdenbankje, maar hij won elk proces. Het boek wordt nu opnieuw uitgegeven in de aanloop naar het herdenkingsjaar 2014, onder de titel Het frontparadijs. Michiel Hendryckx schreef er een gloedvolle inleiding bij, en maakte een radioprogramma voor Klara rond de memoires van Wandt, dat op 10 november wordt uitgezonden. Hij werpt zich op als ambassadeur van het boek, wil dat het zo veel mogelijk gelezen wordt, 'want dit is zo'n unieke stem', zegt hij. 'We kennen de getuigenissen van onze kant, over hoe het was in de loopgraven. En begrijp me niet verkeerd: die zijn zeer belangrijk, maar daar zit altijd een sausje van heroïek en grandeur over, wat ik absoluut fout vind. Dit boek heeft een totaal andere toon dan wat we gewoon zijn over de Eerste Wereldoorlog. Wandt beschrijft geen veldslagen, geen frontbewegingen, maar toch toont hij haarscherp wat het DNA van de oorlog uitmaakt. Ik schrijf het in mijn inleiding: Wandt laat de morele leegloop zien, de totale waardeloosheid, hoe de mens zich terugplooit op zijn meest primaire verlangens van hebzucht, wreedheid en egoïsme in het licht van het nakende einde.' Wandts aanklacht zet hoog in met beschuldigingen aan het adres van kapitein-commandant Georg von Wick, die de hele oorlog het hoogste bevel voerde in Gent. Wandt zet hem neer als een absolute luiaard 'die niet langer dan een uur per dag bij zijn werk bleef. (...) De telefoon was voor hem een uitvinding van de duivel die slechts diende om tevreden en rustige mensen nerveus te maken.' Wandt vergelijkt Von Wick met de slempende Romeinse consul Lucullus die zich 'het beste en het fijnste eten dat hij in vredestijd moet ontberen' tijdens de oorlogsjaren rijkelijk laat voorschotelen. 'Het eetmaal werd steeds met een goede drank overgoten. De rijk voorziene kelders van de kommandantuur leverden de uitmuntendste wijnen, likeuren en champagnes van de beste Franse merken, die natuurlijk bij de Belgen gestolen waren.' Uiteraard ontbrak daarbij 'het ewige Weibliche' niet. Zoals velen van zijn officieren werd Von Wick na de oorlog met het IJzeren Kruis onderscheiden. 'Het oorlogsdagboek van Wandt wordt soms weggezet als een schandaalkroniek,' zegt Hendryckx, 'maar toch overtuigde het me meteen. Wat hij schrijft, tart iedere verbeelding. Hij beschrijft taferelen die je gewoon niet kunt bedenken en die dus wel waar moeten zijn. De Duitsers hadden bijvoorbeeld een heilige schrik van spionage, dat was een van hun obsessies. Ze verboden elk persoonlijk contact van de Duitse soldaten met de Belgische bevolking, dus waren er cafés waar alleen Duitsers binnen mochten en andere alleen voor Belgen. In Gent had Leonidas Kestekides - nu nog bekend van de pralines - toen ook een tearoom. Dat was de enige in de stad waar zowel Duitse officieren als Vlaamse vrouwen binnen mochten. Om tegemoet te komen aan de antispionageregel verdeelde Leonidas zijn clientèle wel in 'bokken' en 'schapen'. Aan de rechterzijde van het café zaten de bokken (de officieren), links zaten de schapen (de prostituees). Wandt schrijft: "De twee partijen telefoneerden met elkaar via hun ogen en nu en dan speelden zij met de hulp van de kelners elkaar liefdesbriefjes toe waarin ze een rendez-vous in de toiletkamer aanvroegen." Als dat een scène in een film zou zijn, zou je het toch niet geloven?' 'Ander voorbeeld: de officieren van het militaire wagenpark hadden een eigen casino in de fijne Villa du Cèdre in Meulestede, bij Gent. Daarover schrijft Wandt: Wanneer zij in de vereiste stemming verkeerden en de met het IJzeren Kruis en andere tekens onderscheiden heren de wijn- en champagneglazen al brassend, stampend en duwend op de grond aan gruzelementen gooiden, werden een bok en geit uit de stal gehaald en op tafel gezet, om er onder algemeen gelach hun kunsten in het geslachtsverkeer te tonen. En wanneer deze heren door het zien van de dierlijke lusten van de geitenbok bezield waren, rustten ook zij zich uit om hun slag te slaan op de bewoonsters van de Gentse officierenbordelen. De auto's voeren voor en - Hoera! Hoera! - een ogenblik daarna vlogen zij als gekken door de lange straat die van Meulestede naar het centrum van de stad leidde, recht naar "dikke Nitte". Dus die mannen lieten zich eerst opgeilen door een neukende bok en geit totdat ze in de juiste roes waren om naar de hoeren te gaan. Wandt beschrijft verder hoe in het chique officierenbordeel La Cloche aan de Kuiperskaai op hoogdagen luxeprostituees uit Brussel werden ingevoerd om er op verplaatsing "als Venuspriesteressen" te komen werken. In La Cloche zaten soldaten op de gang met dure pommades. Zij moesten de officieren na de daad helpen om hun lul in te wrijven. Dat is toch pure Fellini! Erger zelfs!' 'De mooiste passage uit het boek is voor mij die waarin Wandt beschrijft hoe een officier, die bij de Gentse vrouwen een gewild minnaar was, op een nacht de liefde bedrijft met een adellijke dame. Ze geven zich over aan het minnespel in het tuinpaviljoen bij haar kasteel aan de Leie, en in de verte horen ze de kanonnen bulderen aan de IJzer. Dat vind ik hallucinant poëtisch. De oorlog was altijd dichtbij. Om te beginnen liep het in Gent natuurlijk zwart van de soldaten, maar ook auditief was er geen ontsnappen aan. En ondertussen werd er liederlijk gefeest. Wandt beschrijft tuinfeesten waarbij de naakte officieren levend standbeeld spelen. Hij heeft het over la guerre en dentelle, de oorlog in het kant. De meesten van die mannen hadden thuis een echtgenote, een gezin, maar ze zochten hier "een oorlogsbruid". Het is elsschottiaans, zoals Wandt het verwoordt. Die afstotelijke, onderkruiperige mannetjes die in Duitsland niet veel te betekenen hadden, maar hier veranderden in idiote parvenu's. Het waren ongelooflijke lafaards, die er alles aan deden om niet naar de loopgraven te hoeven. Ze wendden ziektes voor om eraan te ontsnappen, maar ondertussen kafferden ze wel de kleine frontsoldaten uit omdat hun uniform niet helemaal tiptop was. Alles wat mensen zo griezelig maakt, zit in dit boek van Wandt.' Gent was tijdens de Eerste Wereldoorlog ook voor de gewone Duitse soldaten dé bordeelstad bij uitstek, vertelt Hendryckx, 'zoals Poperinge dat was voor de Britse troepen. Je moet je voorstellen: veel van de jongens die vochten in de loopgraven waren nog maagd. De paar dagen dat ze dan met verlof mochten naar Gent, zouden wel eens hun laatste kans kunnen zijn om de sensatie te voelen een vrouw te penetreren. Ze wilden hét allemaal een keer gedaan hebben voor ze terug moesten naar het slagveld.' Wandt bericht uitvoerig over de prostitutie in Gent, niet alleen over de beroepsprostituees, maar ook over de ontelbare moeders, dochters en kleindochters die ten einde raad hun lichaam verkochten terwijl hun mannen vochten aan de IJzer of daar als dwangarbeiders zwoegden. 'Vrouwelijke martelaren zijn het', aldus Wandt, 'die in de oorlog niet hun leven maar hun eer moesten offeren.'Hendryckx: 'Naast spionage was lichaamshygiëne een obsessie voor de Duitsers. Ze wilden te allen prijze vermijden dat hun troepen geslachtsziektes zouden oplopen, die daadwerkelijk een serieuze bedreiging vormden voor hun oorlogsapparaat. Aan de kant van de geallieerden was dat trouwens net zo.' De Duitsers gingen met grote voortvarendheid te werk. In Wandts dagboek staat te lezen hoe alle openbare vrouwen 'onder de strengst mogelijke controle stonden en tweemaal per week het zeer gevreesde ziekenhuis Lousbergs' moesten bezoeken, waar zij door een Duitse dokter 'zeer gewetensvol' onderzocht werden. 'De vrouwen die bij dit onderzoek ook maar verdacht werden, moesten soms wekenlang in dit hospitaal blijven.' Hendryckx: 'Op het einde van de oorlog waren er duizend besmette prostituees opgesloten. Dat aantal zegt iets over de vele anderen die er geweest moeten zijn en die nog vrij rondliepen.' Wandts verontwaardiging is het grootst als hij het systeem van dwangarbeid beschrijft dat de Duitsers in Gent - net als elders in België - hadden opgezet. Hendryckx: 'De Duitsers hadden werkkrachten nodig aan het front om spoorlijnen te bouwen. In het begin eisten ze alleen de werklozen op, later ook de werkende Gentenaars en uiteindelijk kwam iedereen aan de beurt, tot de hoge bourgeoisie toe. Die dwangarbeiders leefden in erbarmelijke omstandigheden. Ze kregen nauwelijks te eten, kwamen geradbraakt terug - als ze het al overleefden. Uiteindelijk zijn er 333 Gentse dwangarbeiders gestorven.' Wandt schildert schrijnende taferelen: 'Vuistslagen, schoppen en kolfslagen, alsook het "kittelen" met de punt van de bajonet waren de middelen om de zwakke en weerloze slaven weer op de been te helpen als zij van vermoeienis neergevallen waren. Wanneer twee zwakke mannen er niet in slaagden een zware dwarsligger van de spoorweg vooruit te brengen, bond men deze dwarsligger met een ijzerdraad aan de hals vast en dan "kittelde" men hen zolang met de bajonet tot zij zich verder sleepten met stokkende adem, schuim op de lippen en scheef kijkende ogen.' 'Ik heb een grote bewondering voor wat Wandt heeft gedaan, het is journalistiek werk in de ware betekenis van het woord. Zijn boek werd meteen een bestseller in Duitsland en in Vlaanderen, maar door het establishment werd hij uitgespuwd als een nestbevuiler. De serieuze pers heeft er alles aan gedaan om hem dood te zwijgen. Wandt is in 1965 vergeten en berooid gestorven in West-Berlijn. Dat is tekenend voor de manier waarop Duitsland met zijn oorlogsverleden omgaat. De Tweede Wereldoorlog kunnen ze niet onder de mat schuiven, maar voor de Eerste doen ze goed hun best. Ik begeef me misschien wat op glad ijs als ik zeg dat er een lichte intellectuele druk is om die te vergeten. De Europese eenmaking gaat steeds verder en Duitsland wordt zo'n beetje beschouwd als de gangmaker van dat feest. Het land wil niet meer aan de schandpaal genageld worden, maar we mogen verdorie toch niet vergeten wat ze tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben uitgericht. Onlangs was ik in Coucy-le-Château. Dat was samen met de Mont Saint-Michel dé toeristische attractie van Frankrijk. Toen de Duitsers zich in 1917 moesten terugtrekken, hebben ze dat middeleeuwse fort opgeblazen. Après nous le déluge, weet je wel. De Duitsers hadden zelfs speciale ploegen laten bouwen om de wegen te vernietigen bij hun terugtocht. Die wraakzucht was dus niet zomaar een bevlieging van het laatste moment. Nee, er zat een hele logistiek achter, een voorbedachtheid die ik walgelijk vind. Dat mag allemaal niet meer gezegd worden. Daarom is dit boek van Wandt zo belangrijk.' Heinrich Wandt, Het frontparadijs, ingeleid door Michiel Hendryckx, Hannibal, 288 blz., 29,50 euro.DOOR ILSE DEGRYSEWat soldaat Wandt in Gent zag, was schokkend: de zwijnerijen van zijn oversten, de corruptie en het machtsmisbruik, de wreedheden en de willekeur. Wandt werd door de protagonisten van zijn boek voor het gerecht gedaagd. Hij zat meer dan vijftig keer in het beklaagdenbankje, maar hij won elk proces.