Carina Van Cauter

In 'In het parlement werd ik dommer. Nu leer ik elke dag bij' ( Knack nr. 52) poneert gouverneur Carina Van Cauter het volgende: 'Gelijkwaardigheid vind ik zeer belangrijk. Je moet een vrouw geen minister of gouverneur maken omdat ze een vrouw is, wél omdat ze de meest geschikte kandidaat is.' Daar ben ik écht verontwaardigd over. Graag fris ik het geheugen even op. Eind oktober, begin november 2018 zou een gouverneur voor Oost-Vlaanderen aangesteld worden op basis van een objectieve selectieprocedure waarin naar alle competenties, ervaring en kennis werd gepeild. Omdat de selectieprocedure vereiste dat de Vlaamse regering de kandidaat moest aanduiden die het meest geschikt was volgens het competentieprofiel, stelde mevrouw Liesbeth Homans (N-VA) als toenmalige Vlaams minister van Binnenlands Bestuur mij voor. Dat was niet naar de zin van Gwendolyn Rutten, toen voorzitter van Open VLD. Zij zei dat het mevrouw Van Cauter moest worden, ofwel niemand. Het leidde tot deze uitspraak van minister Homans: 'We moeten de beste man of vrouw kiezen. Ik ga geen vrouw voortrekken als een ...

In 'In het parlement werd ik dommer. Nu leer ik elke dag bij' ( Knack nr. 52) poneert gouverneur Carina Van Cauter het volgende: 'Gelijkwaardigheid vind ik zeer belangrijk. Je moet een vrouw geen minister of gouverneur maken omdat ze een vrouw is, wél omdat ze de meest geschikte kandidaat is.' Daar ben ik écht verontwaardigd over. Graag fris ik het geheugen even op. Eind oktober, begin november 2018 zou een gouverneur voor Oost-Vlaanderen aangesteld worden op basis van een objectieve selectieprocedure waarin naar alle competenties, ervaring en kennis werd gepeild. Omdat de selectieprocedure vereiste dat de Vlaamse regering de kandidaat moest aanduiden die het meest geschikt was volgens het competentieprofiel, stelde mevrouw Liesbeth Homans (N-VA) als toenmalige Vlaams minister van Binnenlands Bestuur mij voor. Dat was niet naar de zin van Gwendolyn Rutten, toen voorzitter van Open VLD. Zij zei dat het mevrouw Van Cauter moest worden, ofwel niemand. Het leidde tot deze uitspraak van minister Homans: 'We moeten de beste man of vrouw kiezen. Ik ga geen vrouw voortrekken als een man beter scoort.' Het escaleerde jammer genoeg tot het lekken van resultaten. Niet enkel die van mevrouw Van Cauter maar ook die van mij. Ik citeer Het Nieuwsblad: 'Volgens de documenten van het selectiebureau Ascento was er wel degelijk een groot verschil. Leerman scoorde voor vijf van de zes competenties vier op vijf. Voor elke competentie scoort hij minstens even hoog of hoger dan eender welke andere kandidaat. Van Cauter haalt slechts op een van de zes competenties een vier op vijf. Twee keer scoort ze zelfs maar twee op vijf.' Ik ken niet alle resultaten, maar wellicht zullen er onder de geslaagden, gelet op de scores van mevrouw Van Cauter, nog heel wat anderen zijn die beter uit de objectieve selectieprocedure gekomen zijn dan mevrouw Van Cauter. Mannen en vrouwen die meer geschikt geacht werden. Tot zover het label 'meest geschikte'. Wim Leerman, Zottegem In 'De kaasmeester wil de Belgische kazen een boost geven' ( Knack nr. 52) staat dat Ann Keymeulen kaas niet zou combineren met wijn, maar wel met bier. Eindelijk iemand die ons Belgisch bier (dat Unesco Werelderfgoed is) mee promoot met de heerlijke kazen die er bestaan. Bovendien is wetenschappelijk bewezen dat een bier-kaasdigestif veel verstandiger en gezonder is, en vooral veel smakelijker dan de traditionele kaas-wijncombinatie. Terecht haalt mevrouw Keymeulen aan dat een drank met veel zuren nodig is om ten volle te kunnen genieten van de kaas. En dat kan eigenlijk alleen bier zijn. Franky Van Britsom Ik ben zelf 30 jaar actief geweest in de kaaswereld. Mijn grootvader was dat ook, en al in 1920 bouwde hij achter zijn huis een grote kelder om daar zelf Brusselse kaas te laten rijpen. De basisgrondstof waren de zogenaamde 'pollen'. Dat waren ronde kazen van 8 centimeter hoog en ongeveer 20 centimeter diameter uit geperste en sterk gepekelde wrongel van magere melk. In grote houten kisten met stro als tussenlaag werden ze iedere week in de kelder tot rijpen gebracht. Als de rijping voldoende was, werden kazen geportioneerd en in parchemin (vochtdoorlatend) papier verpakt. Er was geen enkele buurtwinkel of geen enkel café in de regio waar geen 'stinkkaas' werd verkocht. We mogen ook het sociale aspect van deze kaas niet vergeten: die was zo zout dat je met één kaasje een heel brood kon insmeren. Ondertussen is de belangstelling verdwenen. Ik zoek nu zelf tevergeefs naar nog een échte Brusselse kaas. Willy Aelbrecht, Buggenhout In het artikel 'Ze zullen denken dat ik een revolutionair geworden ben!' ( Knack nr. 52) maakt topjurist André Alen een degelijke, leesbare analyse van de communautaire knoeiboel in ons land. Toch enkele randbemerkingen. Alen blijkt te vergeten dat hij vanuit zijn functies mee verantwoordelijk is voor die politieke knoeiboel. Het is niets om trots op te zijn, die oplossing die hij gevonden had voor het gewetensprobleem van koning Boudewijn bij de ondertekening van de abortuswet. Het zou politiek en juridisch correct zijn geweest om de koning, die zijn grondwettelijke verplichtingen niet wilde nakomen, te laten aftreden of hem te laten afzetten. Ook opmerkelijk: ik stel vast dat de woorden 'confederalisme' en 'N-VA' niet een keer voorkomen in zijn antwoorden, hoewel zijn voorgestelde oplossing ook een vorm van confederalisme inhoudt. Arnold Desmet, Sint-Eloois-Vijve In 'Ik leef liever met een open hand dan met een gebalde vuist' ( Knack nr. 52) heeft Stefan Hertmans het over zijn ontspannen verhouding met het Vlaamse verleden en met het Nederlands. Als voorbeeld geeft hij aan dat hij het geen punt vindt om in Brussel een andere taal dan het Nederlands te spreken omdat dat strookt met de meertalige realiteit van de hoofdstad. Ik blijf het vreemd vinden dat het spreken van het Nederlands in Brussel wordt afgedaan als een daad van taalagressie (gebalde vuist) en politiek geladen blijkt, in plaats van als een vorm van taalrijkdom en taalhoffelijkheid. In Brussel begin ik een gesprek altijd in het Nederlands, dat kan heus ook met open handen, zonder wereldvreemd te zijn. Als ik merk dat de gesprekspartner geen Nederlands spreekt, schakel ik met dezelfde open handen over op een andere taal om het gesprek adequaat en taalhoffelijk te laten verlopen. Maar dit werkt in beide richtingen. Je zou verbaasd zijn hoeveel Brusselaars, vaak met een migratieachtergrond, antwoorden in het Nederlands. Luc Verbrugge, Jettte