De Rwandacommissie blijft met haar statuut worstelen. Ondertussen slaagt de diplomatie erin de meubelen redelijk te redden. Maar bij defensie dreigt stilaan toch een ware ravage.

Het valt de Rwandacommissie niet mee om een prominente plaats in de politieke actualiteit af te dwingen. Dat heeft vele redenen. Er heerst momenteel geen gebrek aan parlementaire onderzoekscommissies, waarin het niet zelden tot emotionele ontladingen en sensatiemakende verklaringen komt. In die concurrentieslag is de Rwandacommissie gehandicapt. De dood van de tien para’s spreekt minder tot de verbeelding dan verdwenen of vermoorde kinderen. En ook de genocide op enkele honderdduizenden Tutsi’s en gematigde Hutu’s en de Belgische betrokkenheid daarbij, veroorzaakt in dit egocentrische land geen schokeffect laat staan een collectief trauma. De Senaatscommissie heeft het zich bovendien moeilijk gemaakt. Vooralsnog heeft ze de bevoegdheden niet van een echte onderzoekscommissie en op de koop toe zijn de meeste Senatoren nauwelijks vertrouwd met de subtiele gang van zaken in hoge militaire en diplomatieke kringen. Ze betalen bijgevolg leergeld. Daarnaast is er de wetenschap dat het hier een zeer gevoelige politieke materie betreft. Eerste-minister Jean-Luc Dehaene (CVP) tilt zwaar aan dit dossier en dat remt sommige commissieleden. Vooral voorzitter Frank Swaelen (CVP) treedt hier meer op als een koorddanser dan als een onverbiddelijk zoeker naar de waarheid. Telkens er lastige vragen opduiken en de commissieleden zich in een thema vastbijten, valt de irritatie van zijn gezicht te lezen. Als het aan Swaelen ligt, wordt de Rwandacommissie een knusse gespreksgroep waar ministers, generaals en topdiplomaten een causerie houden en nadien welwillend de vraagjes van de aanwezigen beantwoorden. Het verschil met het optreden van zijn partijgenoot Tony Van Parijs in de Bendecommissie en zeker Marc Verwilgen (VLD) in de Dutrouxcommissie is frappant. Dat het dusver tussen Swaelen en de andere commissieleden nauwelijks tot aanvaringen kwam, wekt overigens verbazing. Bert Anciaux (VU) en Patrick Hostekint (SP), die al een paar keer als schooljongens werden afgesnauwd, slikten tot dusver hun ergernis in. Ook met Guy Verhofstadt (VLD) kwam het nog niet tot een directe confrontatie. Swaelen ontziet de voormalige VLD-voorzitter, die op zijn beurt zichtbare inspanningen levert om het niet tot een botsing te laten komen. Dat is de prijs die hij voor de consensus en een milder profiel betaalt.

DE AMBASSADEUR WAS NONCHALANT

Swaelen had het de vorige dagen niet onder de markt om de gelederen gesloten te houden. Tot verbazing van de eigen SP-leiding, de meerderheidspartijen en alle leden van de commissie, vroeg dissident Hostekint dat de Rwandacommissie onmiddellijk in een onderzoekscommissie zou veranderen. Na een paar uur vergaderen raakte iedereen het eens over een compromis. Tegen eind maart moeten alle documenten, die de commissie wil inkijken, beschikbaar zijn zoniet worden ze in beslag genomen. Op 18 april wordt een stand van zaken opgemaakt en indien nodig komt er dan een volwaardige onderzoekscommissie. Daarvoor is een meerderheid binnen de commissie vereist en die bleek woensdag niet voorhanden. CVP, PSC en PS oordeelden het niet opportuun om het voorstel-Hostekint te aanvaarden en stemden tegen. De kans dat de PS binnenkort zijn standpunt wijzigt, is echter groot. Meer nog dan de Vlaamse partijen blijkt ze gevoelig voor de negatieve reacties van de Franstalige nabestaanden van de tien para’s. Van zijn kant liet Verhofstadt nu al weten dat de Rwandacommissie vanaf 18 april hoe dan ook een heuse onderzoekscommissie moet worden. ?Verdere onduidelijke of halfslachtige tussenoplossingen ondergraven de geloofwaardigheid en de werkzaamheden. Dit is niet het moment om Belgische compromissen af te sluiten.?

In tegenstelling tot de legerleiding zijn de Belgische diplomatie en Buitenlandse Zaken er tot dusver in geslaagd de commissieleden van hun serieux en professionele aanpak te overtuigen. Hoewel opvallende tegenstrijdigheden in de getuigenissen uitbleven, viel het wel op dat onder meer voormalig ambassadeur in Kigali Johan Swinnen deze keer meer tegenwind kreeg. Er waren twijfels of hij tegenover president Juvénal Habyarimana wel duidelijk genoeg de Belgische bekommernissen en standpunten formuleerde. Op 13 januari 1994 werd Swinnen op de hoogte gesteld dat de radicale Hutu’s een plan hebben om Belgische militairen te vermoorden. De onthulling kwam van de fameuze Jean-Pierre, een gewezen medewerker van de veiligheidsdiensten van de president en verantwoordelijk voor de opleiding van de jeugdmilities in de voormalige eenheidspartij. Op 14 januari had Swinnen samen met diverse andere diplomaten en ambassadeurs, onder meer die van de Verenigde Staten en Frankrijk, rendez-vous bij Habyarimana. Toch interpelleerde Swinnen de president niet over het moordplan, hij hield het bij het globaal veiligheidsprobleem waarmee de militairen geconfronteerd werden. Opmerkelijk genoeg sloeg Swinnen evenmin alarm rond een ander moordplan. Al op 5 december 1993 waarschuwde premier Agathe Uwilingiyimana de Belgische journaliste Colette Braeckman in verband met voorbereidingen om tien Belgische para’s te vergiftigen. Braeckman die over dit gesprek slechts terloops in Le Soir berichtte, verwittigde onmiddellijk de Belgische legerleiding in Kigali en signaleerde tijdens haar getuigenis dat eerste-minister Agathe deze informatie ook aan Swinnen doorspeelde. Dit leidde echter niet tot fors protest bij Habyarimana. Swinnen had daar echter een uitleg voor : ?We moesten heel omzichtig te werk gaan, want er was een groeiend wantrouwen tussen de president en de eerste-minister. Elke stap in één of andere richting gaf onmiddellijk aanleiding tot vervelende interpretaties.? Dat Swinnen de president ontzag, is verklaarbaar. Hij was een charmeur, had de meeste touwtjes in handen en genoot het vertrouwen van Brussel en Laken. Of deze ?voorkeurbehandeling? de waakzaamheid van de Belgische diplomatie ondermijnde en zo het veiligheidsrisico van de militairen vergrootte, bleef tot dusver onbesproken in de commissie.

HET WOORD KWAM VAN CLAES

Overigens ontkent Buitenlandse Zaken dat Habyarimana met fluwelen handschoenen werd aangepakt. In zijn getuigenis onderstreepte de toenmalige kabinetschef, ambassadeur Lode Willems, dat België in maart 1993 zijn ambassadeur voor overleg naar Brussel terugriep. Dat gebeurde naar aanleiding van de publicatie van het internationale onderzoeksrapport over de schendingen van de mensenrechten. Pas toen president en regering in een gemeenschappelijke verklaring van 7 april 1993 beterschap beloofden, mocht Swinnen opnieuw naar Kigali. Advocaat Eric Gillet, co-auteur van het rapport, liet zich daarover uit in bittere termen. ?De president heeft België toen mooi gerold. Een dag na die verklaring werd, mede op zijn initiatief, radio Milles Collines opgericht.? Willems die grondig voorbereid en zelfverzekerd de commissie toesprak, wees er voorts op dat Swinnen tijdens de ontmoeting met de zevenkoppige delegatie met Habyarimana bijzonder scherp uithaalde. ?Dezelfde avond heeft Swinnen me nog gebeld. Hij was ongerust dat hij misschien te ver was gegaan.? Slechts één keer had ambassadeur Willems het moeilijk : over de Belgische weigering om informant Jean-Pierre politiek asiel te geven. Volgens Willems was er geen sprake van een weigering. De VN had ons land slechts gepolst en onmiddellijk een alternatief geformuleerd : een plaatsje op één van de vele VN-posten elders in Afrika. ?Dat is het enige wat ik over Jean-Pierre gehoord heb. Swinnen heeft me er nadien niet meer over gesproken.? Wat er van Jean-Pierre geworden is, kon Willems niet vertellen. Ook Swinnen, die zei dat hij de man in kwestie nooit gezien had, wist daarover geen klaarheid te scheppen. ?Ik vermoed dat de VN hem uiteindelijk in veiligheid bracht.?

Opmerkelijk was het belang dat advocaat Gillet hechtte aan de telex van toenmalig minister Willy Claes (SP) aan de Belgische VN-delegatie in New York. Op 25 februari 1994, onmiddellijk na zijn bezoek aan Kigali, drong Claes op een versterking van het VN-mandaat aan. ?In geval de toestand zou verslechteren en vernoemde Minuar-orders in voege blijven, is het voor de publieke opinie onaanvaardbaar dat de Belgische blauwhelmen passieve getuigen van een volkerenmoord kunnen worden.? Gillet : ?Voor mij is dit de sleutelzin uit het rapport van de ad hoc-groep.? Volgens Gillet wilden of konden buitenlandse verantwoordelijken, zoals een generaal Romeo Dallaire, niet meer zien wat er echt in Rwanda gebeurde en dat er een genocide werd voorbereid. Claes zette als eerste Belgische bewindsman het woord op papier. Was het een idee van Swinnen ? De ambassadeur betwijfelde of hij de minister had geïnspireerd, maar sloot niet uit dat hij in een gesprek met de minister het woord in de mond nam.

Buitenlandse Zaken beschikt misschien niet over een waterdicht dossier, maar alleszins over een goed dossier. Zowel in Kigali als in Brussel werd alert gereageerd. Er was een beleid en iedereen zat ongeveer op dezelfde golflengte. Ongetwijfeld oordeelde men te mild over Habyarimana, werd te lang gewacht om in New York op tafel te slaan en was het een fout om na de dood van de tien para’s de Unamir-operatie unilateraal op te blazen. Daarover zullen Claes en de diplomatie nog vervelende vragen te beantwoorden krijgen. Voor defensie en Landsverdediging dreigt de Rwandacommissie echter op een lijdensweg en een afgang uit te draaien. Het is symptomatisch dat alle aanvragen om achter gesloten deuren te spreken, tot dusver van militairen kwamen. Zowel het voormalige hoofd van de militaire inlichtingendienst (SGR) generaal-majoor Julien Delhotte als kolonel Luc Marchal wilden ver van de pers getuigen. Vooral de verklaringen van Marchal, de bevelhebber van de Belgische blauwhelmen in Kigali, maakten indruk. Volgens eensluidende indiscreties formuleerde hij een lange klacht over het geïmproviseerd vertrek van het Belgisch bataljon. Er was een gebrek aan voorbereiding, munitie, wapens en voertuigen. Delhotte, die nu met pensioen is en zich in die tijd niet onderscheidde door grote dadendrang, deed een boekje open over de werking van SGR. Een voorspelbaar verhaal over te weinig personeel en onvoldoende middelen. Niet zonder belang tenslotte waren de verklaringen van majoor Charles Hocq, analyst bij SGR, over de moeilijke samenwerking met de Franse inlichtingendienst, omwille van het ?Kolwezi-syndroom?. ?De relaties met de Fransen waren allerminst probleemloos. Ook in de inlichtingendiensten is het een kwestie van vraag en aanbod. Je krijgt slechts informatie als je iets in de plaats geeft.?

Paul Goossens

Luc Marchal voor de Rwandacommissie : één jammerklacht.

Ambassadeur Johan Swinnen : onvoldoende duidelijk geweest ?

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content