Wie 'Eerste Wereldoorlog' zegt, denkt spontaan aan de Westhoek en de loopgraven. Maar de grote terreur in de maanden daarvóór, de (na)zomer van 1914, wordt schromelijk vergeten. Misjoe Verleyen en Marc De Meyer brengen daar verandering in met hun boek Augustus 1914. België op de vlucht.
...

Wie 'Eerste Wereldoorlog' zegt, denkt spontaan aan de Westhoek en de loopgraven. Maar de grote terreur in de maanden daarvóór, de (na)zomer van 1914, wordt schromelijk vergeten. Misjoe Verleyen en Marc De Meyer brengen daar verandering in met hun boek Augustus 1914. België op de vlucht. Misjoe Verleyen: We hebben ons volledig gebaseerd op bronnen uit de eerste drie maanden van de oorlog: dagboeken, logboeken van de Duitse regimenten, officiële rapporten. Toen wist nog niemand hoe de oorlog zou eindigen, dus zitten er ook geen gekleurde herinneringen bij. In 1915 dachten de Duitsers nog dat zij zouden winnen en ze wilden België helemaal heropbouwen. Ze organiseerden een Architecturaal Congres met cijfers over de schade: in drie maanden tijd waren er in ons land 35.000 woonhuizen verwoest of onbewoonbaar gemaakt, en daar waren de rampgebieden Oost- en West-Vlaanderen niet eens bij gerekend. Die cijfers waren veel nauwkeuriger dan degene die later in hun 'witboek' verschenen, omdat ze daarin alle schuld afwezen. Verleyen: Die verhalen kwamen vooral van vluchtelingen: mensen die vaak niet konden lezen of schrijven. Hoe konden zij hun belevenissen bijhouden? Tijdens die eerste maanden gelóófden veel andere Belgen hen zelfs niet. Stijn Streuvels dacht dat 'de Duitsers - echt als schoolmeesters - een wreed behagen scheppen om weerloze mensen bang te maken door zotte bedreigingen'. En Ernest Claes had het over 'massahysterie'. De Duitsers stonden bekend als een beschaafd volk van dichters en denkers, zij zouden toch niet zomaar burgers neerknallen en honderden vrouwen verkrachten? En ook na de oorlog kregen de vluchtelingen het hard te verduren. Ze werden beschouwd als profiteurs, die de echte ellende van het bezette België niet hadden meegemaakt. Zo zijn de meeste van hun verhalen tussen de plooien van de geschiedenis gevallen. Verleyen: Onze buurlanden - Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk - hebben massa's mensen opgevangen, maar ze deden dat wel heel klassenbewust: je had 'bruikbare' en 'onbruikbare' vluchtelingen. Wie geen geld had en niet kon werken, kwam in grote opvangkampen terecht. Ook de taal- en cultuurverschillen waren problematisch. De Nederlanders waren bijvoorbeeld boos omdat de Belgen hun erwtensoep niet lustten. Als vluchteling moest je dus vooral heel dankbaar en nederig zijn. Aanvankelijk stond het wel heel chic om een vluchteling in huis te halen, sommige Britse dorpelingen waren zelfs kwaad omdat zij er nog geen hadden. Maar toen wisten ze natuurlijk niet dat de oorlog jaren zou aanslepen. Na enkele maanden was de liefde meestal over. Stel je maar eens voor dat je vandaag een gezin depressieve Tsjetsjenen in huis zou hebben, die geen Nederlands spreken en heel andere gewoontes hebben: dat is op termijn helaas niet houdbaar. Misjoe Verleyen en Marc De Meyer, Augustus 1914. België op de vlucht, Manteau, 272 blz., 19,95 euro.DOOR STEFANIE VAN DEN BROECK'De vluchtelingen werden beschouwd als pro?teurs die de echte ellende van het bezette België niet hadden meegemaakt.'