Indiase verpleegkundigen

Ik werk als verpleegkundige in een woonzorgcentrum dat sinds de start bij het Kerala- project betrokken is. In het artikel 'Indiase verpleegkundigen veroveren Vlaamse woonzorgcentra' (Knack nr. 4) worden veel dingen naar mijn mening enorm rooskleurig voorgesteld.
...

Ik werk als verpleegkundige in een woonzorgcentrum dat sinds de start bij het Kerala- project betrokken is. In het artikel 'Indiase verpleegkundigen veroveren Vlaamse woonzorgcentra' (Knack nr. 4) worden veel dingen naar mijn mening enorm rooskleurig voorgesteld. In de loop van 2020 hadden wij tot wel vijf Indiase studenten tegelijk in ons woonzorgcentrum. Zelfs na hun zogenaamd intensieve taallessen lag het niveau van hun Nederlands bedroevend laag. Hun verpleegkundige competenties lieten ook te wensen over. Ze konden niet adequaat inspelen op noodsituaties, tot grote frustratie van bewoners, familieleden, huisartsen en collega's. Vaak werd hen de hand boven het hoofd gehouden. (Zware) fouten werden met de mantel der liefde bedekt. Willen we echt het personeel in onze sector, nu de bezetting overal al zo krap is, nog meer demotiveren met de aanvoer van die Indiase mensen? De studenten zelf moesten werken op het randje van de uitbuiting. Omdat ze geld nodig hadden, werkten ze vaak elk weekend en dan ook nog vier dagen per week. Sommige meisjes liepen er oververmoeid en ongemotiveerd bij. Vaak lieten zij ook hun gezin in de steek - hun man en jonge kinderen waren achtergebleven in India. Hun relatie met dokter Babu Abraham was op zijn minst vreemd te noemen. Ze adoreerden hem bijna. Hij was het die besliste wie waar mocht werken, en zelfs onze directie moest buigen voor zijn eisen en grillen. Deze nieuwe speler is geen aanwinst voor ons gezondheidszorgsysteem. Ik hoop dat ook de bevoegde ministers dat snel zullen inzien. Naam en adres bekend bij de redactie Op de cover van Knack nr. 4 wordt gesproken over het 'watervalsysteem' in het onderwijs. Bij dezen lanceer ik een oproep om dat woord niet meer te gebruiken. In de samenleving moeten diverse beroepscategorieën worden opgevuld door gemotiveerde mensen, en bij elk beroep horen specifieke vaardigheden. Ons onderwijssysteem is daarom als een vruchtbare rivierendelta: het biedt een veelheid aan studiekeuzes die allemaal maatschappelijk relevant en bijgevolg evenwaardig zijn. Maar het begrip 'watervalsysteem' bevestigt het foute beeld dat er 'hogere' en 'lagere' studierichtingen bestaan. Dat beeld stigmatiseert leerlingen in het tso en het bso. Het verklaart voor een groot deel waarom een bepaalde groep kinderen tegen alle adviezen in zo lang mogelijk in studierichtingen worden gehouden die niet matchen met hun interesses en/of talenten. Dat kan een negatieve invloed uitoefenen op de algemene leskwaliteit. Rinaldo Neels Als leraar in de eerste graad van het secundair onderwijs heb ik nu al twee jaar kunnen genieten van de onderwijsvernieuwing. In die twee jaar en het voorafgaande voorbereidingsjaar heb ik nog niet één collega getroffen die er ook maar een beetje wild van wordt. Ook het onderwijs moet mee met zijn tijd, dat valt niet te ontkennen. Dat er dus geregeld nieuwe eindtermen komen, aangepast aan de actuele behoeften, is niet meer dan logisch. Dat andere onderwijsmethodes aandacht vragen, is dat ook. Maar het grenst aan het onwaarschijnlijke hoe ingewikkeld de huidige onderwijsvernieuwing is gemaakt. Nu de tweede graad zich opmaakt voor de vernieuwing, hoor je daar al dezelfde reacties. Het lijkt wel alsof iedereen die in het verantwoordelijke leerplanoverleg zat zijn persoonlijke toets in die nieuwe plannen heeft willen achterlaten. Een onoverzichtelijk en onwerkbaar kluwen is het gevolg. Men lijkt ook de schotten tussen de bestaande vakken te willen laten vervagen. Dat is allesbehalve eenvoudig in een wereld waar alles draait rond vakken, vakleerkrachten en vaklokalen. Zelfs de lerarenopleiding van de hogescholen levert nog altijd vooral vakleerkrachten af. Via de vorige onderwijsvernieuwingen is het blijkbaar niet gelukt om het almaar verder dalende niveau van onze leerlingen op te krikken. Ik betwijfel of het nu wél zal lukken. De doelstelling om het beroep van leerkracht aantrekkelijker te maken, is in elk geval al volledig ondergraven. Hoe zou het Vlaamse lerarenkorps reageren als het morgen te horen kreeg: 'Weg ermee, we beginnen opnieuw, met een wit blad'? Mijn gok: zeer opgelucht. Ruben Meert De lockdown zet voor veel mensen de tijd stil. Ze hebben nu tijd om zich af te vragen of ze voor de coronacrisis wel goed bezig waren. Ouders die hun kinderen van de pianoles naar de tennisclub moesten brengen, daarna naar het zwembad en tot slot naar de basketbalclub: was dat wel gezond? (En dan laat ik de jeugdbeweging nog buiten beschouwing.) En áls de kinderen dan thuis waren, zaten ze uren gespannen voor hun spelcomputer gekluisterd. Die vorm van vrijetijdsbesteding moet bij hen en hun ouders tot permanente stress geleid hebben. Wordt het geen tijd om te overwegen of het echt niet anders kan? Ouders hebben nu, in deze crisis, de belangrijke verantwoordelijkheid om die keuzes te herbekijken, zodat zij en hun kroost op een doordachte manier een nieuwe start kunnen maken. Jacques Van Hove, Kennis- en Studiecentrum voor Gezondheid en Welzijn, Ekeren In 'Uit de Unie, niet uit het hart' (Knack nr. 4) dweept Steven De Cort met de mods. Maar ik denk dat hij zich even vergist wanneer hij het volgende verklaart: 'De punks waren onze grootste vijanden.' Meneer De Cort, dat waren de rockers. Ik heb die tijd meegemaakt, zo'n vijfenvijftig jaar geleden. Ik was toen al een mocker, iemand die zulke hokjes belachelijk vindt, en dat ben ik nog altijd. Jo Vervoort