'Ik maak me zorgen over Europa', zucht Jacques Rogge. De voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) fronst er de wenkbrauwen bij. 'We staan aan de vooravond van een enorme machtsverschuiving. De heerschappij van Europa, en zelfs van de Verenigde Staten is voorbij. In de komende tien, vijftien jaar zal Azië de topsport domineren.' Rogge pauzeert even, alsof hij zijn woorden voldoende gewicht wil geven. 'Op de Olympische Spelen van 2004 in Athene', legt hij uit, 'is China het derde sportland van de wereld geworden, na de VS en Rusland. Wat me vooral opviel, is de vooruitgang die ze maakten in sporten waarin ze vroeger allerminst uitblonken. Plots waren er Chinese topzeilers of uitstekende Chinese schermers. Het zou me niet verwonderen als China op de Spelen van 2008 in Peking al de grootste sportnatie van de wereld blijkt.'
...

'Ik maak me zorgen over Europa', zucht Jacques Rogge. De voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) fronst er de wenkbrauwen bij. 'We staan aan de vooravond van een enorme machtsverschuiving. De heerschappij van Europa, en zelfs van de Verenigde Staten is voorbij. In de komende tien, vijftien jaar zal Azië de topsport domineren.' Rogge pauzeert even, alsof hij zijn woorden voldoende gewicht wil geven. 'Op de Olympische Spelen van 2004 in Athene', legt hij uit, 'is China het derde sportland van de wereld geworden, na de VS en Rusland. Wat me vooral opviel, is de vooruitgang die ze maakten in sporten waarin ze vroeger allerminst uitblonken. Plots waren er Chinese topzeilers of uitstekende Chinese schermers. Het zou me niet verwonderen als China op de Spelen van 2008 in Peking al de grootste sportnatie van de wereld blijkt.''Azië', bedenkt de IOC-voorzitter, 'zal vroeg of laat het Westen overvleugelen. Japan verdubbelde in Athene zijn aantal medailles. Thailand is veel sterker geworden en Zuid-Korea bevestigt zijn status. Azië is druk bezig de sporters van de toekomst te kweken'. Rogge vertelt over zijn bezoek onlangs aan een sportcentrum in het Japanse Yokohama. Hij fluit tussen zijn tanden. 'In-druk-wekkend! Het meest geavanceerde trainingscentrum dat ik ooit heb gezien - en ik heb er véél gezien in mijn leven. Er was een zwembad met kijkgaten voor synchroonzwemmers, zwembanen met tegenstroming, overal videocamera's. Echt een mekka voor topsporters. Ik vrees dat Europa en de VS op termijn niet zullen standhouden tegen zoveel prestatiedrang.'JACQUES ROGGE: Helemaal niet. Afrika is een reusachtig continent met een miljard inwoners. Allemaal mensen die relatief gezond leven, en niet gebukt gaan onder de dictatuur van televisies en computers. De Afrikanen hebben in de jongste decennia een voorsprong op het Westen opgebouwd die ze voorlopig niet zullen verliezen. Ze domineren de uithoudingssporten, maar in Sydney in 2000 leverden ze ook de olympische kampioenen in het voetbal. Al die voetbalvedetten zijn vandaag trouwens uitgezwermd naar Europese topclubs. Maar toch is de opkomst van Azië meer bedreigend voor de status van de sportnaties in Europa of de VS. Sportprestaties blijken namelijk heel nauw verbonden met de algemene ontwikkeling van een land. De landen met het grootste bruto binnenlands product (bbp) zijn doorgaans ook de sterkste sportlanden - uitzonderingen als Cuba daargelaten, een land dat in sport hoger scoort dan zijn bbp laat vermoeden, of België, dat juist veel minder sportieve resultaten haalt. China kent de jongste jaren een ongebreidelde economische groei, en dat zal zich in de komende jaren vertalen in de sportieve prestaties van de atleten. Net als Afrika heeft Azië gezonde en hongerige atleten, in elke betekenis van het woord. China heeft nu ook het geld om een sportbeleid op poten te zetten, het heeft de techniek ingevoerd, en er is een ongelooflijke drive . Hun tafeltenniscentra zijn zo groot als onze Heizel, en aan duizenden tafels staan duizenden kinderen te spelen. Tik-tak-tik-tak-tik-tak-tik-tak, de godganse dag. Vroeg of laat moeten die centra kampioenen afleveren. ROGGE: We zijn nog lang niet aan de bovengrens, al zullen records niet meer met seconden worden verbeterd, maar eerder met honderdsten of duizendsten ervan. De voorbije dertig jaar was een betere recuperatie het geheim van de progressie in de topsport. Karel Lismont, die zilver won op de olympische marathon in Montréal in 1972, trainde ver over de honderd kilometer per week. De marathoniens trainen vandaag amper méér. Maar Karel moest 's ochtends, 's middags en 's avonds trainen. Tussendoor moest hij werken - hij had een topfunctie op de belastingdienst in Tongeren. Nu kunnen atleten gewoon rusten tussen twee trainingen, en dat maakt een heel verschil. ROGGE: Betere medische zorgen, bijvoorbeeld. Meer levenshygiëne. En ook wel betere recuperatie. Ik sta er soms versteld van hoe slecht topatleten hun seizoen indelen. Hoe ze systematisch te veel wedstrijden inplannen. Als ze zuiniger zouden omspringen met hun energie, zouden ze veel beter kunnen pieken. Maar ik verwacht nog het meest van het zoeken naar talent op wetenschappelijke basis, in fitnessproeven en via een biomedisch onderzoek. ROGGE: Waarom niet? In de DDR zijn onwettige middelen gebruikt op training en in competitie, maar met haar detectiesysteem was niets verkeerd. Als een simpel uitstrijkje uit de mond mij kan leren dat Jacques Rogge eerder voor de krachtsporten gemaakt is dan voor het turnen, waarom zouden we dan dat uitstrijkje niet nemen? Die informatie kan veel drama's vermijden, ook bij ouders die in hun kinderen een kleine Tom Boonen zien, of een Kim of Justine, vaak in tegenstrijd met hun talent en ten koste van hun studies. En zolang we ethisch met die screenings omgaan, is er eigenlijk geen probleem. ROGGE: (schudt overtuigd het hoofd) Op een seminarie in Zweden heb ik geleerd dat er wellicht geen middelen meer bestaan die frequent door atleten gebruikt worden die wij niet kunnen opsporen. Niet sinds we in 2000 erytropoëtine (epo) leerden opsporen. ROGGE: Over vijf, zes jaar verwacht ik twee belangrijke vernieuwingen: de biotechnische geneesmiddelen op basis van bacteriën en de genetische manipulatie. Maar we werken nu al aan tests die eventuele fraudes moeten kunnen bewijzen. ROGGE: Nee. Genetische manipulatie veronderstelt dat de atleet bacteriën in een levende cel laat inbrengen. Die bacteriën geven een immunologische reactie in het lichaam. We zullen in de toekomst moeten aantonen dat een bepaalde bacterie drager is van een bepaald gen, en op die basis dopinggebruik detecteren. Dopingcontroleurs zullen over enkele jaren niet meer zoeken naar de residuen van een bepaalde stof, maar naar veranderingen in de fysiologie van het lichaam, omdat de stoffen zelf niet meer op te sporen zijn. Het probleem dat zich daarbij voortdurend zal voordoen, is: waar ligt de grens tussen wat normaal en wat niet normaal is? ROGGE: (beslist) De zaak-Beke is niet problematisch voor de geldigheid van de epotest. Rutger Beke heeft kunnen bewijzen dat hij een uitzondering is, dat hij in uitzonderlijke gevallen eigen proteïnen produceert die een vals positieve test kunnen geven. Zulke uitzonderingen zijn er altijd. Wielrenner Wim Omloop werd er in de jaren 90 even van verdacht testosteron te gebruiken, maar hij bleek een natuurlijk verhoogde testosteronspiegel te hebben. Ik ken ook Noorse skiërs met een natuurlijk verhoogd hematocriet (het percentage rode bloedcellen in het bloed, nvdr.). Zulke sporters hebben ontegensprekelijk een fysiologisch voordeel, maar ze worden niet vervolgd. Die uitzonderingen brengen de geldigheid van de dopingtest niet in gevaar. Onze interpretatietechnieken van de epotest zijn ondertussen overigens zó verfijnd, dat een tweede geval-Beke uitgesloten is. ROGGE: Geen van beide. De dopingbestrijding zal wetenschappelijker worden, maar de basiselementen blijven dezelfde: actieve en passieve preventie, maar ook repressie. We moeten atleten ervan blijven overtuigen dat doping ongezond is, en dat het ook zonder kan. We moeten ijveren voor een haalbare wedstrijdkalender met voldoende recuperatietijd, en voor een statuut dat atleten niet naar het snelle geld drijft. En af en toe moeten we gendarme spelen, met onaangekondigde controles buiten competitie. ROGGE: Officiële pentiti, met een speciaal statuut, een riant pensioen en een nieuwe identiteit? Die hebben we niet, nee. Binnen WADA is er wel een intelligentiecel opgericht, met kenners die alle sporten afspeuren naar afwijkende prestatiecurves en verdachte evoluties. We krijgen ook steeds vaker spontaan informatie. Ik ben nogal geneigd om die te belonen: van mij zouden betrapte atleten die een netwerk blootleggen, in de toekomst minder streng gestraft mogen worden. Niet alle sportbonden delen die mening. ROGGE: Ik geloof in elk geval in technologie. Waarom zouden we die niet gebruiken, zolang ze maar niet de regels bepaalt of ingrijpt in het karakter van de sport? Op de tennisterreinen in Wimbledon piept een detector elke keer als de bal over de lijn gaat. In het wielrennen bepalen videobeelden of een spurter al dan niet gediskwalificeerd moet worden. De duidelijkheid van de tv-beelden is in ieders voordeel, inclusief in dat van de sporter. Maar we moeten er wel streng over waken dat sporters niet om de haverklap schreeuwen om herhalingen, want dat ondermijnt het gezag van de scheidsrechter . Op dat vlak kan het Amerikaans voetbal als rolmodel dienen: de National Football League (NFL) heeft perfect gereglementeerd wanneer tv-beelden kunnen, en wanneer niet. Alle reglementen moeten kunnen gelden voor álle clubs, niet alleen voor de rijke bonden. Televisiebeelden leveren en gebruiken is financieel perfect haalbaar voor de deelnemers aan de Champions League, maar wellicht niet voor een clubje uit vierde provinciale. En regels moeten zich richten op de grootste gemene deler. ROGGE: Natuurlijk hebben de camera's de sport tot in het diepste van haar vezels veranderd. Maar de meeste veranderingen waren ook verbeteringen. In 1960, toen er amper camera's in het olympisch stadion stonden, waren de Olympische Spelen elitair en rudimentair. Maar vanaf het moment dat de televisie zich voluit op de Spelen gooide, in 1972 in München, kwamen het geld en het professionalisme. De trainingen werden beter, het materiaal ook, en stukje bij beetje verdwenen de verlichte amateurs uit de topsport. Karel Lismont en Roger Moens (ex-wereldrecordhouder en winnaar van de zilveren medaille op de 800 meter tijdens de Spelen in 1960, nvdr.) combineerden topatletiek met een veeleisende voltijdse job. De vele stages en de opeenvolging van wedstrijden maken zoiets anno 2006 onmogelijk. De komende jaren zal ook televisie zelf ingrijpend veranderen. Zal dat de sport beïnvloeden? ROGGE: Ik denk het wel. Vóór het digitale tijdperk was het aanbod van sportbeelden heel eenzijdig: kijkers moésten thuis in hun luie zetel kijken, op het ogenblik dat de zenders ze programmeerden. Over tien jaar zullen we allemaal kunnen kijken op de trein, in de auto of op de computer. Daarom hebben we de uitzendrechten voor de Olympische Spelen wellicht voor het laatst aan één partij verkocht. Bij de volgende bieding zal één operator de korte, bewegende beelden kopen, en dat ene doelpunt of die spurt in het wielrennen in clips van maximaal enkele minuten doorstralen naar uw mobiele telefoon. Een tweede zal beelden aanbieden om te downstreamen op de computer. En een derde zal beelden van topkwaliteit verdelen voor de breedbeeldtelevisie, compleet met het dolby surround-geluid. In het begin zal het wennen worden, zowel voor de organisatoren als voor het medium. Het IOC en de wereldvoetbalbond FIFA zullen namelijk niet alleen meer met de grote zenders onderhandelen - NBC in de VS, de European Broadcasting Union (EBU) in Europa - maar ook met een hele rist nieuwe operatoren. Niemand kan vandaag voorspellen hoe dat zal lopen, of zelfs maar hoe de wetgeving zal evolueren. De Europese Commissie maakt zich zorgen over het monopolie van BBC Sky op de beelden voor de Premier League, de hoogste klasse van het Engelse voetbal. Betaalzender Premiere vecht voor een Duitse rechtbank de verkoop aan van de rechten op de Bundesliga aan een nieuw consortium. Wat de Duitse rechter of de Europese Commissie daarvan vinden, kan cruciaal zijn voor het verloop van alle toekomstige onderhandelingen over televisierechten. ROGGE: Organisatoren kunnen niet van alles eisen en niets teruggeven. We moeten dus een gezond evenwicht zoeken tussen de wensen van het televisiepubliek en de noden van de atleten. Ik wil geen atleten die om vijf uur 's ochtends een competitie moeten afwerken - daarom hebben we de marathons in Sydney en Athene óndanks de televisieproducenten niet op de warmste uren van de dag geprogrammeerd. Tegelijkertijd: als we de atleten primetime in Europa of de VS kunnen bieden door de wedstrijd twee uur te verschuiven, is dat ook in het belang van de atleten. Niemand wil zijn topprestatie leveren op het moment dat er thuis geen hond voor de televisie zit. ROGGE: Een schitterende zaak. Het zal de sport verder democratiseren. Niet alleen omdat er nóg meer publiek naar de evenementen zal kijken, maar ook door het geld dat topsport aan televisie verdient. De tv-rechten voor de Olympische Spelen van 2010 en 2012 zullen het IOC 3,5 miljard dollar opbrengen - 2,201 miljard in de VS, 746 miljoen in Europa, 146 miljoen in Canada, wellicht nog een half miljard in Australië en Zuid-Amerika. Dat is een miljard méér dan de rechten voor de Spelen van Turijn en Peking hebben opgeleverd. 94 procent van dat bedrag wordt verdeeld in ontwikkelingslanden en onder de federaties van kleinere sporten. België heeft er onrechtstreeks een deel van zijn successen in het roeien, het judo en het zeilen aan te danken. Maar probeert u zich maar eens in te beelden wat zoveel geld voor de atleten van de ontwikkelingslanden kan doen. ROGGE: (schudt het hoofd) Bij sponsors draait alles om investering en rendement. In het voetbal zit die verhouding een beetje scheef: veel clubs innen bijlange niet de sommen die ze uitgeven, en dat blijft maar duren tot mensen als Chelsea-mecenas Roman Abramovich zullen weigeren om zomaar geld op tafel te leggen. Maar in tegenstelling tot wat iedereen gelooft, weerspiegelt het geld in de meeste sporten wel degelijk de realiteit van vraag en aanbod. De Olympische Zomer- en Winterspelen bereiken 60 miljard televisiekijkers, dus verdient het IOC 3,5 miljard dollar aan televisierechten. Dezelfde redenering gaat op voor het wielrennen, het tennis, de atletiek of de golfsport. Daarom geloof ik dat sport in het nieuwe tv-landschap juist méér mogelijkheden krijgt om geld binnen te rijven. Neem het IOC, dat tijdens de Olympische Spelen zo'n drieduizend uur televisie produceert. Hooguit een vijfde daarvan haalt het scherm. Als we maar een deel van de resterende 2400 uren naar computer kunnen vertalen, of naar video-op-aanvraag of pay-per-view, kunnen wij een gigantische nieuwe markt aanboren. Ook de sublicenties voor beelden op computer of mobiele telefoon zullen geld opbrengen, vooral aan de kleinere bonden die vroeger moesten betálen om op tv te komen. Dat biedt unieke kansen voor die minder gemediatiseerde sporten. Ze zullen zich probleemloos kunnen onttrekken aan de tirannie van de grote media, en hun wedstrijden via het internet doorstralen naar een groter publiek. Dat is goed voor de ledenwerving, maar als ze bovendien een economisch model voor hun producties kunnen bedenken, vangen ze meer geld en kunnen zij hun atleten beter begeleiden. ROGGE: (denkt lang na) We zullen altijd een landje zijn van toevallige kampioenen, die het maken dankzij hun talent, en niet dankzij een schitterend beleid of een goed functionerend detectiesysteem. Als België zich een beetje beter organiseert, moet het nog een rol kunnen spelen in sporten waarbij het materieel belangrijk is. Ontwikkelingslanden kunnen zich geen springpaard, roeiboot of gesofistikeerd trainingssysteem met videocamera's veroorloven. Het is niet toevallig dat er wel Afrikanen in de atletiek terechtkomen, maar niet op de horden, in het polsstokspringen of de tienkamp. De sportieve toekomst van België ligt daarom in sporten als wielrennen - materiaalsporten, of technische sporten die infrastructuur vragen - of in ploegsporten waarbij tactiek en organisatie belangrijk zijn. Maar we krijgen het verdomd moeilijk in basissporten als atletiek, in uithoudingsproeven of in disciplines waarin de sporters moeten afzien, zoals boksen of worstelen. (zucht) Onze jeugd moet niet meer vechten om te overleven, hè. ROGGE: (lacht)Het is een logisch gevolg van onze verbeterde levensstandaard, en niemand kan daartegen zijn. Maar voor de sport én voor onze gezondheid is de stijging van de levensstandaard nadelig. We zitten te veel voor onze tv of ons computerscherm. Met desastreuze gevolgen. In 1989, toen ik nog voorzitter was van het Belgisch Olympisch Interfederaal Comité (BOIC), heb ik een witboek laten maken over de fysieke conditie van de jeugd. Bloso en zijn Waalse tegenhanger Adeps hebben die formule opgepikt en er een jaarlijkse barometer van gemaakt. Wel, ik zie die elk jaar verslechteren. ROGGE: Het onderwijs. In de VS is sport een essentieel onderdeel van het onderwijssysteem. Wij, met onze katholieke achtergrond, hebben het lichaam altijd als iets vies beschouwd, en dat zit er nog altijd ingebakken. Ik heb jaren geleden al gepleit voor méér sport op school, als een eenzame predikant in de woestijn. Toch moet er dringend iets gebeuren, want onze jeugd kampt met overgewicht, diabetes en een acuut gebrek aan morele weerbaarheid. ROGGE: (haalt de schouders op) Ik hoop het, want we staan voor belangrijke keuzes met verstrekkende gevolgen. Ik hoop dat politici dat inzien en dat de gezondheidsbeweging, zoals de groene beweging in de jaren 80, langzaam maar zeker doorsijpelt in alle beslissingsorganen van de politiek. Het is echt de hoogste tijd. FRANK DEMETS