De kans is klein dat er in de Vlaamse redactiekamers veel is gelachen, vorige week. De totale oplage van de kranten in Vlaanderen is over het voorbije jaar, zo bleek, opnieuw flink gedaald. Er worden nu ruim minder dan een miljoen exemplaren per dag verkocht. Vlamingen zijn geen lezers, dat kan elke boekhandelaar vertellen.
...

De kans is klein dat er in de Vlaamse redactiekamers veel is gelachen, vorige week. De totale oplage van de kranten in Vlaanderen is over het voorbije jaar, zo bleek, opnieuw flink gedaald. Er worden nu ruim minder dan een miljoen exemplaren per dag verkocht. Vlamingen zijn geen lezers, dat kan elke boekhandelaar vertellen. Kranten worden sinds een aantal jaren beschouwd als economische producten zoals alle andere. Ze worden ook zo behandeld: er hoort winst te worden gemaakt. Er zijn kranten die elkaar de voorbije jaren bijna dood hebben geconcurreerd met bijlagen en supplementen allerhande. In werkelijkheid zijn kranten in Vlaanderen kasplantjes. Ze werken op een hele kleine markt. Ze moeten met zijn allen overleven van 5,5 miljoen mensen, die dan nog niet bepaald gretig naar hun producten grijpen. Dat is zo ongeveer de bevolking van Parijs, het is de helft van New York. De omvang van die markt zegt niet alleen iets over de oplage die een krant kan halen, ze maakt ook uit hoeveel er voor een advertentie kan worden gefactureerd. En dus tegelijk met hoeveel redacteuren er aan de krant kan worden gewerkt. Toch moet op die kleine markt een waaier van opinies kunnen overleven. Dat is niet eenvoudig. Het belangrijkste wapen waarover media in het algemeen beschikken, is hun geloofwaardigheid. Niemand koopt een blad waarvan op voorhand bekend is, dat wat er staat niet klopt. In hun drang om te scoren, zijn sommige Vlaamse bladen op een zeker ogenblik slordig met die geloofwaardigheid omgesprongen. Ze moeten daarvoor bij zichzelf te rade gaan. In ieder geval moeten journalisten zich ook durven afvragen waarom ze in veel gevallen niet meer worden gerespecteerd. Niet door de omgeving waarin ze werken, maar ook niet door hun lezers. Vorige week is oud-journalist Flip Voets aangesteld als secretaris-generaal van de Raad voor de Journalistiek, die mee voor een opbouw van credibiliteit van de media in de ogen van het publiek moet zorgen. De installatie van die raad heeft te lang op zich laten wachten. Dat was mee een gevolg van de opstelling van de VRT, een overheidsinstelling. Het vorige management van de VRT was op een zeker ogenblik als het ware verblind door de concurrentiestrijd die het met VTM en de mediagroepen daarachter meende te moeten voeren. Die houding verhinderde dat de Raad voor de Journalistiek sneller op een zo breed mogelijk veld actief kon worden. Dat wil zeggen: ook met de medewerking van de VRT, die onmiskenbaar een gigantische rol speelt in de verspreiding van informatie in Vlaanderen. De cijfers die vorige week werden bekendgemaakt, geven ook aan hoe potsierlijk de discussie was, die toenmalig VRT-baas Bert De Graeve begin dit jaar nog aanzwengelde. Hij wou wettelijk laten vastleggen hoeveel uitgevers uit bepaalde sectoren van de markt mochten halen. Een systeem dat, volgens hem, bijvoorbeeld in Italië naar behoren werkt. In feite wou hij gewoon De Persgroep van Christian Van Thillo en Roularta Media Group (uitgever van onder andere Knack), de aandeelhouders van VTM, treffen. Zelf had hij trouwens enige moeite om zich te houden aan de regels die in zijn, nochtans riante, beheerscontract met de overheid zijn vastgelegd. Het is nog maar de vraag of de overheid überhaupt geld uit de markt moet halen, dat de privésector goed kan gebruiken om zijn producten in stand te houden. De dames en heren van de mediacommissie in het Vlaamse parlement houden zich dat beter goed voor ogen, als ze binnenkort moord en brand schreeuwen over een verdere verschraling van de opiniepers in Vlaanderen. Hubert van Humbeeck