Het schijnt dat ze hem na de opening van de tentoonstelling in triomf hebben rondgedragen. Kunstschilder en schrijver Albert Dasnoy, die de couranten uit de tijd uitploos voor Les beaux jours du romantisme belge, vertelde dat jonge kunstenaars, geconfronteerd met 'het sublieme meesterwerk', moedeloos de armen lieten zakken en de academie vaarwel zegden; want dit kon nooit nog door iemand worden geëvenaard.
...

Het schijnt dat ze hem na de opening van de tentoonstelling in triomf hebben rondgedragen. Kunstschilder en schrijver Albert Dasnoy, die de couranten uit de tijd uitploos voor Les beaux jours du romantisme belge, vertelde dat jonge kunstenaars, geconfronteerd met 'het sublieme meesterwerk', moedeloos de armen lieten zakken en de academie vaarwel zegden; want dit kon nooit nog door iemand worden geëvenaard. Nicaise De Keyser was een wonderkind, ontdekt in zijn geboortedorp Zandvliet, schetsen makend in het mulle zand terwijl hij de koeien van zijn vader hoedde. De vergelijking van De Keyser met de grote Italiaanse meester Giotto, ook een herdersjongen, lag voor de hand.Na z'n triomf op het Brusselse Salon werd De Keyser van het ene banket naar de andere viering geloodst. In Antwerpen sprak François Van Campenhout, de immer luidruchtige componist van de Brabançonne, de feestrede uit. Zijn geboortedorp Zandvliet rolde de praalwagens buiten. Op een ervan werd de Parnassus uitgebeeld, de plek waar de jonge held volgens zijn dorpsgenoten van nu af verblijf hield.Drie jaar eerder had de Antwerpenaar Gustaaf Wappers een soortgelijke opwinding veroorzaakt met zijn Episode uit de Septemberdagen van het jaar 1830, een ode aan de Belgische Omwenteling, vandaag nog te bewonderen in het Brusselse Museum voor Schone Kunsten. Dat viel te begrijpen. 1830 lag de Belg vers in het geheugen. De euforie over de pas verworven onafhankelijkheid was nog lang niet uitgedoofd. Toen De Keyser, drie jaar later, zijn Slag der Gulden Sporen afwerkte, staken de vertegenwoordigers van het neoclassicisme, François Navez en consorten, leerlingen van de oude Franse meester Louis David die zijn laatste levensjaren in Brussel doorbracht, toch weer de kop op zeker! In pamfletten trachtten ze de aanhangers van de romantiek zoals Wappers en De Keyser met hun buitenmaatse historiestukken voor schut te zetten. Prompt repliceerden De Keyser, Wappers en Hendrik Leys, samen met de al wat oudere Eugène Verboeckhoven en Jean-Baptiste Madou, met een manifest waarin ze de Belgische vorst Leopold bezwoeren in geen geval 'in de keuze van kunstwerken de nationale tradities opzij te zetten voor de klassieke kunst die elk nationaal karakter ontbeerde'. Die duidelijke taal viel ten paleize niet in dovemansoren. Niet veel later zou De Keyser van Leopold I een forse subsidie krijgen omdat hij dit epos uit de vaderlandse geschiedenis op briljante wijze in scène had gezet. TWEE TOVERROEDENIn Kortrijk waren ze helemaal van slag toen ze vernamen dat een rijke Engelsman De Keysers meesterwerk had gekocht. De gemeenteraad kwam in spoedzitting bijeen. Er werd onderhandeld met de eigenaar van het doek dat in die dagen, we zijn al in 1839, in Den Haag werd tentoongesteld. De stad kreeg financiële hulp van de Belgische overheid. De koop werd gesloten. In 1841 arriveerde het kunstwerk eindelijk in Kortrijk waar het een vaste plaats kreeg in de Lakenhalle.De Slag der Gulden Sporen werd, jammer genoeg, verwoest tijdens het bombardement van 21 juli 1944 - uitgerekend op de Belgische nationale feestdag. Gelukkig bezit het Kortrijkse Museum voor Schone Kunsten nog altijd de voorstudie van het meesterwerk. Wat ons een idee geeft van de ware omvang van 'het genie' van De Keyser. Voor wie vandaag het schilderij van De Keyser bekijkt, zou het een scène kunnen zijn uit de vermakelijke Gulden Sporenfilm van Hugo Claus. Willem Van Saaftinge (rechts in beeld), de monnik die de graaf van Artois neerstak en in werkelijkheid ook afmaakte, lijkt naar Jan Breydel te roepen: 'Jan, komt er nog wat van!'Achter de opvliegende Willem, die later ook de abt van Ter Doest uit het ondermaanse hielp, zien we een monnik die te midden van het bloedbad devoot de ogen ten hemel richt. Om het tafereel wat pikanter te maken, bracht De Keyser ook enkele marketentsters in beeld. En net als in Wappers' Septemberdagen loopt ook hier een hond die zich niets aantrekt van wat al dat volk om hem heen elkaar aandoet. Neen, we zijn hier ver van het dramatische Vlot van de Medusa van Théodore Géricault of het opzwepende La liberté guidant le peuple van Eugène Delacroix. Maar in 1836 moet De Keysers gigantische Slag der Gulden Sporen een verpletterende indruk hebben gemaakt op al wie het zag. Een van hen was Hendrik Conscience, een jonge schrijver uit Antwerpen, die twee werkjes in het licht had gegeven, In 't wonderjaer en Phantasy, die weinig literaire beroering hadden veroorzaakt. Dat zou nu veranderen. Conscience, amper 24 en al een oud-strijder van de revolutie van 1830, had het onderwerp voor z'n nieuwe roman gevonden: de slag der Gulden Sporen. 'Liefde tot vaderland en tot vrijheid zouden de toverroeden zijn, waarmede ik mijn gewrocht op elke bladzijde zou bezielen en ik twijfelde niet of ditmaal zou het Vlaamse volk dit boek, te zijner ere geschreven, met blijdschap en hoogschatting ontvangen', sprak hij in Geschiedenis mijner jeugd. In 1838 pelde de Antwerpse uitgever-drukker Laurens De Cort de eerste vellen van De Leeuw van Vlaanderen van zijn persen. Tot eerst De Keyser en na hem Conscience het verhaal van de slag op de Groeninger Kouter op 11 juli 1302, elk op hun manier, recycleerden, behoorde de Gulden Sporenslag niet echt tot het collectieve geheugen van de Vlamingen, laat staan van de Belgen. Ook al was het verhaal ruim bekend uit La legende des Flamens, in 1522 in Parijs gepubliceerd, en uit Lodewijk Van Velthems in 1717 verschenen vervolg op de Spiegel historiael van Jacob Van Maerlant. Tegen het einde van de 18de eeuw, na de Brabantse Omwenteling, had de dichtende bakker uit Wakken, Pieter de Borchgrave, een Ode aen de Vryheid en een lofdicht op De Belgen geschreven waarin hij, bijna terloops, de Brugse helden Jan Breydel en Pieter de Coninck en de slag der Gulden Sporen bezong. Tijdens de Hollandse Tijd had Prudens Van Duyse het epos eens in een vers gegoten. Daar bleef het bij. Zij die het verhaal op het gepaste moment opnieuw onder de aandacht brachten, waren twee West-Vlaamse bibliofielen, de Brugse archivaris en latere diplomaat Joseph Octave Delepierre en de Kortrijkse textielbaas en historicus Jacques Goethals-Vercruysse.ABT GILLES LI MUISISZelfs in 1844, toen de bibliothecaris van de stad Brussel Felix Goethals - geen familie van zijn in 1759 geboren Kortrijkse naamgenoot - in Histoire des Lettres, des sciences et des arts en Belgique een hoofdstuk wijdde aan Gilles Li Muisis, de 14de-eeuwse abt van de Doornikse Sint-Maartensabdij, repte hij met geen woord over diens versie van de slag bij Kortrijk, nochtans een zeldzame eigentijdse getuigenis. Li Muisis had de slag niet zelf meegemaakt. Hij vernam het relaas de avond van 11 juli 1302 van de doodsbange Fransen die voor de gesloten poorten van Doornik toestroomden. Een dag later beefden die Fransen nog zo dat ze niet eens een homp brood naar binnen konden werken. '... quod nullo modo esset credibile omnibus, qui non viderunt - wie het niet zag, kan het niet geloven', zuchtte Li Muisis. Abt Li Muisis, ooit getuige van de plundering van Doornik door de Vlamingen, stond aan de Franse kant. Hijzelf noch de scribent aan wie hij zijn kroniek dicteerde, waren trouwens het Vlaams machtig. Want de woordjes ' scilt en vrient', de code waarmee ze tijdens de Brugse Metten leliaards van klauwaards scheidden, werd door een andere hand en in andere inkt in het manuscript aangebracht. Van die slachting van de Brugse Metten beweerde Li Muisis dat die zo gruwelijk was dat zelfs het Heilig Bloed ervan stolde. TWEE GELEERDE HERENDe kroniek van Li Muisis was al bekend bij Antonius Sanderus, die hem in 1641 vermeldde in zijn Bibliotheca Belgica manuscripta. Maar op het einde van de 18de eeuw verhuisde het stuk uit Doornik naar de bibliotheek van de Antwerpse bisschop Corneille-François Nelis. Tijdens de veiling van diens bibliotheek in april 1806 door de Antwerpse boekhandelaar Hubert Bincken werd het voor 12 frank toegewezen aan Jacques Goethals-Vercruysse. Die zou acht jaar later het verhaal uitwerken in het Jaerboek der stad en oude casselry van Kortryk (1814). In 1834 dan kwam de Gentse bibliothecaris Auguste Voisin voor de dag met zijn Bataille de Courtrai ou des Eperons d'Or, traduit du Flamand de Mr Goethals-Vercruysse'. En die brochure stak Nicaise De Keyser aan om zijn versie van de veldslag te borstelen. Bijna tegelijk met de werkje van Voisin verscheen in Rijsel de Chroniques, traditions et légendes de l'ancienne histoire des Flandres van Joseph Octave Delepierre. Een poging, zo zegt de auteur in zijn voorwoord, om naar het voorbeeld van Romances of history die in Engeland verschenen, de geschiedenis te bloemlezen voor een groter publiek. Over Delepierre, een figuur die overigens geen plaats kreeg in de jongste uitgave van de Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, weten we meer uit zijn biografie door Lori van Biervliet in Handelingen van de Brugse Société d'Emulation. De in 1802 geboren Delepierre, zoon van een Franse ambtenaar die door de republiek naar Brugge was gestuurd, studeerde rechten in Gent. Hij zou al snel de balie verlaten om archivaris van de stad Brugge te worden. En daar zou hij allicht zijn gebleven, mocht hij niet in een conflict verwikkeld zijn geraakt met een lid van de plaatselijke Société d'Emulation 'rond de historische betekenis van de schouw in de Brugse schepenzaal'. Waarna de beledigde Delepierre door zijn vriend Sylvain Van de Weyer, Belgisch ambassadeur in Engeland, naar Londen werd gehaald, eerst als diens secretaris, later als consul. Delepierre, die in 1879 in Londen overleed, was een van die 19de-eeuwse erudiete veelschrijvers, lid van genootschappen en academiën. Hendrik Conscience noemde hem in Geschiedenis mijner jeugd dan ook terecht 'de geleerde heer Delepierre'. Het was immers de Bruggeling die Conscience, eveneens de zoon van een Fransman, z'n Franse vertaling van de kronieken van Li Muisis voorlegde en de romanschrijver voorzag van de nodige historische achtergronden en inkleuringen. Het was ook Delepierre, zo getuigde Conscience, die hem de titel 'De Leeuw van Vlaanderen' aanreikte.SUBSIDIES VAN LEOPOLD IDelepierre was in de toelichting bij zijn vertaling van Li Muisis erg duidelijk geweest: de uitgaven van de oude kronieken moesten bij de lezers 'een heus nationaliteitsgevoelen en burgerzin' aanwakkeren.Dat gold ook bij Goethals-Vercruysse. Ferdinand Snellaert zei van hem dat hij 'bij zijn land- en vooral bij zijn stadsgenoten het heilig vuur voor den geboortegrond had doen herleven'. 'Zelfs onder het geweld des vreemden dwingelands Bonaparte, wilde hij toch beproeven bij zijne land- en stadsgenoten het vaderlandsch gevoel op te wekken', schreef een andere biograaf.België was amper onafhankelijk. Het Belgische gevoelen was nog wankel. Sommigen, orangisten, ijverden nog steeds voor de terugkeer van de Hollandse koning Willem, of van diens zoon. De kersverse Belgische koning Leopold I was zich bewust van het probleem en deelde gul subsidies uit aan al wie de vaderlandsliefde aanscherpte.Daarom was twee jaar voor de triomf van De Keyser de fors gesubsidieerde Commission Royale d'Histoire in leven geroepen. De commissie - waarvan later de drie hoofdstokers van het Belgische vuur, Godefroid Kurth, Henri Pirenne en Guillaume Des Marez, deel uitmaakten - had als taak alle onuitgegeven, veelal Vlaamse kronieken uit de vaderlandse geschiedenis voor het grote publiek te brengen. Een onderdeel daarvan was het Corpus Chronicorum Flandriae bijeengebracht door de onvermoeibare kanunnik Jean-Joseph De Smet, die in 1837 voor het eerst de Annales gandensis, met de oudste pro-Vlaamse versie van 1302, in druk gaf. En het klopt dat in de jaren volgend op de omwenteling van 1830 het Belgische nationale gevoelen vooral in Vlaanderen openbloeide. Zelfs een echte taalflamingant als Jan Frans Willems, orangist van inborst, zette een demper op z'n geschriften. Hij werkte in 1839 met de Commission Royale d'Histoire aan de uitgave van de Brabantsche Yeesten, waaruit Hippoliet Van Peene later, in 1845, zijn inspiratie voor de Vlaamse Leeuw putte. In 1834 schreven een dertigtal enthousiaste Vlaamse dichters zich in voor een wedstrijd om de hoogste verheerlijking van de Belgische onafhankelijkheid. Vlamingen weigerden zelfs met de Nederlanders samen te werken in de commissie voor de nieuwe Nederlandse spelling. De Vlamingen voelden zich de echte Belgen en dachten dat de strijd voor de eigen taal het beste middel was om de jonge staat te behoeden voor een Franse inlijving - in die jaren nog een reëel gevaar. Wat de Franse pers dan weer een aanleiding gaf om de jonge Vlaamse Beweging voor te stellen als een instrument van de op aanhechting van België beluste Pruisen.Maar op de duur begrepen ook die Vlamingen dat de Belgische overheid wel bereid was de Vlaamse letteren te steunen, maar niet om wat dan ook te veranderen aan het taalgebruik in het gerecht of in het onderwijs.EEN WAARSCHUWINGEr is de jongste jaren wat af gekeuveld over de wijzigingen die Conscience ondanks zijn liberale gezindte had aangebracht in sommige van zijn werken, ook in De Leeuw van Vlaanderen, kwestie van de katholieke milieus niet te schofferen. Want die konden zijn boeken uit de leesbibliotheken weren. Dat gebeurde bij 19de-eeuwse literati wel meer. Had Charles Dickens, op aanraden van zijn collega Edward Bulwer-Lytton, niet het neerslachtige einde van Great Expectations gewijzigd, kwestie van de lezer niet te ontmoedigen? Belangrijker voor dit verhaal was de weglating in de latere uitgaven van het voorwoord bij de eerste editie van De Leeuw van Vlaanderen. Een strijdbaar stuk proza, waarin Conscience, de koning buiten het gewoel latend, waarschuwt: 'Het staatsbestuur spant zich in om het verschil tussen de twee delen van het land te doen verdwijnen. Het middel is de verfransing. (...) Indien het staatsbestuur dan toch een versmelting wil, dat men dan de meerderheid van de natie ervan tot grondslag neme! Of dat men elk het zijne late! ' Dat laatste was een waarschuwing die niet op een koude plaat viel. De historicus-antropoloog en latere rector van de Université Libre de Bruxelles en liberaal kamerlid en burgemeester van Ukkel, Leon Vanderkindere, een aanhanger van de Vlaamse Beweging, zou in 1868 als van de eersten beginnen over een mogelijke heropdeling van België, door de aanhechting van Vlaanderen bij het pas herenigde Duitsland. En dat er hard werd gewerkt op de vraag of Vlamingen en Walen nu echt twee gescheiden rassen waren, zoals Leon Vanderkindere volhield, mag blijken uit Les indices céphaliques des flamands et des wallons van Emile Houzé die, na talloze schedelmetingen, vaststelde - samen met Vanderkindere - dat de Vlamingen van oorsprong Germanen waren en de Walen afstamden van de Kelten. Waarna behalve de taal ook andere licht ontvlambare elementen als ras, bloed en bodem in het communautaire debat gemengd geraakten. In 1847 was Conscience, zeer tegen de zin van de liberale kopman Charles Rogier, benoemd tot huisleraar Nederlands van de koninklijke prinsjes. Maar - en dat deed de auteur meer pijn dan hij ooit toegaf - een les heeft hij nooit gegeven. Met de bekende gevolgen. In 1887 bij de inhuldiging in Brugge van het standbeeld van Breydel en De Coninck, hield Leopold II zijn toespraak in het Frans. Wat in Vlaamse kringen zo'n opschudding veroorzaakte dat prins Boudewijn, de populaire zoon van de graaf van Vlaanderen die enkele jaren later schielijk overleed, een dag later de oefening kwam overdoen 'in 't Vlaams'.In 1902 nog zouden de Brugse kanunnik Adolf Duclos, architect van historische stoeten en vieringen, en de historicus Guillaume Des Marez ter gelegenheid van de 600ste verjaardag van de Gulden Sporenslag het publiek aanmanen om de feestdag vooral niet als een Vlaamse hoogdag te vieren. Zo schreef Des Marez, 'dat ze dit vieren los van elke gedachte aan een Vlaams vaderland, van religie, taal of haat tegen Frankrijk. Dat de Vlamingen trots zijn op hun triomf bij Kortrijk, want door de Franse ketens te breken hebben ze dit koninkrijk, dit vaderland België, onze glorie en trots, mogelijk gemaakt.'Des Marez en Duclos liepen achterop. Wat Gilbert K. Chesterton zei van Charles Dickens - net als Conscience geboren in 1812 - kan gelden voor de auteur van De Leeuw van Vlaanderen: 'Hij deed, wat misschien geen enkele staatsman ooit werkelijk gedaan heeft; hij riep het volk op.' Alleen door het zijn boeken te laten lezen, en vooral dat ene, De Leeuw van Vlaanderen. Ook al is dat vandaag, zoals Eugène De Bock ooit opmerkte, een gewoon jongensboek, zoals Don Quichotte en Moby Dick. Conscience mocht dan in zijn nationalistische roman - want dat was het wel - waarheid en epische verdichting door elkaar halen, hij had bij zijn Vlaamse lezers wel erg gevoelige snaren geraakt. En dat was zijn bedoeling altijd geweest.In 1912, bij de viering van zijn 100ste geboortedag, herinnerde Karel Van de Woestijne aan de brief die Conscience in 1881 schreef aan zijn Nederlandse collega Nicolaas Beets na het uitbundige feest rond de publicatie van zijn 100ste boekdeel: 'Heb ik deze hulde enigszins verdiend, dan is het slechts door het nagejaagde doel...niet door de verdiensten van het geleverde. Ik had, met het oog op de toestand van het Vlaamse volk, aan vele andere eisen dan die der hogere esthetiek te beantwoorden, en heb, als kunstenaar, daartoe vele opofferingen gedaan.'Misschien dacht Conscience bij het schrijven van de brief aan Beets even aan Charles De Coster, de schrijver van dat andere boek 'moeder Vlaanderen ter ere', La légende d'Ulenspiegel, in tegenstelling tot De Leeuw van Vlaanderen een literair meesterwerk. Er bestaat geen enkele aanwijzing dat Conscience zijn Franstalige Brusselse stadsgenoot ooit heeft onmoet. Al stapte hij op 19 mei 1879, na diens begrafenis, in het comité dat het werk van de miskende De Coster onder de aandacht zou brengen. Toch zou het nog tot 1896 duren voor de Uilenspiegel, met z'n felle anti-klerikale opflakkeringen, een Nederlandse vertaling kreeg. Rik Van CauwelaertIn 1836 moet De Keysers gigantische 'Slag der Gulden Sporen' een verpletterende indruk hebben gemaakt op al wie het zag.