Op 14 februari 2002 zal het Internationaal Gerechtshof in Den Haag zich uitspreken over twee aspecten van de inmiddels beruchte wetten (van 1993 en 1999) die het Belgische gerecht in staat stellen oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de menselijkheid te bestraffen, zelfs als die door buitenlanders in het buitenland gepleegd zijn. Het oordeel van Den Haag, dat wordt gevraagd door de staat Congo naar aanleiding van de aanklacht tegen de intussen overleden Congolese president Laurent Désiré Kabila en zijn medest...

Op 14 februari 2002 zal het Internationaal Gerechtshof in Den Haag zich uitspreken over twee aspecten van de inmiddels beruchte wetten (van 1993 en 1999) die het Belgische gerecht in staat stellen oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de menselijkheid te bestraffen, zelfs als die door buitenlanders in het buitenland gepleegd zijn. Het oordeel van Den Haag, dat wordt gevraagd door de staat Congo naar aanleiding van de aanklacht tegen de intussen overleden Congolese president Laurent Désiré Kabila en zijn medestanders, onder wie ex-minister van Buitenlandse Zaken Ndombasi Abdulaye Yerodia, is vanzelfsprekend belangrijk voor soortgelijke zaken die bij de Brusselse rechtbank aanhangig zijn gemaakt. Een daarvan is de aanklacht tegen Israëlisch premier Ariel Sharon. Die wordt beschuldigd van medeplichtigheid aan de slachtingen die Libanese milities in september 1982 hebben aangericht in de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Chatilla.Zestien rechters, onder wie ad-hocrechter professor Chris Van den Wyngaert (UIA), moeten in Den Haag twee cruciale vragen beantwoorden. Zijn de Belgische wetten van 1993 en 1999 overal en op iedereen van toepassing? En kan iemand als minister - zoals Yerodia destijds - enige onschendbaarheid inroepen om aan het Belgische gerecht te ontsnappen? Als het Internationaal Gerechtshof in Den Haag nu oordeelt dat de wetten van 1993 en 1999 altijd en overal van toepassing zijn, kan Yerodia geen onschendbaarheid inroepen; noch op het ogenblik van de feiten noch op het ogenblik van de vervolging. En dan zal de Brusselse Kamer van Inbeschuldigingstelling op 6 maart het gerechtelijk onderzoek tegen Sharon nog moeilijk kunnen afblazen. Als Den Haag daarentegen oordeelt dat staatshoofden en regeringsleiders weliswaar niet krachtens de Belgische wet en de internationale verdragen, maar wel krachtens het internationaal gewoonterecht van onschendbaarheid genieten tegenover een buitenlandse rechtsorde, dan kan Brussel het eeuwenoude ius gentium en vooral het cynisme van de diplomatie onderschrijven. Want zoals premier Jean-Luc Dehaene (CVP/CD&V) Yerodia in november 1998 nog ontving toen de klacht hem al boven het hoofd hing, zo heeft ook minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel (PRL) zijn Congolese collega nog op 17 juni 2000 ontvangen, toen Brussels onderzoeksrechter Damien Vandermeersch het internationaal arrestatiebevel tegen Yerodia al had uitgevaardigd. Sinds het midden van april 2001 is Ndombasi Yerodia evenwel geen minister meer. Sinds het midden van juni 2001 is Ariel Sharon wel premier van Israël. En dat scheelt.Frank De Moor