INFO: Lees ook de getuigenissen van veteranen, gebundeld in 'Vergeten stemmen uit de Grote Oorlog', door Max Arthur (een uitgave van Globe).
...

INFO: Lees ook de getuigenissen van veteranen, gebundeld in 'Vergeten stemmen uit de Grote Oorlog', door Max Arthur (een uitgave van Globe). Hij is de eerste Duitser die in de archieven van zijn land dook om te achterhalen wat er zich in de kerstdagen van 1914 in de loopgraven heeft afgespeeld. Hij ontrafelde een taboe, tot vandaag: langs het westelijk front tussen de Noordzee en de Zwitserse grens stak over een afstand van honderden kilometer een vredesbeweging de kop op met honderdduizenden deelnemers. Voor de meeste historici, een voetnoot in de geschiedenis. Gepokt en gemazeld in de journalistiek, met topjaren als chefredacteur van het leidende weekblad Stern, bleef Michael Jürgs na zijn ontslag in 1990 solo graven, onthullen en fascinerend vertellen. 'Al mijn boeken zijn Duitse geschiedenis', zegt de vinnige 59-jarige Hamburger, geboren in Schwabenland. Met boeken over Romy Schneider, Günther Grass, de neuroloog Alois Alzheimer en de tenor Richard Tauber, werd hij een gevierd biograaf. Heikeler thema's ging hij evenmin uit de weg: de machinaties van de ' Treuhandanstalt'en de rol daarin van André Leysen, of het eerlang te verschijnen boek over het slepende conflict tussen Oost- en West-Duitsers. Op zijn voorleestournee door Duitsland aanbeland in Aken, spraken we met Jürgs naar aanleiding van De kleine vrede in de Grote Oorlog, net in het Nederlands verschenen (een uitgave van Globe). MICHAEL JÜRGS: Ik heb mij dat ook afgevraagd. In 1918 krijg je de opstand van de matrozen in Duitsland. Er zaten heel wat pacifisten in de loopgraven. In Frankrijk komt het tegen het eind van de oorlog tot een staking bij een aantal regimenten. In Engeland bestonden democratische verhoudingen. Er moet een gevoel geheerst hebben dat Albert Einstein als volgt verwoordde: 'Er bestaat geen goede oorlog en geen slechte vrede.' Maar de soldaten in 1914 waren nog te gezagsgetrouw. Weliswaar maakten ze drie dagen lang een pre-revolutionaire fase door. Ze luisterden niet naar de bevelen, het kon hen niets schelen. Ze wilden weg. Toen ze uit hun loopgraven kropen en op elkaar toestapten, merkten ze dat de anderen doodnormale mensen waren. Ze toonden elkaar foto's van hun familie, en die zagen er precies uit zoals de hunne. 'Gaat het je ook zo beroerd in deze moddertroep?' 'Ja, mij is het ook zo te moede.' In deze stemming was er een lied dat emoties opriep. Die emoties hielden drie dagen stand. Hadden ze langer stand gehouden, dan ware de oorlog voorbij geweest. Op het moment dat ze besloten, 'nee, nu schieten we niet meer', had het kunnen omslaan. JÜRGS: Nee. Er was geen vrije pers, geen tegenmening. Zelfs de sociaal-democratie had in het Duitse parlement voor de oorlog gestemd. JÜRGS: Als enige, ja. Dat had meerdere redenen. Vooreerst werd de keizer door iedereen erkend als van god gezonden. Keizer bij Gods Genade van het Duitse Rijk. Hij was natuurlijk een sukkel, partieel ziek, een waanzinnige. Hij was een zwakkeling, en tegelijk had hij generaals als Ludendorff, Hindenburg en Falkenhayn die oorlog wilden. Dat wilden in Engeland ook de generaals French en Haig. Fransen en Belgen, dat is een andere geschiedenis. Die werden overvallen. De Duitse gruweldaden bij de inval in België zijn gedocumenteerd: 5000 oorlogsmisdaden - mensen opgehangen, neergeschoten en dies meer. JÜRGS: Een fantastische koning, Albert. Dat is een van de figuren die we vandaag waarschijnlijk in de Vredesbeweging zouden terugvinden. Weet u aan wie hij mij doet denken? Aan prins Karim Aga Khan, zoon van de beroemde playboy-koning Ali Khan. Hij gaat rond al weldoende, een beste kerel, geestelijk leider van 20 miljoen moslims. Hij gaat door voor een zwakke figuur, zoals koning Albert I. Goeie jongen. Die heeft België eigenlijk gered. Hij beval om de sluizen in Nieuwpoort te openen zodat alles onder de modder zat, geniaal. JÜRGS: Ja, ongelofelijk, hoe ze met de oude sluiswachter in het hoge gras naar de schroefsleutel van de sluizen zochten, want ze waren hem kwijt. JÜRGS: Daarom werd hij ook prompt vervangen door Ludendorff. Falkenhayn werd ook verweten niet nauwlettend te hebben toegezien dat zijn bevel om met Kerstmis door te gaan met schieten, ook werd uitgevoerd. Maar hij zat met andere hoge officieren ergens in Spa te relaxen, en keek niet te nauw wat de jongens aan het front uitrichtten. JURGS: Daarom is het een vrede der kleine lieden. Ze waren enthousiast om naar de oorlog te mogen, dachten dat het een kwestie van weken zou zijn, en merkten toen dat het even anders liep. Toen wilden ze niet meer. Ze staan in de modder, ze staan in de regen, de ratten knagen, ze zien kameraden wegzinken in het slijk. JÜRGS: Toch wel, ik ben het ermee eens dat de schuld voor de oorlog eenduidig bij Duitsland lag. En alle kranten juichten het begin van de oorlog toe. Het enthousiasme was groot, als u de Duitse beelden bekijkt: met bloemen gesmukt trokken de soldaten ten oorlog, en dachten dat ze met Kerstmis weer thuis zouden zijn. In Engeland was de stemming in de kranten kritischer: hoeven we echt oorlog? Willen we Brits bloed vergieten op Franse bodem? Maar de Engelsman zei: als faire sportlui hebben we een verplichting tegenover onze bondgenoot. Het was een oorlog van de hoogste klassen in de maatschappij, die wilden oorlog voeren. JÜRGS: Alom bij de landadel moest de oudste zoon de zaken beredderen, hij was de erfgenaam. De tweede, derde en vierde zoon zeiden: wij trekken ten oorlog. Die zijn allemaal opgetrokken. JÜRGS: Ja. 'Het is zoet voor het vaderland te sterven' werd de Duitse jongeren ingelepeld in de kadettenscholen. Hele schoolklassen trokken ten oorlog, en er was geen tegenmening. Er waren geen moeders die zeiden: 'mijn zoon niet'. Integendeel, ze waren trots op hun mannen. JÜRGS: Denk aan de 'verklaring van de 99 intellectuelen': het Duitse cultuurvolk moet zich verdedigen, ondertekend door werkelijk iedereen. De intellectuelen! De groten van de geest! Allemaal gewonnen voor de oorlog! JÜRGS: Denk aan de hymne 'Deutschland über alles'. Ze zijn allemaal overstag gegaan. Op notoire uitzonderingen als Albert Einstein na. JÜRGS: Ik heb er met hen natuurlijk over gesproken. 'Het was niet van belang voor de oorlog, de oorlog ging verder', zeiden ze. Dus moeten wij journalisten het maar doen: waar is de geschiedenis, waar zijn de mensen? Van Duitse zijde was daar nog nagenoeg niets over geschreven. In archieven in München en Potsdam hebben we dagboeken en brieven gevonden, ook van Belgische soldaten. Maar het was een historicus, Malcolm Brown, die het kerstbestand ( Christmas Truce) ontdekte. Toen ik hem opzocht, was hij stomverbaasd dat eindelijk een Duitser zich in de zaak ging verdiepen. We hebben materiaal en tips uitgewisseld, want teksten in het Duits kan hij zelf niet lezen. Het is een vriend voor het leven geworden. In Frankrijk zijn de teksten van de poilu's, de frontsoldaten, pas in 1991 verschenen. Tevoren was daar niets. JÜRGS: Het Pruisische militarisme is de oerverklaring van de oorlog. De Pruisische militaristen wilden de Eerste Wereldoorlog. Ze overtuigden de weifelende keizer die te dom was om in te zien wat op hem afkwam. Falkenhayn, Ludendorff, Hindenburg. Het Pruisische militarisme in Duitsland betekende: kadettenscholing, blinde gehoorzaamheid, 'wij zijn de grootsten', discipline, orde. JÜRGS: Niets. Men moet gehoorzamen en functioneren. Dat kun je er bij Der Prinz von Homburg al op nalezen. JÜRGS: Het zijn protestanten, ja. Het was een godsdienst, oorlog te voeren. De hofpredikanten waren rechts-radicalen die je vandaag niet eens bij het Vlaams Belang zou durven onderbrengen. De hofpredikant van de keizer was rechts-radicaal, een antisemiet. Ook het nazidom is slechts verklaarbaar door het Pruisische militarisme. Hitler wist het idool van het Pruisische militarisme, Hindenburg, het nodige respect te betuigen, en zich daardoor te laten veredelen. De militaristische opvoeding van het Duitse volk door alle lagen heen, maakte het mogelijk dat er ook geen verzet was toen Hitler na verkiezingen aan de macht kwam. Toen de Pruisische militairen in juli 1944 de oorlog verloren zagen en hun beroemde aanslag tegen Hitler beraamden, waren ze niet van plan om de democratie in te voeren als ze de macht hadden. Ze wilden een Pruisische standenstaat invoeren, nietwaar? Vergeet dat niet. Hoe erg het ook klinkt: godzijdank ging de oorlog verder, en was het voorbij met het Pruisendom. Dat is wat mijn generatie Duitsers toen gezegd heeft: 'Gedaan met alles wat met Pruisendom en militarisme te maken heeft.' Wij hebben er iets uit geleerd en vandaag tiert het militarisme in vele delen van Europa weliger dan in Duitsland. Behalve in Brandenburg, het vroegere Pruisen, in de ex-DDR. Daar vind je de meeste rechts-radicalen, en zeker niet in Hamburg bijvoorbeeld. JÜRGS: De Britten vieren hun kerstfeest op eerste kerstdag. Men loopt onder de maretak en omarmt elkaar en wenst elkaar liefde, Kerstmis, vrede. Een heidens gebruik. Maar omdat de Duitsers op kerstavond, het Duitse kerstfeest, de vrede inluidden, konden de Britten op hun kerstfeest vanuit dat vreedzame gevoel zeggen: kom met ons vieren, kom onder de maretak, wat de Duitsers weliswaar niet begrepen. Maar het belangrijkste was: toen de enen zongen, zongen de anderen terug. Het was een 'battle of songs'. Elk met z'n eigen kerstliederen. Op een bepaald moment moeten de studenten onder hen gezamenlijk Adeste Fideles gezongen hebben. Jammer dat er geen films van zijn. JÜRGS: De Brit ziet natuurlijk niet de magie van kerstavond. Voor de Duitsers was het dat wel: vrede op aarde, stille nacht, heilige nacht. Deze magievonk sprong over op de Britten. Het 'Merry Christmas, Englishmen!, 'We not shoot, you not shoot!', kwam vooreerst van de Duitsers. JÜRGS: De agressor, de Hun, de Jerry, de Mof, de Slechterik. Voor het eerst in de Duitse geschiedenis zei de Duitser: 'Niks geen oorlog. Vrede!' Zonder de magie van Kerstmis was het niet gelukt. De magie van de zang. Melodieën, muziek is een taal die iedereen begrijpt. ( zingt) 'Stille...' Ze zitten op honderd meter van elkaar. Het is steenkoud. Wat een grote rol speelde. Voor het eerst in weken was er geen regen. Men had vaste grond onder de voeten. JÜRGS: Men kan aan een wonder geloven, als men gelooft. De Saksen en de Beieren, de katholieken, waren gelovige mensen. Kleine soldaten, gelovige mensen, die ook hun paus ( Benedictus XV) in het oor hadden, want op de kansels in Beieren en Saksen moest voorgelezen worden wat de paus zei. Dat was verplicht. De moeders schreven in hun brieven naar het front niet over de paus, maar de jongens vernamen het toch. Ver van de heimat en de familie, te midden van de lichtende kerstbomen. Honderdduizenden dennenbomen waren naar het front gestuurd voor de soldaten. Ze hadden ze op de borstweringen van de loopgraven gezet. Het vroor, het was een heldere sterrennacht, alles klopte. De volgende dag konden ze samen de doden begraven. JÜRGS: Deze ' joint burial'is ongelofelijk. De dodelijke slachtoffers die ze zelf amper enkele dagen tevoren gemaakt hadden, begraven ze nu gemeenschappelijk. Daar bestaat een beeld van, zoals ze daar staan: Britten en Duitsers door elkaar, begraven elkaars doden. Men verzonk niet in de modder, men kon te been blijven, roken, zuipen, vuur maken, hazen jagen, boksen - de tegenstanders moesten ten slotte van elkaar gescheiden worden, zo duchtig klopten ze op elkaar. Honderden speelden voetbal. Aan de Franse kant van het front deden ze ook mee. Over hoe de kleine 'poilu' in de oorlog gejaagd werd, bestaat een ongelofelijke Franse strip, van Jacques Tardi. Ohh! Dadelijk bestellen, amazon France! JÜRGS: En altijd werden de Fransen en de Britten gewaarschuwd: 'Pas op, we worden afgelost, nu komen de Pruisen, die schieten er niet naast.' De Pruisen waren bij de Saksen, de Beieren en de Württembergers even gehaat. Er waren minivredes nodig om de doden te kunnen begraven. Zolang de grond in een modderpoel herschapen was, riskeerde geen mens zich daaraan. Toen regen, storm en nevel op kerstavond eindelijk ophielden, kregen de doden contouren. Men zag ze eindelijk weer liggen, en besloot om er onmiddellijk werk van te maken. Kwam daarbij de praktische overweging: als we ze niet begraven, kunnen we geen voetbal spelen. Er was geen plaats. Ze hebben gevoetbald op de graven. JÜRGS: Na de gifgasaanvallen was het voorbij... JÜRGS: Toen was het voorbij. De haat was te groot. In de Britse pers kan men dat precies nagaan: van dan af spuide men alleen nog haat. Ik was op de plek waar de Lusitania ondergegaan is, bij Cork in Ierland. Phoh! De stemming die je er tegemoet waait, als je er als Duitser komt... haat, nu nog. 'Ik ben in 1945 geboren, ik kan het dus niet geweest zijn', zeg ik dan. Ik heb een gevoel van collectieve schaamte, niet van collectieve schuld, dat is een verschil. Ik merk het veel duidelijker bij Yad Vashem, het holocaustmuseum in Jeruzalem. Dat is een ander gevoel. Dat is de reden waarom ik journalist geworden ben: 'nazi... nie wieder zulke figuren.' Ik was negentien, studeerde en was journalist voor de Abendzeitung in München. Het eerste wat ik voor de krant deed was de naziprofessoren afschieten. Eén voor één, ik had ze allemaal meegemaakt. Ze zaten nog allemaal op hun stoel. We hebben er echt jacht op gemaakt. Daarom stortte voor mij later, als overtuigde Stern-mens, alles in elkaar toen de Hitler-dagboeken die we publiceerden, nep bleken. De geloofwaardigheid van het blad waarvoor ik gewerkt had, was naar de knoppen. De revolutie brak uit op de redactie, een week lang was de Stern bezet. Dat was de mooiste tijd die je kon beleven. Ik werd hoofdredacteur in 1986. Mijn journalistieke generatie is gepokt en gemazeld in de strijd tegen de structuren van de vaders, dat waren de nazi's. Het begon in 1962 met de Spiegel-affaire. Toen kwamen voor het eerst Duitsers op straat voor het recht op vrije meningsuiting en democratie, tegen de 'democratuur' onder kanselier Konrad Adenauer. Ze zaten er nog allemaal, de nazifiguren uit de Tweede Wereldoorlog. Allemaal. Rechters, artsen, professoren, ambtenaren. We hebben er komaf mee gemaakt. In 1968 waren ze weg. We hebben reuzelol gehad. In alles wat ik later schreef was dat het doorslaggevende punt. Zodra Duitsland het hoofd oprichtte en zei: 'We staan er weer' - denk aan Kohl en Reagan samen bij het Waffen SS-graf in Bitburg - was de lol eraf. Bij de Hereniging van Duitsland rook men: 'Duitsland wordt weer groot.' Ik schreef een hoofdartikel voor Stern onder de titel 'Moeten de Zonies (Oost-Duitsers) blijven waar ze zijn?' Daar stond in dat mijn politieke droom een Europese Vereniging is, en dat een groot-Duitsland mij kan gestolen worden. Twee dagen later werd ik ontslagen. Door Jan Braet