Ik heb me nooit moeten afvragen wat ik later ging worden, want reeds als kind zag ik mezelf als schilder en schrijver. De brieven en verhalen die verzameld zijn in Roobjees nieuwste boek Aderbloed in de Kousenhoek bieden een staalkaart van een kwarteeuw van zijn schrijverschap. Het minste wat je kunt zeggen, is dat de Roobjeese handelingen om veel woorden vragen. Die overvloed is het watermerk van een man wiens stijl je van verre herkent. In het Roobjeese universum wordt een poging tot het verleiden van een mooie, trieste vrouw als volgt beschreven: 'Ras werd dan ook mijn troostwerk overklast door dat soort van handenarbeid dat nog weinig familie kan worden genoemd van de manoeuvers en mouvementen die horen bij een zichzelve wegschenkende gave van bemoediging en verzachting in geestelijke nood.' Op dezelfde toon wordt de medemens op zijn plaats gezet: 'In alle coupletten wordt er haarscherp aangetoond alsdat de aardeling een rattenslang voor zijne broederen en zusteren is, dat onze planeet gelijk een zatte appel bestaat en dat de waarheid een schoon aangezicht heeft maar slechte kleren draagt.' Roobjee put uit een amalgaam van talen, mengt het platte met het verhevene, het archaïsche met het Gantois, volkstaal met literatuur, ironie met bitterheid.
...

Ik heb me nooit moeten afvragen wat ik later ging worden, want reeds als kind zag ik mezelf als schilder en schrijver. De brieven en verhalen die verzameld zijn in Roobjees nieuwste boek Aderbloed in de Kousenhoek bieden een staalkaart van een kwarteeuw van zijn schrijverschap. Het minste wat je kunt zeggen, is dat de Roobjeese handelingen om veel woorden vragen. Die overvloed is het watermerk van een man wiens stijl je van verre herkent. In het Roobjeese universum wordt een poging tot het verleiden van een mooie, trieste vrouw als volgt beschreven: 'Ras werd dan ook mijn troostwerk overklast door dat soort van handenarbeid dat nog weinig familie kan worden genoemd van de manoeuvers en mouvementen die horen bij een zichzelve wegschenkende gave van bemoediging en verzachting in geestelijke nood.' Op dezelfde toon wordt de medemens op zijn plaats gezet: 'In alle coupletten wordt er haarscherp aangetoond alsdat de aardeling een rattenslang voor zijne broederen en zusteren is, dat onze planeet gelijk een zatte appel bestaat en dat de waarheid een schoon aangezicht heeft maar slechte kleren draagt.' Roobjee put uit een amalgaam van talen, mengt het platte met het verhevene, het archaïsche met het Gantois, volkstaal met literatuur, ironie met bitterheid. Zijn goede vriend en kunstbroeder Hugo Claus kenschetste Roobjee ooit in enkele dichtregels als volgt: 'Pjeroo slijpt kiezels van woorden / waar wij ons aan schrammen / hij lanceert lasso's van sissende zinnen / en wij verstrammen.'In uw nieuwe verhalenbundel 'Aderbloed in de Kousenhoek' duikt het personage Pjeroo Roobjee graag op als de man die zich onweerstaanbaar aangetrokken voelt tot zijn geboortehuis in de Gentse Meelstraat...Pjeroo Roobjee: Dat is een merkwaardige toestand. Als je jong bent, denk je: daar keer ik nooit meer naar terug. Ik wilde altijd weg van die kleine anekdoten die met die straat verbonden zijn. Op gezette tijden betrap ik me er echter op dat ik er graag naar verwijs. Dat maakt deel uit van een soort mythologie die het eng-biografische overstijgt. Het is waar dat het vaderhuis, dat ook het grootvaderhuis was, een steeds grotere rol gaat spelen. Dat heeft te maken met mijn legendarische vader. Er is haast niets wat mijn vader niet heeft gedaan. Om zijn steeds nieuwe projecten te kunnen verwezenlijken, moesten we voortdurend verhuizen. Maar in de Meelstraat stond het huis waar mijn vader steeds naar terugkeerde, waar hij zijn wonden kwam likken na een zoveelste mislukt of half gelukt avontuur in zijn leven. Waar we ook woonden, in Friesland of in Amsterdam, altijd keerde vader uiteindelijk terug naar Gent, naar dat huis, om er mentaal uit te rusten en een nieuw plan uit te broeden. Mijn vader, die ogenschijnlijk aan geen enkele plek was gehecht, keerde aan het eind van zijn leven terug naar Gent om er te sterven. Met welke gevoelens denkt u aan al dat verhuizen terug?Roobjee: Ik schat dat vader tussen zijn trouwdag in 1941 en zijn sterfdag in 1973 zowat vijftig keren is verhuisd. Ik denk daar niet met vertedering aan terug, maar ook niet met kwaadheid of woede. Hij was nu eenmaal een vader die ons overal meesleurde. Als kinderen leefden we altijd tussen de kartonnen dozen en de verhuiskisten. Dat leven was verre van aangenaam. We moesten altijd op zoek gaan naar het minste voorwerp. Waar is de suikerpot? Waar is de koffiekan? We leidden het bestaan van nomaden. Voor mij en mijn zus betekende dit een voortdurende verandering van stad en school. Zelf heb ik die onrust gelukkig niet in mijn genen. Ik ben al chaoot genoeg in mijn kleine hoofd. Wat dreef uw vader eigenlijk?Roobjee: Mijn vaders rusteloosheid had niets met geld te maken. Hij wou alleen zijn dromen, dagdromen, egocentrische jongensdromen verwezenlijken. Hij was een kinderlijke man die maar moeilijk een baas boven hem kon verdragen en die leefde volgens het adagium ni Dieu, ni maître. Vader leefde in een jongenswereld die je terugvindt in jeugdboeken. Hij wou die dromen verwezenlijken door een bioscoop uit te baten in Destelbergen, door met de tram te rijden in Amsterdam, door in Gent rond te rijden met een stootkar waarop hij poppenspel speelde of door met pijpen en tabak op de markt te gaan staan. Wat in zijn hoofd opkwam, gebeurde ook. Maar zodra het was gebeurd, was zijn belangstelling al helemaal weggeëbd en kwam hij met iets anders op de proppen. De ene dag leurde hij met stofzuigers en de andere dag was hij directeur van een blue-jeansfabriek. Daarna stampte hij een parfumfabriekje uit de grond. Op een keer toen ik thuiskwam, had ik zelfs geen slaapkamer meer. Mijn kamer was een laboratorium geworden. En de kamer van mijn zuster, die net getrouwd was, was omgebouwd tot een magazijn. Ik herinner me dat vader halfweg de Haarlemmerdijk ook nog een keet had waar hij zeep maakte. Het was allemaal heel fantastisch. Wat vond uw moeder daarvan?Roobjee: Ik vermoed dat mijn moeder daar niet erg opgetogen over was, maar ze volgde hem wel. En vader adoreerde haar. Vader had in de Meelstraat ooit een goed lopende uitleenbibliotheek die hij 'Sim' noemde, naar Simone, de naam van mijn moeder. Van vader heb ik complete symfonieën op partituur, en een ervan heette 'Symphonie pour Sim'. Ik denk dat het leven van mijn vader in deze tijd niet meer mogelijk zou zijn. Met een leven als het zijne zou je vermoedelijk direct verzanden in wat nu de vierde wereld heet. Met die levensstijl zou je niets meer kunnen onderhouden of recht houden. Niettemin, met mijn vader had ik een prachtig contact, ook al hebben we nooit erg veel met elkaar gepraat. Hij was een zeer enthousiast verteller, maar praten over zielenroerselen deed hij niet. Ik mis hem nu nog alle dagen, mijn goede vader, dat is een feit. De 'Brieven aan de heer Overstijns' zijn soms echte bedelbrieven: 'Vergeet mij als het u belieft niet binst dat gij het prachtvolle interieur van uw portemonnee inspecteert...' Was 1998 een moeilijk jaar?Roobjee: De geldelijke inkomsten, dat is meestal een penibel punt. Ik ben een KMO'er, want voor de belastingen ben ik een bedrijf. We hebben helaas als schilder of schrijver geen statuut. De fiscus moet een lade hebben om je in te stoppen. Niet alleen materieel, maar ook moreel is het soms erg moeilijk om te overleven. Als ik eens een schilderij verkoop, is dat een evenement. Met de opbrengst kan ik de put delven die ik eerder gegraven heb. Hoe verhoudt het schilderen zich tot het schrijven?Roobjee: Ik heb schrijven en schilderen nooit los van elkaar kunnen zien. Als het schoon, helder en klaar is, probeer ik overdag te schilderen. Ik werk graag in reeksen waarin ik een thema kan uitputten. Zodra het donker wordt, begin ik te schrijven. Dat gaat al jaren door, en ik tracht het zo te houden. Wat ik niet kwijt kan op een schilderij, vindt misschien zijn weg op papier via mijn typmachine, mijn goede trouwe Adler. Ik vind dat het schilderen en het tekenen me meer beperken dan het schrijven. Binnen het canvas of het blaadje tekenpapier ben je aan grenzen gebonden. Hoe verhalend je ook te werk mag gaan, toch ben je bezig met een stilstaand beeld. In de literatuur kun je grotere vluchten maken. Nu zitten we hier aan tafel nog een kopje koffie te drinken, maar een regel verder zitten we in het centrum van Rio de Janeiro naar zwarte meidekens te loeren. Je kan al schrijvend impulsen en motieven volgen die je in een schilderij moeilijk in één beeld kunt vatten. Maar natuurlijk is het een en dezelfde wereld. Verhalen die ik plastisch op doek vertel, hebben heel veel te maken met wat ik in mijn boeken probeer uit te leggen. De brieven uit 'Aderbloed in de Kousenhoek' zijn een zoektocht naar het geluk. Ze zijn tevens een lyrische lofzang op het wezen van de mooie vrouw, die voor deze gelegenheid de gangsterdochter Nicole is.Roobjee: Wanneer in mijn romans vrouwen als filmsterren en godinnen worden opgevoerd, bewijst dat alleen maar hoe belangrijk ze zijn, hoezeer ze zulke superlatieven verdienen. Over het algemeen zijn de vrouwen nooit zwak in mijn werk. Mijn mannelijke helden daarentegen zijn altijd ongelooflijk ongelukkige mensen die met wijdopen ogen hun ondergang tegemoet rennen. Ze ontvangen de verkeerde impulsen, hebben geen intuïtie, verklaren wat in de lucht hangt compleet averechts en verkeerd. Ze zijn gedoemd om heel bizar ten onder te gaan. Ze leren niets uit hun fouten, zoals ook al bleek uit uw toneelstuk 'De verrijzenis van de fameuze Monseigneur Hamlet, Prins van Denemarken'. Hamlet mag zijn leven overdoen, maar ook dat tweede leven loopt slecht af.Roobjee: Mijn helden leren niets uit hun ervaringen. Ze kunnen er helemaal niet mee omgaan. Ze mislukken totaal. Terwijl ze denken dat ze zich verheffen, zitten ze letterlijk al helemaal vast in de stront. Ik vind dat de mens is zoals hij in mijn wereld beschreven wordt. Daar sluit ik ook de meisjes niet van uit. De meisjes hebben alleen maar een sterker karakter dan de mannen, maar ook dat stelt niet veel voor, en het is zeker geen kwaliteit. Critici die het zich gemakkelijk willen maken, spreken over de barokke stijl van Roobjee. Waar komt die overvloed, dat taalorgasme vandaan?Roobjee: Ik kan daar maar moeilijk een duim op leggen. Het zal wel van in het begin in mij gezeten hebben. Naarmate ik ouder word, wordt mijn taal nog geciseleerder. Ik word gewaar dat met taal iets gedaan moet worden. Het hoeft voor mij niet le mot juste te zijn, het is het woord zelf dat in ere moet worden hersteld. Mijn taal heeft schier niets te maken met de 'echte' realiteit, ten hoogste met een realiteit die anderhalve meter boven de grond zweeft. Het is raar. Veel mensen zeggen dat ze me liever horen voorlezen dan dat ze mijn boeken zelf in stilte zitten te lezen. Ze beweren dat hen veel meer duidelijk wordt als ik het voorlees. Misschien is dat wel waar. Zelf lees ik ook erg veel. Ik ben een alleslezer, geen sectaire fundamentalist. Ik hou van auteurs als Stanislaw Witkiewicz en Bohumil Hrabal, maar dat betekent niet dat ik ze hoger schat dan schrijvers die een eerder schrale taal gebruiken. Je kan Kafka bijvoorbeeld niet verwijten dat hij te barok met de taal omgaat. Bij Kafka gaat het immers werkelijk om le mot juste, niet om de taal die zwalpt en kolkt. Gevoelsmatig heb ik echter meer plezier aan iemand die niet bang is van overvloed. Ik heb De verwondering van Hugo Claus tientallen keren gelezen, en ook daar wordt niet al te schraal met taal omgesprongen. Als schrijver kan ik me moeilijk houden aan al die strakke indelingen, vormen en genres. Ik zou me gaarne een dichter heten zonder dat ik daarom een overtal aan gedichten moet produceren. Naast het verhaal en de roman hebt u zich ook aan het theater gewaagd.Roobjee: Voor poppentheater heb ik het verhaal van Jarry's Ubu-Roi bewerkt. In dat stuk, Ubu kaka pipi, wordt geen woord gesproken, wat een nogal onthutsende ervaring is voor iemand die bezig is met taal. Ik beschrijf de verwekking en de kindertijd van Ubu. Het loopt zeer slecht af, net zoals bij Jarry zelf trouwens. Het is een poppenspel voor kinderen van vijf tot zeven, maar ik hoop dat ook volwassenen deze bittere komedie, dit lachwekkend drama kunnen smaken. Er wordt getoond hoe de kleine Ubu van in den beginne alle trekjes van lafheid en wreedheid vertoont die zich later breder en duidelijker in de volwassene zullen manifesteren. Wat voor een volwassen mens je uiteindelijk wordt, is allicht het resultaat van zowel de omstandigheden waarin je als kind opgroeit als van je genetisch materiaal. Bij Jarry verneem je niet wie Ubu's ouders zijn, je weet niet hoe zijn jeugd verlopen is, hij heeft geen voorgeschiedenis. Daarom vond ik mijn invalshoek zo geestig: wat voor iemand was Ubu toen hij nog sukkelde in zijn kinderbox? Verder heb ik The Duchess of Malfi, een toneelstuk van John Webster, als uitgangspunt genomen voor mijn nieuwe stuk Kathalzen. Het gaat over de bloedige ondergang van een ondernemersfamilie in liturgische gewaden en priesterkledij. Vermag alcohol u te helpen bij het schrijven? In 'Pralina's pracht' stort de ongelukkige jongen Michel Severeyns, het hoofdpersonage, zich net als Malcolm Lowry in de alcohol, en vandaar bij wijze van spreken in de afgrond...Roobjee: Dat doe ik nooit. Natuurlijk, soms, als de demonen toeslaan, beuk ik deuren in en zou ik aftershave drinken. Faulkner zei wel dat een flesje bourbon beter voor een schrijver is dan een flesje inkt. Maar dan moet je in alle vroegte in een bordeel schrijven. Op zo'n ochtendlijk uur is het daar altijd rustig omdat de hoeren slapen. De meeste schrijvers die met de fles aan hun zij schreven - denk maar aan Lowry -, zijn niet oud geworden. Dat is niet aan mij besteed. Pjeroo Roobjee, 'Aderbloed in de Kousenhoek',Van Halewyck, Leuven, 283 blz., 798 fr. 'Kathalzen' van Pjeroo Roobjee wordt opgevoerd door het Toneelhuis en gaat in première in de Antwerpse Bourla-schouwburg op 25 februari.Jeroen Kuypers Piet de Moor