Dat waarnemers van het politieke leven het geregeld niet met elkaar eens zijn, is niet ongewoon. Dat politieke wetenschappers elkaar in de kranten te lijf gaan, blijft zeldzaam. Zo ontspint er zich tegenwoordig een nijdige discussie tussen de prima donna's Luc Huyse van de Katholieke Universiteit Leuven en Marc Elchardus van de Vrije Universiteit Brussel. Huyse imponeert al langer met gedegen en vaak verrassende analyses, die hij neerschreef in boeken die soms bestsellers werden. De studies van de Brusselse onderzoeksgroep van Elchardus worden van langsom meer met aandacht gevolgd. Beide heren zijn geen kamergeleerden, ze gaan meer dan op hun beurt de discussie aan met de samenleving die ze bestuderen.
...

Dat waarnemers van het politieke leven het geregeld niet met elkaar eens zijn, is niet ongewoon. Dat politieke wetenschappers elkaar in de kranten te lijf gaan, blijft zeldzaam. Zo ontspint er zich tegenwoordig een nijdige discussie tussen de prima donna's Luc Huyse van de Katholieke Universiteit Leuven en Marc Elchardus van de Vrije Universiteit Brussel. Huyse imponeert al langer met gedegen en vaak verrassende analyses, die hij neerschreef in boeken die soms bestsellers werden. De studies van de Brusselse onderzoeksgroep van Elchardus worden van langsom meer met aandacht gevolgd. Beide heren zijn geen kamergeleerden, ze gaan meer dan op hun beurt de discussie aan met de samenleving die ze bestuderen. En dus ook met elkaar. Aanleiding tot de woordenstrijd is een verschillende kijk op het belang van verkiezingen, en de rol die het stemhokje kan spelen om politici voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen. Volgens Elchardus vormt het rode bolletje de ultieme toetssteen; Huyse gaat ervan uit dat de politieke wereld veel complexer in elkaar zit en dat de kiezer nooit kan weten waarvoor of waartegen hij nu precies heeft gestemd. De standpunten laten zich wellicht niet in zo'n zinnetje vatten. Desalniettemin. De Leuvense rechtssocioloog toonde vroeger in zijn analyse van de verzuiling in Vlaanderen aan hoe de achterkant van de politiek vaak bepaalt wat er aan de voorkant gebeurt. Recent wijst hij er geregeld op dat de rol van, bijvoorbeeld, ondernemers, magistraten en media in de beleidsbepaling belangrijker is geworden dan die van politici in het algemeen, en het parlement in het bijzonder. Het halfrond als een schimmenspel, een laterna magika waarvan niemand ziet wie de schaduw werpt. Het is waar dat de democratie vaak omwegen gebruikt, en zich dezer dagen alweer niet van haar fraaiste zijde toont. De slag om de beste plaatsen op de lijsten, die als een match met winnaars en verliezers in de kranten kan worden gevolgd, is in volle gang. Het zet niet aan om zich straks, op 13 juni 1999, in de ochtendlijke vroegte naar het kieslokaal te spoeden. Het lijkt dat het tegen die tijd allemaal zal zijn uitgemaakt en beslist - de moedeloze burger zou kunnen voorstellen om die vervelende fase vast over te slaan. Ook de VLD, die toch enkele interessante voorstellen heeft om de kiezer meer inspraak te geven, speelt het spel enthousiast mee. Het beeld dat zo wordt geschapen, lijkt de conclusie in het betoog van Luc Huyse te bevestigen, dat verkiezingen er per slot van rekening niet zoveel toe doen. Dat ze bijlange niet het moment bij uitstek zijn waarop politici voor hun verantwoordelijkheid worden geplaatst. Het is inderdaad behoorlijk moeilijk om één bepaalde partij het wanbeleid ten aanzien van justitie in de jaren tachtig aan te wrijven, dat tijdens deze legislatuur zo akelig kwam bovendrijven.Toch is dat beeld ook niet volledig; er is ook aan die observatie een andere kant. Antwerpen, bijvoorbeeld, wordt sinds vier jaar bestuurd door een coalitie van vijf partijen - noodgedwongen verbonden in een verstandshuwelijk omdat het Vlaams Blok daar bij verkiezingen bijna dertig procent van de stemmen haalde. Diezelfde partij kan de zwakte van de hele Brusselse constructie volgend jaar messcherp aantonen, door een overwinning in die stad. De vaststelling van Huyse klopt, dat de CVP in veertig jaar tijd de helft van haar kiezers verloor maar het toch overal nog altijd voor het zeggen heeft. Met dit verschil dat er toen geen alternatief was, nu wel. Dat daar alsnog niets is mee gebeurd, maakt verkiezingen daarom niet zinloos. Dat was zeker ook niet wat Luc Huyse bedoelde. Zoals Marc Elchardus ook wel weet dat niet alle kandidaten gelijk aan de start van een campagne komen. Het democratisch deficit is een begrip dat in verband met de Europese eenmaking soms wordt gebruikt om aan te geven dat de burger in die hele, ingrijpende constructie nooit om zijn mening wordt gevraagd. Dat wil niet zeggen dat er geen democratie is, er is er alleen te weinig van. Wat leidt tot deze bedenking. Een geruststelling in verband met dat gedoe van Bekende Vlamingen als stemmenronselaars, is dat ze kunnen proberen te regelen wat ze willen. Ook zij weten tenslotte nooit. Zekerheid kunnen ze nog altijdalleen op 13 juni krijgen. Die nuancehad Huyse in zijn betoog kunnen inbouwen.Hubert van Humbeeck