Vincent van Gogh, de vroege tekeningen (1880 -1883) : een genie op acht dagen tijd ?
...

Vincent van Gogh, de vroege tekeningen (1880 -1883) : een genie op acht dagen tijd ? SJRAAR VAN HEUGTEN, de conservator-tekeningen van het Van Gogh Museum doet het verhaal van een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. In 1880 besloot de zevenentwintigjarige Vincent van Gogh om kunstenaar te worden op aanraden van zijn broer Theo die in de kunsthandel bedrijvig was. Zo kwam een eind aan een situatie die bepaald gênant geworden was toen zijn zuster hem had voorgesteld om de bakkerstiel te leren. Van Heugten staaft zijn stelling met ?een latere brief (van Theo, red.) die altijd over het hoofd gezien is? en waarin deze inpikt op Vincents ?verlangen naar het 'land der schilderijen'.? Vòòr 1880 zou vooral het besef van zijn technische tekorten Vincent ervan weerhouden hebben om een artistieke carrière te beginnen. Maar toen, zo betoogt de conservator-tekeningen met ditmaal een brief van Vincent als bewijs, tikte de domineeszoon een ?begrijpelijk boek over perspectief? op de kop. En zie, op minder dan acht dagen tijd tekende hij naar eigen zeggen een ?interieur van een keukentje met kagchel, stoel en tafel & venster op hun plaats en op hun pooten terwijl 't vroeger mij bepaald hekserij of toevalligheid scheen dat men diepte & juitse perspectief in een teekening had.? En klaar was kees ! Door het weekblad Vrij Nederland gevraagd of hij Van Gogh een genie vond, antwoordde Sjraar van Heugten na enig aarzelen bevestigend, en gaf als reden : ?Iemand die zich heeft ontwikkeld van een amateuristische, tamelijk ongetalenteerde tekenaar tot iemand die... ja, kunstgeschiedenis heeft geschreven, die noem ik geniaal.? Geniaal op acht dagen tijd ? Van Heugten heeft een simpele en directe kijk op zijn onderwerp, blijkt wel. Onder zijn hoede werd nu werk gemaakt van een wetenschappelijke catalogus van de 500 tekeningen die het Van Goghmuseum in zijn bezit heeft. De publicatie zal vier banden omvatten, telkens begeleid door een kleine tentoonstelling. De eerste band werd zo zuinigjes verdeeld bij de opening van de eerste van de vier exposities dat zelfs heel wat van de opgetrommelde kunstredacteuren het zonder moesten stellen. Zij proberen zich nu een zo precies mogelijk beeld te herinneren van een keurig opgehangen ensemble van 65 tekeningen gemaakt tussen 1880 en 1883. Dat is dan vanaf het ogenblik dat Van Gogh na een slopend maar menselijk verrijkend verblijf als prediker bij de mijnwerkers in de Borinage in Brussel belandde, er de Hollandse schilder Willem Roelofs om advies vroeg, en zijn pastorale roeping niet langer zag zitten. KOLENMIJN.Van Brussel ging hij naar Etten, waar zijn ouders woonden, vandaar naar Den Haag, en na een korte episode in Drenthe belandde hij eind '83 in Nuenen, waar hij geboren werd. Grotendeels buigen wij ons dus over de ?Hollandse periode? van de meester, en proberen ons de genese van een genie voor te stellen aan de hand van het medium dat vanwege z'n directheid en ongekunsteldheid het meest geschikt lijkt om de loop van de creatieve stroom tot aan de bron af te gaan. Om te bewijzen dat Van Gogh pas deugdelijke dingen maakte vanaf het moment dat hij full time kunstenaar werd met de Guide de l'ABC du Dessin van Cassagne in de hand, laat Van Heugten eerst wat tekeningen van vòòr 1880 zien. Hier een voorzichtig Londens stadsgezichtje, daar een kinderlijke impressie van een kolenmijn in potlood en waterverf. ?Geen van de werken geeft van een sluimerend groot tekentalent blijk?, zo hangt er als commentaar bij. Maar van zodra hij zijn perspectiefraampje ineengeknutseld had, voldoende kopies van grote meesters had gemaakt en enkele gratis modellen met stukken uit zijn persoonlijke garderobe had aangekleed om er ?serieuze? figurenstudies mee uit te proberen, zag alles er plots veel artistieker uit. Bovendien ging Vincent vanaf 1881 op aanraden van de Haagse schilder Anton Mauve behalve potlood, pen en inkt nu ook houtskool gebruiken, krijt en penseel. En Theo vond dat hij best wat kleur in zijn tekeningen kon leggen, want dat hadden de mensen graag. Aangestoken door een drift tot experimenteren, maakte hij in 1882 ook potloodtekeningen op een vrij korrelig aquarelpapier waarbij hij de vette glans van het potloodgrafiet eraf kreeg door het papier met melk te overgieten. Maar water was desnoods ook goed, meldde hij aan zijn broer. In zijn ijver om de technische kant van de zaak zo zorgvuldig mogelijk uit de doeken te doen, gaat de conservator enigszins voorbij aan de kernvraag : waar was het Van Gogh eigenlijk om te doen ? Wat beweegt de figuren met hun sombere gelaatstrekken en expressieve houdingen eigenlijk ? Waar ze met de liefde te maken hebben, wekken ze een gevoel van deernis. Waar ze het werken weergeven, laten ze niet anders zien dan het labeuren ?in het zweet huns aanschijns?. Die indruk, opgedaan aan de hand van een handjevol tentoongestelde tekeningen tussen 1880 en 1883, leidt recht naar het ware antwoord op de vraag hoe, wanneer en waarom Van Gogh kunstenaar werd. En dat is dan niet zozeer een kwestie van perpectief, houtskool of melk maar van een zich ontwikkelend inzicht in zijn eigen diepste wezen : iemand die gegrepen was door de troostende boodschap van de religie, de kracht van het woord en van het beeld. Het besef dat hij die drie aspecten van zichzelf het best als kunstenaar kon beleven en niet als dominee of bediende in de kunsthandel, groeide langzaam. Dat kunnen we gewoon nalezen in zijn eigen brieven. We moeten niet wachten op die ?latere brief van Theo? van 1880 of op het Teken-ABC van Cassagne dat hij in datzelfde jaar verslond. REMBRANDT.Al in 1873 gaf Vincent in een brief aan Theo vanuit Ramsgate uitdukking aan zijn diepe twijfel of hij het wel ver zou schoppen als schoolmeester, geestelijke of kunsthandelaar. Dezelfde brief bevat enthousiaste passages over kunst, zoals ze àl zijn latere brieven zouden kenmerken. In Ramsgate maakte hij melding van etsen van Albert Dürer, en ook van een eigen tekening een zicht uit het raam van de school en van de prachtige schilderijen die hij in Hampton Court gezien had. De nauwe relatie tussen het schrijven en het tekenen bij Van Gogh werd voor het eerst gereveleerd in een brief uit Amsterdam van mei 1877. Die ochtend maakte hij instinctief tijdens het schrijven een tekening van Elia in de woestijn, onder een stormachtige hemel en met enkele doornstruiken in de voorgrond. En bij een ets van Rembrandttrof hem niet alleen het beeld maar ook het onderschrift, waarin sprake is van het licht dat midden in de nacht zijn straling uitzendt. In de Borinage zijn geen schilderijen, schreef hij in december 1878. Toch vond hij er enkele, toen hij het atelier van de eerwaarde heer Pietersen bezocht. Deze vroeg Vincent enkele van diens schetsen. Want inderdaad, hij tekende veel, vaak tot diep in de nacht. Hij las ook verwoed, onder andere Dickens en Harriet Beecher Stowe ( ?De hut van Oom Tom?), èn hij formuleerde aan de hand van schilderijen van Mauve en Maris, die volgens hem klaarder spraken dan de natuur zelf een definitie van kunst die altijd de zijne zou blijven : ?L'art c'est l'homme ajouté à la nature.? Het kon niet uitblijven, Vincent stelde bij zichzelf een eindeloos heimwee naar het ?vaderland? der schilderijen vast. Hij kopieerde figuurstudies van Jean-François Millet en Jules Breton, werkte op de ?Cours de Dessin? van Bargue, en hoopte daardoor in staat te zijn om mijnwerkers te kunnen tekenen. In volle werkdrift trok hij te voet naar Courrières waar Jules Breton zijn atelier had. Daar aangekomen werd hij door schroom bevangen, durfde niet aankloppen en keerde onverrichterzake terug. Maar aan Theo liet hij weten dat Breton, Millet en ook Jozef Israëls in staat waren om die zeldzame parel, de menselijke ziel, uit te drukken op een nobele en evangelische manier. En hij liet er onmiddellijk op volgen : wacht, misschien zal je op een dag zien dat ook ik een kunstenaar ben. Dan hoop ik dat ik tekeningen kan maken waarin iets menselijks zit. Had ik maar centen genoeg om naar Parijs te gaan, kon ik maar vriendschap sluiten met een goed kunstenaar ! Geen twijfel, in de Borinage, in 1878, is in de meest barre omstandigheden een kunstenaarsziel gerijpt zoals we hem in die eerste tekeningententoonstelling in het Van Goghmuseum eigenlijk te weinig leren kennen. Dat heeft iets van een gemiste kans. Jan BraetT/m 15.9.96, Tweede verdieping Van Gogh museum, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam. Open elke dag van 10 tot 17 u.De Zaaier (naar Millet), 1881, potlood, pen en penseel in inkt, waterverf, op velijnpapier, 48,1x36,7cm : L'art c'est l'homme ajouté à la nature. Landschap met turfhoop en boerderijen, 1883, waterverf op velijnpapier, 41,7x54,1 cm : heimwee naar het vaderland der schilderijen. Soepbedeling in een volksgaarkeuken, 1883, bergkrijt, penseel in zwarte verf, waterverf op aquarelpapier, 56,5x44,4cm : een gevoel van deernis. Baby, houtskool, olieverf, waterverf op aquarelpapier, 33,8x25,7cm : de menselijke ziel, die zeldzame parel...