De Rwandacommissie in de Senaat is tot een echte onderzoekscommissie omgevormd. In legerkringen neemt de zenuwachtigheid toe.
...

De Rwandacommissie in de Senaat is tot een echte onderzoekscommissie omgevormd. In legerkringen neemt de zenuwachtigheid toe.Zijn confrontatie met gewezen legerstafchef José Charlier, eind april voor de Rwandacommissie in de Senaat, had volgens een aantal commissieleden moeten uitdraaien op de definitieve ontmaskering van gewezen defensieminister Leo Delcroix (CVP). Die confrontatie en de verdere werkzaamheden van de commissie dreigen nu vooral de Belgische legertop zuur op te breken. Want die legertop was, zo blijkt uit gesprekken, in zijn getuigenissen voor de Rwandacommissie veeleer spaarzaam met de waarheid. Te beginnen met gewezen stafchef Charlier, die volhield dat hij het eind 1993 nooit eens was geweest met het sturen van slechts 450 man naar Rwanda. Sommige commissieleden, die naderhand door Delcroix met de vinger werden gewezen, lieten na een getuigenis achter gesloten deuren uitlekken dat de defensieminister die bezwaren van Charlier nooit aan de regering had voorgelegd. Pronto legde Delcroix een brief voor van Charlier, gedateerd op 12 november 1993, waarin die erop aandrong minstens 442 man uit te sturen. Kwestie van de leiding van de militiaire VN-operatie in en rond Kigali te kunnen opeisen een streven van de legerleiding waarvan de regering destijds in geen geval wou horen. De veiligheid van zijn manschappen kwam in Charliers brief niet ter sprake. Zo speelde het geheugen van de gewezen stafchef hem weer parten in verband met de herhaaldelijke vragen vanuit Kigali om zwaardere munitie voor de para's. De aanvragen kwamen van kolonel Luc Marchal, destijds VN-bevelhebber in Kigali. Maar volgens Charlier had Marchal alleen maar ?de intentie? geuit om die vraag voor te leggen. Sterker nog : hij beweerde pas in maart 1994 de vraag van kolonel Marchal te hebben opgevangen. Inmiddels blijkt uit officiële documenten, zoals het rapport van majoor Jean-Pierre Guérin van eind januari 1994, en de briefwisseling tussen Marchal en de VN-bevelvoerder in Rwanda, de Canadese generaal Romeo Dallaire, dat Charlier voor de Senaatscommissie de waarheid meermaals heeft gemaquilleerd. Het onderzoek naar de politieke en militaire puinhoop die de Belgen in april 1994 in Ruanda aanrichtten, dreigt nu voor de legerstaf minstens even pijnlijk, zoniet pijnlijker te worden, dan voor de politieke verantwoordelijken. DE GENERALE STAF WERKTE NIET?Het desastreuze Rwanda-avontuur is het gevolg van een samenloop van omstandigheden,? houden sommige Belgische topmilitairen vol. ?Buitenlandse Zaken wou destijds zo snel mogelijk weg uit Somalië, en de legeropdracht in Rwanda was een uitstekend excuus. Generaal Charlier wou na de hervormingen van Delcroix koste wat het kost het nut van het leger aantonen. Delcroix, die niets anders deed dan de CVP-politiek uitvoeren, beschikte dan weer over te weinig militaire feeling. En wellicht zou het bevel tot terugtrekking van de Belgen uit Rwanda, na de dood van de tien para's, nooit zijn gegeven mochten we dat jaar niet voor Europese verkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen hebben gestaan.? Al die elementen worden volgens militairen onvoldoende belicht in de Senaatscommissie, net zoals de manier waarop de generale staf in die dagen functioneerde en de onderlinge relaties van de stafleden. ?De commissie klampt zich vast aan het verslag van Guy Verhofstadt (VLD) als gold het een reddingsboei,? beweert een van de ondervraagde officieren. ?Alles wat niet in dat rapport past, zoals de verklaringen van toenmalig ambassadeur Johan Swinnen, die de berichten over de anti-Belgische sfeer in Kigali gevoelig afzwakte, wordt terzijde gelaten.? ?Het grote probleem is dat de meeste leden van de toenmalige legerstaf onmogelijk de ware toedracht kunnen vertellen zonder zichzelf voor schut te zetten,? zegt een officier die destijds het debacle observeerde. ?In dat licht moeten ook de beschamende getuigenissen van luitenant-generaal Jean Behrin en divisie-admiraal Michel Verhulst worden gelezen. Geen van beide had ook maar iets te vertellen ten tijde van Charlier. Ze werden gewoon aan de kant gelaten. Charlier gedroeg zich als een kleine dictator en liet zich ook in het Rwanda-avontuur alleen door de kolonels Baudouin Briot en Jacques Flament adviseren, en door niemand anders. Iedereen in Evere weet dat Charlier de normale werking van de generale staf verlamde, maar niemand durft dat nu openlijk komen toegeven.? De manier waarop de legerleiding de opdracht in Rwanda aanpakte, wordt nog het best geïllustreerd door getuigenissen die vorig jaar werden afgelegd voor het krijgshof tijdens het proces tegen kolonel Luc Marchal. Daar was sprake van ?een zending zonder militair belang,? van ?vakantiestemming?. Een van de officieren had alvast zijn tennisracket meegenomen naar Kigali. Naderhand is gebleken dat generaal Dallaire meermaals, via Marchal, bij de Belgische legerstaf informeerde naar de aard van de voorbereiding van de paracommando's op hun Rwandese missie. Hij kreeg nooit een antwoord. Allicht omdat de para's geen specifieke voorbereiding kregen. ONDER VN-GEZAGDe omvorming van zogenaamde ad hoc-commissie naar onderzoekscommissie maakt het werk van de Senatoren er niet makkelijker op. Integendeel. De aandrift van enkele commissieleden om, naar het voorbeeld van de Commissie- Dutroux in de Kamer, verantwoordelijkheden aan de muur te spijkeren, koppen te doen rollen, kan voor bijkomende complicaties zorgen. Zowel politieke als juridische. Een eerste obstakel van belang is de blijvende onwetendheid over de ware toedracht omtrent het neerhalen van het Falcon 50 Mystère-vliegtuig, waarbij de Rwandese president Juvénal Habyarimana omkwam, en de mogelijke rol daarin van buitenlandse Franse of Amerikaanse diensten. Zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, is het vrijwel onmogelijk de echte schuldigen voor de dramatische afloop van de Rwandamissie aan te wijzen. Bovendien is het enquêteterrein van de commissie beperkt, want ze kan geen van de verantwoordelijken van de Verenigde Naties horen, laat staan ze met andere getuigen confronteren. Dat is, bijvoorbeeld, het geval voor majoor Peter Maggen die aan de zijde van Dallaire vertoefde op het moment dat de tien Belgische para's werden afgemaakt. Zijn verklaringen vragen om bijkomende uitleg en een confrontatie met Dallaire. Maar in juni 1996 al schreef Kofi Annan, toen nog als adjunct-secretaris-generaal van de VN, naar de Belgische VN-vertegenwoordiger Alex Reyn, dat de vredesoperatie in Rwanda onder VN-gezag was uitgevoerd en dat ze voor alle operaties onder de exclusieve jurisdictie van de VN-secretaris-generaal en die van de militaire bevelhebber in dit geval generaal Dallaire valt. Kofi Annan stuurde die brief naar aanleiding van het proces tegen kolonel Marchal en voegde eraan toe : ?Het uitvoeren van VN-instructies kan in geen geval aanleiding geven tot vervolgingen van VN-personeel. Het zou daarom te betreuren zijn, mocht kolonel Marchal gestraft worden wegens het uitvoeren van de wettelijke bevelen vanwege de Verenigde Naties.? Ondanks deze bezwaren, die door de VN nog steeds worden gehanteerd, meende het krijgshof toch kolonel Marchal te moeten berechten. Al leidde dat proces tot diens vrijspraak over de hele lijn. COLLECTIEF VERANTWOORDELIJKMet de uitspraak van het krijgshof zit de onderzoekscommissie met een bijkomende inperking. Want door zijn vrijspraak kan kolonel Marchal geen tweede keer omwille van dezelfde feiten worden beoordeeld, en zeker niet veroordeeld of gesanctioneerd. Meer zelfs : door die uitspraak van het krijgshof mag de correctheid van Marchals optreden in Rwanda door niemand meer in twijfel worden getrokken. Noch door getuigen zoals aalmoezenier Michel Quertemont, die vorige week op eigen vraag nog eens zijn bijtende kritiek onder meer aan het adres van de kolonel en de andere VN-bevelhebbers kwam spuien, noch door de leden van de onderzoekscommissie. Volgens sommige bronnen zou Marchal commissievoorzitter Frank Swaelen (CVP) op dit probleem hebben gewezen. Na de gebeurtenissen van de afgelopen week rond het al dan niet vastleggen van de politieke verantwoordelijkheid voor de affaire-Dutroux, zullen voorzitter Swaelen en andere commissieleden van de meerderheid hebben begrepen dat het weerwerk van de regering tegen de besluiten van de Commissie-Dutroux veel, zoniet alles vandoen had met wat in de Rwandacommissie te gebeuren staat. Want daar gaat het niet om de verantwoordelijkheid van één of twee ministers, defensieminister Leo Delcroix en toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Willy Claes (SP). Het gaat om de collectieve verantwoordelijkheid van de toenmalige rooms-rode regering voorgezeten door de huidige premier Jean-Luc Deahene (CVP) en de partijen die haar parlementair steunden. Die collectieve verantwoordelijkheid wordt nog onderstreept door het feit dat Leo Delcroix meteen na de moord op de para's ontslag wou nemen als minister van Landsverdediging en dat die intentie hem door premier Dehaene en andere ministers uit het hoofd werd gepraat. Dat zowel de legerstaf als de regering had kunnen weten wat de gevolgen zouden zijn van de terugtrekking van de Belgische para's is duidelijk. In telefoongesprekken met stafchef Charlier heeft kolonel Marchal meermaals gezegd tot welke moordpartijen het vroegtijdig vertrek van de Belgische para's zou leiden. Om die reden weigerde Marchal drie dagen lang Charliers bevel op te volgen om zijn functie van bevelhebber over de sector Kigali neer te leggen en naar Brussel terug te vliegen. R.V.C. Gewezen stafchef José Charlier was spaarzaam met de waarheid.