Akram Zaatari was zestien in 1982. Vanuit zijn ouderlijke huis maakte hij foto's van het bombardement door Israëlische gevechtsvliegtuigen op Sidon, zijn geboortestad in Libanon. Het gerucht ging dat een van de piloten zijn bommen opzettelijk in zee zou hebben gedropt in plaats van op een school. Bijna dertig jaar later hoorde Zaatari dat het verhaal waar was.
...

Akram Zaatari was zestien in 1982. Vanuit zijn ouderlijke huis maakte hij foto's van het bombardement door Israëlische gevechtsvliegtuigen op Sidon, zijn geboortestad in Libanon. Het gerucht ging dat een van de piloten zijn bommen opzettelijk in zee zou hebben gedropt in plaats van op een school. Bijna dertig jaar later hoorde Zaatari dat het verhaal waar was. Piloot Hagai Tamir, architect van opleiding, getuigde toen dat hij vanuit de lucht had herkend dat het opgegeven doelwit in de omgeving van het Palestijnse vluchtelingenkamp Ain el Mir alleen een ziekenhuis of een school kon zijn, en geen bolwerk van de Palestijne Bevrijdingsorganisatie PLO. En Tamir had nog een reden om zijn opdracht te weigeren. Op de vraag waarom hij uitgerekend bij de luchtmacht had gediend, antwoordde de man dat hij wilde weten welk gevoel het gaf om een vogel te zijn. De piloot na hem kende dat gevoel niet, en voerde het bombardement uit in zijn plaats. Akram Zaatari zag in dat verhaal stof voor een film, die ook mooi paste bij wat hij zelf vanaf het balkon van zijn ouderlijke huis had gezien en vastgelegd. In de HD-video Letter to a Refusing Pilot (2013) dienen papieren vliegtuigjes als centrale metafoor. Door enkele schooljongens uit Sidon gevouwen en vanaf een dak boven de stad gelanceerd, zijn ze onmiskenbaar vredesvliegtuigen of -duiven, in de geest evenwaardig aan de vogeldroom van gevechtspiloot Hagai Tamir. Letter to a Refusing Pilot, de Libanese bijdrage aan de Biënnale van Venetië afgelopen zomer, is samen met twee andere films van Zaatari te zien in het Brusselse kunstencentrum Wiels. De toeschouwer, die vanaf een van de schaarse over de zaal verspreide zitblokken de actie op het grote scherm volgt, hoort in zijn nek het geratel van een oud afspeelapparaat, gericht op een kleiner scherm achter hem. Hij kan zich omdraaien, plaatsnemen in de enige stoel die daar staat - een antieke kappersstoel, of is het toch een cinemafauteuil van vroeger? - en kijken naar een 16mm-filmloop. De vredige rust van een groene helling met witte flats in aanbouw en cipressen, geregeld onderbroken door rook van bomexplosies. Omdat ze onhoorbaar zijn, lijken ze meer theater dan werkelijkheid (misschien ook omdat ze, net als de bommen van Hagai Tamir, achter de heuvel en de huizen in zee terechtkwamen?). De weigering van een piloot wordt de weigering om de oorlog in het algemeen te aanvaarden. Zaatari is er niet op uit om algemene politieke analyses te maken, ondanks een onmiskenbaar documentaire trek in zijn aanpak. Door de abrupte beeldmontage, echo van de versnippering van Libanon, lijkt het alsof hij ook zijn persoonlijke herinnering als een puzzel opnieuw moet samenstellen. Hij behelpt zich daarbij met foto's, dagboeknotities, berichten op het internet, tekeningen en ook muziek, zoals Comment te dire adieu (1968) van Françoise Hardy, een van de chansons die in Libanon als vroegere Franse kolonie makkelijk werden meegezongen. Er zijn ook verwijzingen naar de Franse literatuur: Lettres à un ami allemand, de oorlogskronieken van Albert Camus, en Le petit prince van schrijver-piloot Antoine de Saint-Exupéry inspireerden Zaatari voor zijn Letter to a Refusing Pilot.Oog en respect voor civiele architectuur, en voor de mensen die erin verblijven, deelt Akram Zaatari met de door zijn geweten bezwaarde piloot. In 1989 behaalde hij een diploma van bachelor in de architectuur aan de American University in Beiroet. Voor een optimale filmische beleving van Letter to a Refusing Pilot creëerde hij in Wiels een precies gekalibreerde ruimte, inclusief de oriëntatie van de props - de 16mm-filmloop is letterlijk en figuurlijk achter de rug: de explosie die ze te zien geeft, speelt in de verleden tijd, op 6 juni 1982 in Sidon om precies te zijn. In zijn omgang met beeldmateriaal vindt de kunstenaar parallellen met het werk van een archivaris en een archeoloog. Hier hangt een politiek aspect aan vast. De door Zaatari mee opgerichte Arab Image Foundation (AIF) in Beiroet bewaart al het Arabische foto- en beeldmateriaal dat niet door een oriëntalistisch perspectief is gekleurd, hoewel de confrontatie Oost-West er best wel gedocumenteerd is. Dat archief telt al zowat 600.000 beelden, waarvan sommige zo diep weggeborgen zaten dat ze bij wijze van spreken moesten worden ontgraven. Al wat gevonden is, kan worden ingepast in de mentale geografie van de Oriënt, van Libanon en van Zaatari zelf. In dat opzicht is zijn film This Day (2003) relevant. Ook hiervoor richtte hij in Wiels een cinemazaaltje in, eenvoudiger dan het eerste. This Day begint met de woestijn aan de ene en de Middellandse Zee aan de andere kant. Beide geografische gebieden worden bevaren, het ene door schepen, het andere door kamelen ('het schip van de woestijn'). Schippers en bedoeïenen trekken zich weinig van grenzen aan, het bestaan van nomaden is niets zonder het gevoel van oneindigheid. Toen zij, en met hen hun levenswijze, na de val van het Ottomaanse rijk snel en grondig waren teruggedrongen, struikelde het Midden-Oosten - met dank aan de koloniale machten - over de grenzen, de ene al willekeuriger getrokken dan de andere. Zaatari drong met de wagen door tot in de Syrische woestijn om een kamelendrijver te filmen. Bedoeïen Abu Saad deed wat verlegen tegenover de opdringerige camera, maar gaf toch vooral een stralende en onbezorgde indruk uit een ander tijdperk. Oude foto's van de Armeens-Libanese fotograaf Manoug, door professor Jibrail Jabbur al gebruikt in zijn omvattende studie The Bedouins and the Desert (1988), laste Zaatari in als nostalgische collage-elementen, een marionettentheatertje met kamelen en bedoeïnenvrouwen met enorme kruiken op het hoofd. Gauw genoeg belandt This Day van een oneindige rust in een constant gestoorde belevingstijd: het nieuwe nomadisme bindt met terreinwagens, taxi's, bussen en vliegtuigen de strijd aan tegen de dreigende verlamming door talloos veel checkpoints, raids, explosies en aanslagen, stoïcijns gecapteerd met alle beschikbare media. Zonder uitzicht op een gelukkig einde of zelfs maar een verhelderend inzicht. Toch verliest de nomadische kunstenaar, beelden en geluiden van het leven sprokkelend, nooit zijn poëtische kern. Op de rit vanaf een echt of gedroomd Bagdad Café in de woestijn naar de hoofdstad Beiroet in de regen, weerklinken zowel alarmsirenes als de tonen van Abba (Lay All Your Love on Me) op een radio tussen de bouwwerven aan de kust, terwijl een stem off-screen de defilerende locaties opnoemt. Verdun, Sabra en Shatila, Nationaal Stadion, luchthaven, Kuweit Stadion, Unesco, Shatila Café, de nieuwe vuurtoren. 'In oorlogstijd veranderen de songs', noteert iemand, terwijl verzetsliederen worden aangeheven. 'Houd de wapens in de aanslag', 'We zijn niet bang om te sterven'. Zonder preken nadert de film zijn politieke kern: het Palestijnse verzet, zijn aanwezigheid en aanhang in Libanon. De zwart-witfoto's van jonge mannen, individueel geportretteerd in gevechtsuitrusting en met zware geweren in hun handen, komen uit de studio's van Hashem El Madani in Sidon, die al sinds de jaren 1950 het lokale leven documenteert en wiens materiaal door Zaatari in het archief van de AIF is ondergebracht. De jonge verzetsstrijders kwamen voor hun portretfoto, en lieten vanaf 1970 hun baard groeien ten teken van rouw voor de Egyptische president Gamal Abdel Nasser, vereerde held van het Arabische nationalisme. Akram Zaatari, This Day at Ten, in Wiels, Van Volxemlaan 354, 1190 Brussel. Tot 27 april. DOOR JAN BRAET